Mister Motley heeft een boek gemaakt. Koop hier 'Dit is een vertaling'.

Image

Het inclusieve museum

07 Nov 2016 Steven ten Thije

Niet lang geleden heeft het Rijksmuseum de titelkaartjes gemoderniseerd en geprobeerd om termen te weren die als discriminerend worden ervaren. De foto ‘Negerinnetje voor Stuiverskerkhof’ veranderde zo eerst in ‘Surinaams meisje voor Stuiverskerhof’ en eindigde als ‘Meisje voor Stuiverskerkhof’. In een ingezonden brief reageerde Herman Vuijsje ontstemd op de talige schoonmaakbeurt. Schieten we niet te ver door? Hij kaartte het sarcastisch aan door zich af te vragen of het Rijksmuseum wel consequent is. Heeft ‘meisje’ niet een seksistische connotatie? Hij eindigde met het voorstel om de foto dan maar ‘Persoon op plek’ te noemen . De daad van het Rijksmuseum en de reactie van Vuijsje vatten bondig waarom een ‘inclusief’ museum lastiger is dan je in eerste instantie zou denken. 

‘Surinaams meisje bij stuiverskerkhof’ Was: ‘Negerinnetje’ (1906-1913)
‘Surinaams meisje bij stuiverskerkhof’ Was: ‘Negerinnetje’ (1906-1913)

Het was op zich geen wereldschokkende daad om het taalgebruik bij te schaven. Meer dan anderhalve eeuw nadat Nederland de slavernij heeft afgeschaft en meer dan een halve eeuw na de laatste koloniale oorlog, mag verwacht worden dat de geesten rijp zijn om ook het taalgebruik dat bij deze tijd hoorde vaarwel te zeggen. Waarom dagelijks duizenden bezoeker met in onmin geraakte termen confronteren? Weg met de taal waarin ras ongemakkelijk doorklinkt. Tijd voor een postraciale, eigentijdse omschrijving van ons nationaal erfgoed.

Vuijsjes kribbige brief heeft iets weg van een hedendaagse Pavlov-reactie. Als er iets in Nederland discriminerend wordt gevonden, vraagt altijd iemand zich wel af of we niet doorschieten in politieke correctheid? Vuijsje geeft deze zorg wel charmant, haast filosofisch vorm. Zijn voorstel ‘Persoon op plek’ suggereert dat de angst tot kwetsen ons uiteindelijk doet uitmonden in een lege, haast betekenisloze taal, waarin het specifieke niet meer benoemd mag worden. Of dit een reëel risico is, is moeilijk te zeggen. Ik ben geneigd om eerder sympathie met het Rijksmuseum te hebben, maar Vuijsje legt in zijn reactie, mogelijk onbewust, een ander dilemma bloot. Het erfgoed zelf komt uit een tijd waarin racisme nog welig tierde. Je kunt de foto wel ‘Meisje voor Stuiverskerhof’ noemen, voor de maker was het onmiskenbaar een ‘negerinnetje’. Welke consequentie heeft dat feit op de talige schoonmaakbeurt van het Rijksmuseum?

De goedbedoelde actie van het Rijksmuseum laat in een notendop zien hoe delicaat het is om je als museum inclusief op te stellen. Inclusiviteit (een akelig modewoord) omschrijft de begrijpelijke wens om als samenleving open te staan voor diversiteit (nog een modewoord). Iedereen ongeacht afkomst, geloof of sekse moet zich vrij voelen om zich in het publieke domein te beweging, zowel fysiek als mentaal. Een publieke instelling als het Rijksmuseum moet daarom een neutrale, universele toon aanslaan die niemand kwetst. Op zich een begrijpelijk streven, maar in het zoeken naar de juiste toon wordt gemakkelijk een aspect vergeten wat in een museum juist centraal staat: het verleden. Inclusiviteit wordt iets dat je realiseert door je netjes te gedragen en niet de verkeerde dingen te zeggen. Wat in deze houding geen plaatst krijgt, is het moet worden afgedwongen op een situatie die niet inclusief was. Inclusiviteit is alleen een thema als het niet vanzelfsprekend is; was het normaal, dan zou je het niet benoemen.

Met een klein gedachte-experiment kan het probleem inzichtelijk worden. Stel dat het Rijksmuseum zou besluiten om volledig inclusief te worden. Niet alleen in taalgebruik, maar ook qua collectie en presentatie. En stel ook even dat het kan beschikken over een oneindige hoeveelheid middelen, waardoor het alle kunstwerken zou kunnen kopen die het hiervoor nodig heeft en dat deze ook nog eens, wonder boven wonder, te koop worden aangeboden. Het museum zou dan een complete collectie werelderfgoed kunnen aanleggen. In een museum ter grootte van de stad Amsterdam kan het dan een coherent en volledig overzicht geven van de menselijke geschiedenis van nul tot nu. Het zou prachtig en waarschijnlijk dodelijk vermoeiend zijn om dit utopische museum te bezoeken, maar zou het het museum ook inclusief maken? Waarschijnlijk niet.

Wat een dergelijk museum in al zijn universele volledigheid niet meer kan representeren is juist de geschiedenis waar het museum en zijn collectie zelf uit voortkomen. Je kunt dus wel proberen om posities van ras, sekse en geloof gelijkwaardig te behandelen. Je kunt daarmee niet uitwissen dat ze lange tijd ook in het museum niet zo behandeld zijn. Het dilemma voor een museum dat inclusief wil zijn is niet zozeer dat het zijn publiek op een neutrale, niet kwetsende manier tegemoet moet treden. Het moet daarnaast ook rekenschap afleggen ten opzichte van het feit dat het vroeger niet inclusief was. De problematische taal alleen uitgommen is niet de oplossing.

