Op een dag, terwijl hij naar de hond van zijn nichtje kijkt, schiet de jonge Brit Thomas plotseling een gedachten te binnen: hoe zou het zijn om als dier door het leven te gaan? Slapen, eten, spelen; een hond maakt zich geen zorgen om de toekomst. Een hond heeft geen behoefte om zichzelf te ‘ontplooien’ en te ‘uiten’, om een kunstwerk van zijn leven te maken. Een verlangen is geboren, wat volgt is een serieus onderzoek. Welk dier zou hij het liefst willen worden? En hoe moet hij daar in godsnaam in transformeren?

Kies het dier dat het dichts bij je staat, adviseert een sjamaan die hem aan huis bezoekt. Het wordt uiteindelijk een geit. Daar voelt Thomas wel een verwantschap mee. Het doet hem denken aan zijn jeugd, waarin hij met zijn handen op de rug het blad van een kamerplant probeerde te eten. Maar dan: hoe steekt een geit in elkaar? Is er bewustzijn? Wat eet hij? En hoe verwerkt hij dat eten vervolgens? Honderden vragen borrelen op. Hij bezoekt wetenschappers, filosofen en boeren om er achter te komen hoe een geit werkt en leeft. Na zorgvuldig alle mentale en fysieke aspecten te hebben doorlopen, komt uiteindelijk de volgende stap: hij bouwt een ‘geitenpak’. Met een geitenkorset bestaande uit kunstmatige protheses en een helm vertrekt hij uiteindelijk in september 2015 richting de Zwitserse Alpen voor de ultieme test: tussen de geiten leven. De lokale bewoners van het dorpje Sepp kunnen hun ogen niet geloven, maar hij loopt daar toch echt. ’s avonds slaapt hij in de stal tussen kudde, overdag eet hij gras. Hij houdt het drie dagen vol, de protheses waarop hij loopt doen ondragelijk veel pijn. Ook het gras eten komt letterlijk zijn neus uit.

Op vakantie van het mens-zijn

Toch is het experiment een uiterst geslaagde mislukking. Thomas Thwaite’s verbeelding lijkt oneindig, bewustzijnsverruiming alom. De kudde heeft hem na verloop van tijd zelfs geaccepteerd, verzekert de boer die het hem toeliet om tussen zijn geiten te leven. In zijn boek Goatman: How I took a Holiday from Being Human (2016) doet de Britse ontwerper en kunstenaar Thomas Thwaites uitgebreid verslag van zijn obscure onderzoek. In een aanstekelijke mengeling van persoonlijke ervaringen en filosofische gedachten experimenten komt hij tot de volgende slotsom: 

“It’s important to remember every now and again that we are animals. It helps us to think ourselves away from some of the more crazy aspects of our society and humanity. Being an animal would help us remember that there is no manifest destiny to the human species – we are just among all these other creatures. The innate certainty that everything will be OK in the end and we’ll get to that Star Trek utopia – that is definitely not certain. That is just a story.” 

Toen ik voor het eerst kennismaakte met het werk van Thwaites bekroop mij het gevoel iets nieuws te zien, iets wat ik nog niet goed kon plaatsen. Hadden we hier te maken met een kunstenaar, een wetenschapper, een satiricus? Hoe moest ik zijn stuk voor stuk hilarische, speculatieve en volstrekt eigenzinnige projecten interpreteren? En nog belangrijk: wat poogde hij te bereiken met zijn transformatie? 

Thomas Thwaites
Thomas Thwaites

Transformeren in iets niet-menselijks

Laat ik beginnen bij Thwaites’ verlangen om naar eigen zeggen ‘op vakantie te kunnen gaan van zijn mens-zijn’. In een tijd waarin de mens wordt geconfronteerd met een opeenstapelingen van existentiële crisissen, zoals de snelle opwarming van de aarde en de oprukkende kracht van kunstmatige intelligentie, is deze beweging – hoe absurd die voor velen van ons ook mogen lijken- niet onbegrijpelijk. Aan het begin van de 21e eeuw heeft de (Westerse) mens geen duidelijk anker meer, en staat zelfs - zoals we kunnen lezen in het nieuwe en veel geprezen boek Homo Deus van de Israëlische historicus Yuval Noah Harari - ons dierbare humanisme, het menscentrale denken, op een helling. In rap tempo stevenen we af op een post-humane wereld, bevolkt met allerlei vormen van kunstmatige intelligentie.  

Thwaites is echter geen lone wolf. Het verlangen te willen transformeren in iets niet-menselijks, en daarmee als het ware in het leven te verdwijnen, is iets wat je in de hedendaagse kunst meer ziet gebeuren. De Franse performance kunstenaar Abraham Poincheval verbleef recentelijk een week lang in een twaalf ton zware rots om daarmee naar eigen zeggen ‘de verouderde steen in de rots te voelen’. Eduardo Navarro, een Argentijnse kunstenaar, ontwikkelde voor zijn performance Timeless Alex (2015) een schildpaddencorset waarmee hij een poging waagde om de lichamelijke ervaring van een schildpad na te bootsen. En ten slotte Jae Rhim Lee. De Amerikaanse kunstenares die, op basis van paddenstoelen, een begrafenispak (Infinity burial suit) ontwikkelde dat bijdraagt aan het natuurlijke afbraakproces van begraven lichamen. 

