Eind oktober 2017 krijgt Sophia officieel het staatsburgerschap van Saudi-Arabië aangewezen. Juridisch gezien heeft ze nu dezelfde rechten als een Saoedische man. Helaas is Sophia’s staatsburgerschap geen revolutie binnen de rechten van de Arabische vrouw, want Sophia is een robot. In een land waar vrouwen verplicht zijn een mannelijke voogd aan diens zijde te hebben die buiten de deur haar beslissingen maakt, is het toekennen van het staatsburgerschap aan kunstmatige intelligentie in het jasje van een vrouwenlichaam, op z’n zachtst gezegd opzienbarend.

Sophia praat, luistert, beweegt en maakt gezichtsuitdrukkingen. Ze ziet de wereld door een camera in haar borstkas en wanneer je een tijdje naar haar luistert – bijvoorbeeld tijdens een van de lezingen die ze geeft – vergeet je dat ze eigenlijk geen idee heeft van hetgeen waarover ze het heeft en niet écht nadenkt.

Ze is zo geprogrammeerd dat ze alles wat er tegen haar wordt gezegd onthoudt, om vervolgens die data te gebruiken om steeds verfijnder te kunnen communiceren. Haar ogenschijnlijke bewustzijn ontwikkelt ze dus door het contact met anderen, door wat ze zeggen en door hoe er op haar gereageerd wordt. De mens voedt haar.

Sophia is een scherp metafoor voor hoe het zelf van de mens kan werken, want hoeveel verschil zit er nou eigenlijk tussen de totstandkoming van het empathische vermogen van Sophia en de wijze waarop wij mensen onze identiteit ontwikkelen? Kopiëren we niet allemaal het gedrag van de ander om een eigen persoonlijkheid te vormen? 

Ik moet aan Sophia en de morele vraagstukken die ze oproept denken bij het zien van de tentoonstelling Who Are We Again in Arti et Amicitiae Amsterdam (samengesteld door curator Imke Ruijgrok en op initiatief van fotograaf René Bosch). De 13 deelnemende kunstenaars werken al jaren aan het in beeld brengen van de mens en daarmee de plaatsbepaling van het individu in relatie tot de tijdsgeest en de geschiedenis. Samen tonen de werken dat de wijze waarop de mens naar de ander kijkt, bepalend is voor het ontstaan van diens identiteit.

Lopend door de tentoonstelling wordt het duidelijk dat identiteit gaat over kijken, representatie en bekeken worden. Alle kunstwerken kunnen onder deze begrippen worden geschaard. Omdat het eigenschappen zijn van de mens die we niet kunnen negeren en omdat het ene begrip verantwoordelijk is voor - en ontstaat door- het andere. Zoals het spelletje van vroeger waarbij je een dier moest kiezen naar aanleiding van de laatste letter van het vorige gekozen dier. Reiger – ratelslang – gazelle. We kunnen niet representeren zonder te kijken, we voelen ons bekeken door representatie en het gevoel van bekeken worden kennen we omdat we weten wat kijken is. Dit artikel opdelen in de drie begrippen ‘kijken’, ‘representatie’ en ‘bekeken’ worden, lijkt mij dan ook passend.

Kijken

In tijden van het reproduceerbare beeld kijken we steeds vaker door de lens van de camera. Amie Dicke noemt dit ook wel ‘gekaderd kijken’. Enerzijds zou je kunnen zeggen dat we minder direct kijken naar de wereld met een camera voor ons oog, tegelijkertijd helpt het ons dat wat we hebben gezien te onthouden.

Dicke onderstreept met haar werk in de tentoonstelling dat mensen invloed hebben op elkaars identiteit, maar niet alleen door gedrag ‘over te nemen’ van de ander. Op twee grote prints toont ze juist dat een identiteit ook kan vervagen door de ander. Alsof wij mensen in staat zijn de medemens onzichtbaar te maken, kunnen laten afvlakken. De prints zijn bestaande beelden die Dicke heeft gevonden in tijdschriften. Op print 1 is een close-up portret zichtbaar, de ander toont een portret van iemand die tegen een zuil staat. Het enige wat de toeschouwer van deze gevonden foto’s nog ziet, zijn de contouren van de oorspronkelijke portretten. De rest heeft Dicke letterlijk weggeveegd met schuurpapier, een nabeeld van witte krassen en reliëf is dat wat rest. Het werk is tot stand gekomen door de gratie van aanraken. Niet door iets toe te voegen, maar juist door iets weg te halen.