De wens de gehele wereld te vertegenwoordigen in een museum loopt spaak als ze de gebrekkige vertegenwoordiging uit het verleden niet duidt. In het debat over inclusiviteit en evenwichtigere representatie is buitensluiting vaak een probleem dat even ‘opgelost’ moet worden. Wat alleen vaak mee oplost is het historisch bewustzijn. Het weren van kwetsende termen, het opnemen van erfgoed uit andere tradities in publieke collecties (of juist teruggeven), of het staken van problematische tradities, dat alles is alleen zinvol als ook expliciet gemaakt wordt waarom het wordt gedaan. De zwarte kant van het nationale verleden –oorsprong van Nederland in koloniaal handelen – kan alleen verwerkt worden als hij zichtbaar is. Het uitwissen van sporen van ongelijkheid, terwijl de effecten van die ongelijkheid nog steeds doorwerken, maakt het alleen maar moeilijker om te begrijpen waarom die ongelijkheid er is en wat eraan te doen.

Musea inclusief maken vraagt een andere route. In plaats van het zoeken naar universele vertegenwoordiging en volledige inclusie, is het belangrijk juist de grenzen en problemen van de bestaande collectie en geschiedenis te benoemen. Het museum en de collectie dragen beide sporen van opvattingen die nu niet meer gangbaar zijn. Dat gegeven moet niet schaamtevol worden weggestopt. Je moet het benoemen. Het hoeft daarbij niet meteen opgeladen worden in een loodzwaar discourse van schuld en boete. Als land moet Nederland wandaden uit het verleden erkennen. Burgers die daar zelf niet actief aan hebben bijgedragen, hebben meer aan inzicht, dan aan pek en veren. Een museum kan helpen om dat inzicht te verschaffen, al vraagt dat om een grotere aanpassing van het museum dan je misschien in eerste instantie zou denken.

Het lijkt simpel. Het museum is onderhevig aan de tijdgeest en als deze racistische trekken heeft, zo ook het museum. Dat zichtbaar maken moet toch niet al te ingewikkeld zijn? Dat mag zo lijken. Alleen waar je snel genoeg achter komt als dat de sporen van ongelijkheid doorlopen tot diep in het fundament van het museum. Musea, zeker nationale kunstmusea, zijn in hun basisstructuur onderdeel nauw verbonden met koloniaal denken. De hele opkomst van musea in de negentiende eeuw was gericht op het stimuleren van een nationale trots. De collectie diende juist de eigenheid van het land te tonen en te vieren. Dit betekende ook dat kunst van andere volkeren, zeker de kunst afkomstig uit de koloniën, gepresenteerd werd als oorlogsbuit, minderwaardig en onderontwikkeld. Kunstmusea toonden de superioriteit van het land en daarnaast toonde de etnografische musea hoe ver de andere volkeren achterliepen. Wil je achterhalen wanneer musea bastions van culturele superioriteit zijn geworden, dan kom je uit bij de oprichtingsacte.

Kunnen we musea dan alleen nog maar begrijpen als curieuze overblijfselen uit ons racistisch verleden? Dat hoeft niet. Musea kunnen vandaag de dag waardevolle publieke sinstellingen  zijn die ook inclusiviteit bevorderen. Ze moeten daarvoor niet alleen het taalgebruik aanpassen, maar hun eigen positie als toonkamer voor een gemeenschap opnieuw definiëren. Daarvoor moeten ze de kritiek van Vuijsje ter harte nemen en juist hun de nadruk leggen op het specifieke. Niet om het te verheerlijken, maar om te helpen om inzicht te krijgen in de tradities waaruit ze voortkomen en hoe ze zich verhouden ten opzichte van andere tradities. 

Wat betekent dit concreet? Het museum zou inclusiviteit niet moeten gelijkschakelen met volledige representatie, maar zich moeten richten op dialoog. Laat de eigen geschiedenis, traditie en kunst zien naast andere geschiedenissen, tradities en kunst. Als je dat gaat doen zal altijd opvallen dat er relaties zijn tussen deze verschillende verhalen. Dat die relaties zelden gelijkwaardig zijn en dat er macht in het spel is, zal ook niet te verbloemen zijn. Maar dat neemt niet weg dat er ook altijd uitwisseling is. De geschiedenis laat zich niet schrijven in zwart en wit. Om dit te doen zouden musea zowel naar binnen als naar buiten toe diversiteit bewuster moeten opzoeken. Toon de eigen traditie in thematische tentoonstelling expliciet in haar relatie met tradities van elders. Maak zowel de machtsverhoudingen en de uitwisseling zichtbaar. Daarnaast moeten musea ook intern diversiteit omarmen. Dat betekent meer medewerkers met verschillende achtergronden. Laat onze (kunst)geschiedenis niet alleen door blanke mannen en vrouwen schrijven, maar zorg dat ook Nederlanders met andere achtergronden hun stem krijgen in het duiden en zorgen voor het nationale erfgoed. Praat niet over mensen en tradities, maar met de levende erfgenamen van die tradities. Dan sluit je mensen niet op in hun identiteit, maar nodig je ze uit om binnen te komen voor een gesprek.

Steven ten Thije (1980) studeerde kunstgeschiedenis en filosofie aan de UvA en verrichtte een promotieonderzoek naar de geschiedenis van de collectiepresentatie gecentreerd op het Van Abbemuseum. Hij publiceerde onlangs het essay Het geëmancipeerde museum, in de essay-serie van het Mondriaan Fonds. Deze tekst sluit nauw aan op de inhoud van het essay.

Ook adverteren op mistermotley.nl? Stuur dan een mail naar maurits@mistermotley.nl