In een opinieartikel in de Belgische krant De Standaard, vlak na de Brusselse aanslagen vorig jaar, noemde correspondent Tijn Sadee ‘ranzigheid’ als grote troef van de stad. De bezoekers bleven uit, en hij deed hiermee een poging Brussel aantrekkelijk te presenteren. Sadee woonde vroeger in Amsterdam, toen het daar nog een ‘vrolijke puinhoop’ was en geen ‘opgeruimd pretpark’ vol met hippe koffiebarren. 

“Toen die vertrutting, ergens rond de millenniumwisseling, zich al aandiende, pakte ik mijn koffers naar Boedapest. (..) In Boedapest haalde ik mijn hart weer op aan de anarchie die het leven in een stad draaglijk maakt.” Maar toen werd ook Boedapest veilig en opgeruimd, het oude centrum (té) prachtig opgeknapt. En dus was het weer tijd voor Sadee om te vertrekken, naar Brussel dit keer, waar het nog is ‘zoals het hoort’. “koester die ranzigheid en hou de vertrutting op grote afstand.”, tipte hij. De licht ironische toon waarmee ik Sadee en zijn sprongen omschrijf, is in zichzelf licht ironisch: ongeveer een half jaar geleden verhuisde ik om verdacht vergelijkbare redenen van Amsterdam naar Brussel. Weg van de ‘Coffee Roasters’, naar de stad waar de stijgers van het justitiepaleis inmiddels zelf toe zijn aan een renovatiebeurt en hele gezinnen hun leven doorbrengen op straat. Net als Sadee omarm ik enthousiast de groezelige ongeorganiseerde aspecten van –het inmiddels ook al enigszins gentrificerende- Brussel, een groezeligheid die zijn origine voor een groot deel vindt in een gebrek aan welvaart. 
Volgens de Welzijnsbarometer van 2016 bevindt 1/3e van de Brusselaars zich onder de armoedegrens en groeit een kwart van de kinderen op met werkloze ouders. Hoe komt armoede aan haar romantische aura en waar halen Sadee, ik en zoveel andere welgestelden eigenlijk het recht vandaan om dit zo op te hemelen, er echt fysiek “bij te willen zijn” en het daarmee bestaansrecht te geven?

Artistieke creativiteit krijgt volgens romantische ideeën vorm in precaire en ongelukkige (gemoeds)toestanden, alleen door echt te lijden kun je in aanraking komen met het absolute. Kunst maken, of tot radicale ideeën komen, kan onmogelijk ‘leuk’ zijn. De overtuiging dat creativiteit of subversiviteit zich vooral ontwikkelt in de marge heerst nog steeds: het commerciële of populaire is niet écht artistiek, alsof het alleen die naam verdient wanneer er geen of weinig beloning tegenover staat. Een vernieuwende denkwijze is bijna inherent verbonden aan leven met een klein budget en wie wel veel geld verdient, bijvoorbeeld door op te worden gepikt door de kunstmarkt, vindt dit soms beschamend. Alsof het kunstenaarsbestaan daarmee wordt verloochend, en de eigen praktijk door een (zichtbaar) gebrek aan bloed, zweet en tranen aan geloofwaardigheid en betekenis verliest. Ik zie hier een belangrijke oorzaak voor de populariteit van armoedige esthetiek; in marginale decors zoekt men naar inspiratie.

Een duidelijk, en gelukkig al fel bekritiseerd, voorbeeld is het huidige Documenta in Athene, een stad in het slob die sinds een paar jaar precies daardoor ineens tot artistiek Mekka is gebombardeerd. “Learning from Athens” - de ongelukkig gekozen slogan van een van werelds meest belangrijke hedendaagse kunstvoorstellingen kun je op verschillende manieren lezen. Zo vraagt de curator zich af hoe we een dergelijke situatie voor altijd kunnen voorkomen terwijl veel creatievelingen juist verlangen naar de subversieve bezieling die volgens hen enkel nog in problematische gebieden aanwezig is. Dit echoot Dan Hancox’s term slum porn, waarmee hij refereert naar de Torre de David wolkenkrabber in de Venezolaanse hoofdstad Caracas: urban misery as catchy imagery. Een fetisjering van de creatieve capaciteiten van mensen in onhoudbare situaties, hun armzalige toestand als iets waar de Westerse mens nog van kan leren ook. Terwijl dergelijke leefomstandigheden in werkelijkheid ongelofelijk zwaar, kort en onzeker zijn, worden ze hier gevierd en gemaakt tot de beeldtaal van het 'nu'.

