Tijdens mijn eerste drie jaren op Minerva heb ik altijd gezocht naar ‘mijn ding’. Want dat is wat er van je verwacht wordt, je behoort je fascinaties te kennen een eigen stijl te ontwikkelen. Mijn fascinaties kende ik wel, en een eigen stijl had ik ook, maar toch bleef ik zoeken naar waarom ik kunst wilde maken en wat ik wilde maken.
Ondertussen maakte ik me erg druk om het gegeven ‘interpretatie’. Het lijkt soms alsof er in de kunst maar één interpretatie de juiste is en tijdens de lessen werd er, naar mijn idee, te veel gekeken naar of het concept van de kunstenaar op de juiste manier over kwam, bijna als een rebus. Er werd te weinig aandacht besteed aan hoe het kunstwerk eruit zag en wat deze opriep bij de toeschouwer, want uiteindelijk kan de maker niet altijd bij zijn kunstwerk zijn om uit te leggen wat hij ermee ‘bedoeld’.
Deze frustratie werd ook aangewakkerd van buitenaf: veel mensen vroegen (en vragen nog steeds) wat nou eigenlijk het ‘idee achter’ of ‘de bedoeling van’ het kunstwerk is.
Alsof wanneer ik die hun vertel ze pas het kunstwerk kunnen waarderen en niet genoegen nemen met minder dan een ingewikkeld concept. Dit is zeker wat veel mensen verwachten van de hedendaagse kunst. Ik heb vaak genoeg gehoord dat ze zeiden: “Ik hou niet van moderne kunst, dat is veel te ingewikkeld”. Wie zijn die mensen die ervoor hebben gezorgd dat kunst als ingewikkeld wordt beschouwd en dat het beeld heerst dat alleen intelligente mensen het kunnen begrijpen?
Nu besef ik dat dit ook deze frustratie altijd een van mijn fascinaties is geweest, alleen op een hele andere manier dan mijn andere fascinaties. En onbewust is deze ‘frustratiefascinatie’ bijna de kern van mijn werk geworden. Ik schrijf mijn onderzoeksverslag daarom rondom de vraag In hoeverre is de toeschouwer de maker van de betekenis van het kunstwerk?.