Amie Dicke - photo: Gert-Jan van Rooij
Amie Dicke - photo: Gert-Jan van Rooij

Representatie
Charl Landvreugd onderzoekt in zijn werk de representatie van de Afro mens en concludeert dat in de Europese beeldvorming de begrippen Afro en Europa nauwelijks een verbinding met elkaar aangaan, een Europese vorm van Afroheid ontbreekt. ‘’Wanneer ik kijk naar de representatie van de Afro mens, dan is dat van oudsher in exotische, romantische settings. En wanneer dat wel in een westerse context gebeurt, dan is dat vooral in een urbane setting’’ stelt hij in de zaaltekst. Aan de muur in Arti zijn diverse foto en videowerken over elkaar heen geplaatst. De beelden komen uit de serie Atlantic Transformez (2010-2018) waarin het masker van ‘Optimus Prime’ uit de Transformers tekenfilmserie terugkerend is; de sciencefiction beschermheilige die de mens behoedt voor het kwaad. Voor deze serie fotografeert Landvreugd in Suriname, Nederland, Senegal en de Verenigde Staten. De locaties waar de black Atlantic heeft plaatsgevonden. Hij zet zijn modellen het masker op, maakt ze extra zwart, toont ontblote bovenlijven en zorgt dat ze de toeschouwer echt aankijken. De foto’s laten zich ergens tussen de werkelijkheid en de futuristische toekomst in plaatsen, zo wordt er afstand genomen van vooroordelen rondom de representatie van de Afro mens. De beelden gaan letterlijk een relatie aan met de titel van de tentoonstelling: ‘Who are we again’. Die vraag dringt zich namelijk aan je op; wie zijn we ook alweer? Een foto als kritische spiegel die je na laat denken over de gangbare clichés rondom de beeldvorming van Afro mannen in Europa, over waar die vooroordelen vandaan komen en hoe je ze kan bevechten.

Charl Landvreugd - photo: Gert-Jan van Rooij
Charl Landvreugd - photo: Gert-Jan van Rooij

Ook de fotoserie van Evelyn Taocheng Wang gaat over representatie, over hoe een Aziatische vrouw zich comfortabel wil voelen in Europa, in Nederland. Aan de muur hangen tientallen zelfportretten van Taocheng Wang gekleed in jurken, broeken en pakken van Agnes B. Een kledingmerk dat voor de kunstenaar de personificatie is van de Europese, verfijnde vrouw. Zodra ze zich er voor het eerst in gaat hullen, voelt ze zich direct zo. In 2014 en 2015 kocht ze iedere keer als ze geld had een kledingstuk van Agnes B. en ging hiermee op de foto. Zelfverzekerd en nonchalant kijkt ze de toeschouwer aan, maar tegelijkertijd ook afstandelijk en alleen. Ook dit is een confronterend kunstwerk, omdat het laat zien hoe vernietigend en machtig het cliché beeld van de Europese, rijke vrouw kan zijn voor vrouwen uit andere culturen en hoe de commercie hier dankbaar gebruik van maakt.

Evelyn Taocheng Wang - photo: Gert-Jan van Rooij
Evelyn Taocheng Wang - photo: Gert-Jan van Rooij

Bekeken worden
Het persoonlijke is universeel, lijkt Femmy Otten met haar installatie te zeggen. Aan de muur hangt een houten sculptuur van twee geliefden die op elkaar zitten (of het mannen of vrouwen zijn blijft bewust in het midden) , gipsen billen met getekende haartjes prijken uit de muur. Ze ogen zacht en op de vloer liggen nog wat druppels gips. Het zijn beelden en scenés die intiem zijn en we eigenlijk nauwelijks in de publieke ruimte zien. Het naakte en met name kwetsbare lichaam behoort tot het privédomein – vinden wij. Binnen de wanden van slaapkamers, onder dekens, in badkuipen en pashokjes. Maar niet bij Otten, daar mag de toeschouwer de beelden gedetailleerd bekijken. Het werk als ode aan publiekelijke intimiteit waarbij niets wordt aangetrokken van het oog van de ander.

Femmy Otten - photo: Gert-Jan van Rooij
Femmy Otten - photo: Gert-Jan van Rooij
Femmy Otten - photo: Gert-Jan van Rooij
Femmy Otten - photo: Gert-Jan van Rooij

Zodra er wordt bekeken, wordt er ook verborgen. Hier gaat het werk van Charlott Markus over. Als jong meisje luisterde ze al gefascineerd naar de vele vertellingen van haar grootvader over zijn Joods Duitse tantes. Een van hen dook tijdens de tweede wereldoorlog onder binnen de beschermde muren van een Joods ziekenhuis in Berlijn. Hoe overleefden zij de dreigingen, hoe overleefden hun verhalen hierna, en in welke mate leven deze nog steeds voort in de kunstpraktijk van Markus zelf? Vanuit daar is haar fascinatie ontstaan voor de thematiek van het verborgene, van dat wat zich aan het bestaan onttrekt. Gordijnen zijn een beeldspraak voor het werkwoord ‘verbergen’.  Ze verduisteren, vervagen de realiteit en houden de buitenwereld op afstand. In haar installatie gebruikt Markus gordijnen die net dat beetje licht wel binnen laten, maar er toch voor zorgen dat de ander je niet kan zien. Gordijnen die mensen aanschaffen met grote ramen aan een drukke straat: je wilt wel zonlicht, maar geen pottenkijkers. De vraag rest of de metafoor van het gordijn zorgt voor veiligheid, of toch voornamelijk de eenzaamheid binnenhaalt.

Charlott Markus - photo: Gert-Jan van Rooij
Charlott Markus - photo: Gert-Jan van Rooij

De tentoonstelling is nog tot en met 19 mei te zien in Arti. Klik hier voor meer info. 
Deelnemende kunstenaars: Amie Dicke, Berend Strik, Femmy Otten, Lucas Lenglet, MArlene Dumas, René Bosch, Sander Breure & Witte van Hulzen, Charlott Markus, Charl Landvreugd, Evelyn Taocheng Wang, Sharieta Berghuis en Tyna Adebowale. 
A.s vrijdag leest hoofdredacteur Lieneke Hulshof dit artikel voor tijdens de avond in Pakhuis de Zwijger over de tentoonstelling Who are we Again.