Voor wie zich subversief en creatief wil voelen maar niet daadwerkelijk 24/7 in een schrijnende situatie wil zitten, zoals Sadee en ik aan het einde van de dag naar ons niet zo groezelige appartement terugkeren en de meeste Documenta-betrokkenen een ander land hun thuis kunnen noemen, is er gelegenheidsmarginaliteit. Armoede als (commercieel) esthetisch concept zie je overal terug; in Amsterdam hebben veel hippe restaurants en cafés wél drievellen wc-papier maar geen lampenkappen om de peertjes, alles is versleten zodat mensen met vaak intellectuele beroepen zich tijdens een uitgebreide en gezonde lunch voor even in een industriële fabriek kunnen wanen. Een duidelijk voorbeeld in Brussel is café Grand Central. Deze nieuwbouw is ingericht met een authentieke laag; ruw beton, hout en ander recuperatiemateriaal creëren een ‘underground’ gevoel voor de Eurocraten die er dagelijks sjieke koffie komen drinken. Dit nostalgische verlangen naar het ‘echte leven’ is sterk aanwezig in het huidige architectuurdebat, zo zag ik de esthetische waardering van ‘armoede’ terug in de Belgische inzending van de Venetië Architectuur Biënnale afgelopen jaar. Onder de titel Bravoure, scarcity, beauty stelde het curatorenteam een project voor waarbij scarcity, -schaarste-, wordt gevierd: embrace the less, het accepteren van armoede en tekort, hierin bravoure en vooral; schoonheid herkennen, in plaats van te richten op verbetering.  

In een vorig jaar verschenen onderzoek naar de conflicten omtrent de invulling van het Berlijnse Tempelhofer Feld, On Tempelhofer Feld, bekritiseert architect en schrijver Markus Miessen de sterke wens van de buurtbewoners het veld ‘leeg te houden’ of er een gemeenschappelijke moestuin van te maken – het in élk geval niet te laten ‘gentrificeren’. Maar, zegt Miessen, de enige manier om het gentrificatie-proces écht te stoppen en wél iets te doen aan de armoedige situatie in Berlijn, is het grote gebrek aan betaalbare woonruimte serieus te nemen. Hij ageert tegen het romantische voorstel van burgergroepen en activisten om het gehele veld als een zogenaamde ‘common-place’ te laten bestaan. Uiteindelijk bestaat het idee van ‘de commons’ - een plek voor iedereen -  voor een groot gedeelte uit schijn-inclusiviteit, aldus Miessen, en heeft vooral de culturele elite van Berlijn er baat bij om op deze manier Tempelhof hetzelfde, en daarmee voor zichzelf te houden. Het verlangen naar een authentieke en 'coole' (woon)omgeving overschaduwt zo de noodzaak voor daadwerkelijk structurele veranderingen. Er moet worden gedacht over een oplossing 'for the public at large' in plaats van simpelweg voor the public, alleen een gedurfder, meer tegendraadse 'dirty' oplossing kan de stad in z’n geheel ten goede komen. Een stad is als een motor en, 'Unfortunately, the fuel of the city is money'. Miessen stelt voor een constructie te bedenken waarbij Tempelhof deels zijn anarchistische en open karakter kan behouden terwijl tegelijkertijd wordt ingezet op productieve exploitatie. Ter illustratie noemt hij de opzet van een film- en software-hub, dat serieuze internationale industrieën aan zou trekken (iets wat volgens Miessen mist in Berlijn) om zo geld te genereren voor culturele projecten en sociale woningbouw in de stad. Het idee van een soort Silicon Valley in Berlijn strijkt vrijwel iedereen tegen de haren, maar het is volgens Miessen alleen mogelijk om over hardcore problemen na te denken in termen van hardcore pragmatische oplossingen, met als risico voor duivel of “zelfs” vuile kapitalist te worden uitgemaakt. 'If we only go after the things we have an interest in ourselves, the situation will not change.'

De architect moet zich volgens Miessen als een ‘crossbencher’ opstellen door niet klakkeloos te beantwoorden aan actuele esthetische verlangens maar hier juist tegenin te gaan, zich desnoods in een maatpak te hijsen om mee te denken over een nieuw en progressief beleid. Hij stelt voor om ruimte te benaderen in termen van structurele en politieke veranderingen, waarbij het idee van de gemeenschap abstracter en daarmee realistischer wordt dan de directe omgeving alleen. Je kunt zijn illustratie van een film-hub misschien bekritiseren maar een dergelijk antagonistische en onpopulaire houding is noodzakelijk voor daadwerkelijke discoursverandering. Denken dat jezelf op uiterlijke wijze identificeren met, of relateren aan, (andermans) moeilijkheden zorgt voor inspiratie, of zelfs oplossingen, is niet alleen ironisch maar zelfs problematisch. In plaats van te speculeren over politieke verbetering, bewerkstelligt een dergelijk (beeld)taal stilstand. Zolang we ons, op kleine of grote schaal, schuldig blijven maken aan slum porn krijgt het oplossen van armoede niet de serieuze aandacht die het weldegelijk verdient.

Lietje Bauwens (1990) behaalde een master filosofie aan de Universiteit van Amsterdam en werkte als (filosofisch en cultureel) programmamaker en schrijver. Momenteel onderzoekt ze in Brussel de mogelijkheid van een xeno-architecture.