Eduardo Navarro
Eduardo Navarro

De mens die geen mens meer wil zijn. Althans, tijdelijk dan. Wat zegt dit eigenlijk over de artistieke daad? Is het verlangen tot creatie hier een poging om de dood te overleven, de drang iets na te laten? Of is het juist een inspanning om daaraan te ontsnappen? Wellicht is het tweeledig. Ook deze transformatiekunstenaars ontkomen immers niet aan de moderne droom onsterfelijk te zijn, daar is hun publieke creatie het bewijs van. Ook voor hun moet iets manifest worden gemaakt, getoond worden en, als het even mee zit, in de annalen van de kunstgeschiedenis worden bijgeschreven. Tegelijkertijd, terwijl het ego zijn werk doet, lijkt er echter ook die hunkering aanwezig te zijn ergens in op te gaan, om datzelfde ego te overstijgen. In het geval van Rhim Lee betekent dit heel letterlijk oplossen in compost, voor Poincheval in miljoenen jaren steenmassa. De drang iets na laten transformeert hier in de drang iets terug te willen geven (aan de aarde) of op te geven (antropocentrisch denken en voelen). Eco (de gehele leefomgeving) in plaats van ego. 

In een wereld waarin ons Ik-gevoel, het particuliere of het subjectieve, op allerlei manier wordt aangesproken, gestimuleerd en wordt opgevoerd als het centrale vertrekpunt van het bestaan, ligt uitputting van ego op de loer. ‘De vermoeide samenleving’, zo schreef filosoof Byung-Chul Han een paar jaar geleden ‘zit vol met prestatiesubjecten die in oorlog zijn met zichzelf’. De poging om het ego te omzeilen, door te transformeren in iets niet-menselijks – hoe onmogelijk het ook is - lijkt ook een indirecte reactie te zijn op deze ego-cultuur. 

Waar, en met wie, ben ik?

Sinds de Romantiek van de 18e en 19e eeuw is kunst in grote lijnen een esthetische verkenning geweest van de vraag ‘wie ben ik, als mens, zelf?’. De Romantische orde, die tot op de dag van vandaag onze Westerse horizon kleurt, verschoof de aandacht van mimesis en creativiteit-als-variatie naar oorspronkelijkheid, authenticiteit en innerlijke expressie. Voor de ‘natuurlijke mens’, zoals Jean-Jacques Rousseau hem ooit beschreef, was het de taak ‘het authentieke zelf te vinden, dat schuilging onder de lagen van het rollenspel’ . 

Maar wanneer je naar kunstenaar als Thomas Thwaites kijkt, terwijl hij zich daar op klungelige en volledig kunstmatige manier - met behulp van allerlei technische extensies - probeert staande te houden in de niet-menselijke omgeving, dan krijg je opeens een ander mensbeeld voor ogen. Een waarbij de vraag ‘wie ben ik, als mens, zelf?’ opeens wordt overschaduwt door een misschien nog wel veel essentiëlere vraag, namelijk ‘waar, en met wie, ben ik?’ . 

Wat Thwaites en consorten met hun werk lijken te zeggen is dat het in een post-humaan universum niet zozeer gaat om uitspraken, gebaren of beelden die op zichzelf staan (en dus ‘authentiek’ of ‘autonoom’ zijn), maar dat ze, bewust of onbewust, op zoek zijn naar een verbeelding die draait om ‘verbinding’ en ‘samenhang’ met de wereld om zich heen. Technologie (of kunstmatigheid) is daarbij niet, zoals binnen het Romantische mensbeeld, de vijand van het ‘in contact staan met’, maar, mits het bewust wordt ingezet, de enige manier tot bewustzijnsverruiming. Het toepassen van techniek, van permaculture-methoden zoals bij het paddenstoelenpak van Rhim Lee tot aan de mechanische prostheses van Thwaites, is juist wat ons menselijk maakt.  Wij zijn technische wezens en toch behoren we tot de levende natuur. Onze specifieke menselijke natuur is juist dat we kunstmatig zijn: we sleutelen constant aan onszelf en onze leefomgeving. We kunnen niet anders.

En Kunst? Kunst wordt hier letterlijk kunstmatig: een openlijke poging om te ontsnappen aan de beperkingen van de eigen levensvorm. 

Het paddenstoelenpak van Rhim Lee
Het paddenstoelenpak van Rhim Lee

_____________________________________

[1] Thomas Thwaites, GoatMan: How I Took a Holiday from Being, Princeton Architectural Press 2016
[1] Leo Damrosch, Jean Jacques Rousseau, Uitgeverij Ten Have, 2011 p. 282
[1] Ruben Jacobs, Iedereen een kunstenaar. Over authenticiteit, kunstenaarschap en de creatieve industrie, V2_nai10 Rotterdam, 2014

Ruben Jacobs (1984) is socioloog en publicist. Als docent en onderzoeker is hij verbonden aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht. Daarnaast schrijft op regelmatige basis voor o.a. Brainwash.nl en de Volkskrant. In 2014 kwam zijn eerste boek Iedereen een kunstenaar (V2, Rotterdam) uit, over de positie van kunstenaar in het tijdperk van de creatieve industrie. Recentelijk verscheen Artonauten. Kunst voorbij de mens, een pamflet over de post-humanistische verbeelding.