“Wees gewoon jezelf”, zo luidt het advies dat we regelmatig gevraagd en ongevraagd te horen krijgen. Maar blijkbaar is het nog niet zo gemakkelijk om gewoon jezelf te zijn. Boekwinkels zijn tot de nok gevuld met ‘zelfhulpboeken’ over hoe we gelukkig kunnen worden door te mediteren, te reizen, op te ruimen, af te vallen of door al deze dingen juist niet te doen. Je kan bijna geen tijdschrift openslaan of er staan tips in over hoe je moet zoeken, zijn of worden wie je bent. De filosoof Alain de Botton heeft zelfs een School of Life opgericht, waar je kunt leren om een betere partner, ouder, minnaar, kortom een gelukkiger mens te worden. 

Daarbij spelen de kunsten regelmatig een sleutelrol. De Botton schreef al eerder het boek Hoe Proust je leven kan veranderen over de levenslessen van de Franse romancier. Naar aanleiding van zijn boek De architectuur van het geluk begon hij het project ‘Living Architecture’, waarvoor gerenommeerde architecten luxe en kennelijk gelukkig makende vakantiehuizen bouwden. Zijn boek Kunst als therapie, ten slotte, resulteerde in een geruchtmakende tentoonstelling in het Rijksmuseum, waar de Botton naast de oude meesters post-its plakte met allerlei levensadvies, over relaties, aandacht, en troost. In zijn boek schreef hij: “Geleerden zouden moeten onderzoeken hoe ze de diepere betekenis van de werken die ze bewonderen meer kunnen laten aansluiten op de psychologische behoeften van hun publiek. Ze zouden moeten analyseren hoe kunst kan helpen bij een gebroken hart.” Kortom, de kunst als schoolmeester van het leven of pleister op een wond.

Waarom zijn we eigenlijk zo bezig met onszelf? Een voor de hand liggend antwoord is het verdwijnen van traditionele gemeenschapsvormen, de kerkgenootschappen, dorpsgemeenschappen, enzovoorts. Een paar decennia geleden was het voor veel mensen immers zonneklaar wie of wat ze waren of zouden moeten zijn, omdat dat vanaf de geboorte al was bepaald. Je werd geboren als katholiek of socialist, je werd timmerman omdat je vader timmerman was. De zelfhulpindustrie is dan ook in de eerste plaats een reactie op keuzestress. In zijn mooie boek Waarom we onszelf zoeken maar niet vinden. Zelfhulp voor denkers, tobbers en narcisten (2008) wees filosoof Coen Simon al op de opmerkelijke paradox, dat we door middel van allerlei vormen van zelfhulp en nieuwe spiritualiteit aan de hectische geïndividualiseerde westerse samenleving trachten te ontsnappen, maar dat we dat vaak juist doen door ons diep in onszelf te keren en ons af te sluiten van de buitenwereld. De zelfhulp is dus eerst en vooral een verlengstuk van het westerse individualisme. Alle spiritualiteit die ingezet wordt in onze zoektocht naar onszelf is dan ook allerminst een teken van de heropleving van religie, zoals vaak gesuggereerd wordt. Religie komt van religare, het samenbinden, het ontwikkelen en bevestigen van een gemeenschap (wat je bijvoorbeeld weer terug herkent in de katholieke communie). Onze hedendaagse obsessie met het zelf is veeleer het zich afkeren van de gemeenschap, een uiterst solitaire aangelegenheid.
Maar bovendien sluit de zelfhulp nauw aan bij de wijze waarop we in de westerse wereld over de verhouding tussen leven en werk zijn gaan denken. De mens lijkt steeds meer gedetermineerd te worden door het economisch systeem waarin we vandaag leven: of we onszelf nu een burn-out werken of ons te buiten gaan aan consumptiegoederen, we moeten hoe dan ook het systeem draaiende houden. Ons ‘zelf’, onze eigen identiteit, is een koopwaar of een onderneming geworden waarmee we de markt betreden: we investeren in ons ‘menselijk kapitaal’ door ons te scholen, op reis te gaan, of vrijwilligerswerk te doen. Zo ontwikkelen we onze ‘emotionele intelligentie’ en de 21st century skills waarmee we met anderen kunnen concurreren op de arbeidsmarkt. Zelfs over persoonlijke relaties praten we in termen van ‘investeringen’. De Franse filosoof Bernard Stiegler zei het al: "arbeid is in toenemende mate niet meer een kwestie van savoir-faire (weten hoe te doen), maar een kwestie van savoir-vivre (weten hoe te leven)."

Ja, we moeten gelukkig zijn, maar we moeten gelukkig zijn om productief te zijn. De hedendaagse werker is niet alleen een lichaam, maar met zijn totale persona is hij onderdeel van het productieproces. Bij een van de cursusomschrijvingen van de School of Life staat het nadrukkelijk vermeldt: “Verkopen is een levenskunst. Iedereen gebruikt de basistechnieken: in relaties, vriendschappen, dating, familie, in aankopen van spullen en vooral natuurlijk op het werk. Je moet jezelf en wat je te bieden hebt aan de man zien te brengen. Netwerken en deals sluiten hoort bij ons dagelijks leven net als eten, slapen, seks en veiligheid.” Verkopen is levenskunst andersom. Meditatie en yoga zijn tegenwoordig populair op de werkvloer en onder managers, eenvoudigweg omdat ze meetbaar resultaat opleveren. Zelfs het Amerikaanse leger zet mindfulness-technieken in om soldaten over hun angst heen te helpen de trekker over te halen, ze voor te bereiden op oorlogssituaties en om PTSS te voorkomen. En kent iemand de ‘balansbandjes’ nog die veel spelers van het Nederlands elftal om hun pols droegen tijdens het WK in 2010? Ze hebben er toch maar mooi de finale mee gehaald.

Ook wat dit betreft speelt de kunstenaar de rol van wegbereider. In de film The Space in Between (2016) zien we hoe de intussen wereldberoemde Marina Abramovic naar Brazilië reist om met zichzelf in het reine te komen, na jaren van werkstress en liefdesverdriet. Brazilië is voor haar het land van het spirituele, een plek vol ‘energieën’ en ‘entiteiten’ in de woorden van de kunstenaar. Ze geeft zichzelf dan ook over aan een polonaise van geestenbezweerders, priesters en sjamanen, met even uiteenlopende als dubieuze methoden. We zien een magiër een oog ‘opereren’ met een aardappelschilmesje, we zien magische rituelen met veel veren en rook, en we zien natuurlijk Marina zelf, terwijl ze naakt en schreeuwend in het bos een ei probeert kapot te knijpen. De tagline van de filmtrailer is veelzeggend: “How far will she go to create a new work of art?” De suggestie die daarmee gewekt wordt is ten eerste dat Abramovic pas een nieuw kunstwerk zou kunnen maken als ze weer gelukkig is – een curieuze omkering van het traditionele romanticisme dat alleen de getergde en ongelukkige kunstenaar kan scheppen (“An unhappy childhood is a writer’s goldmine”, zoals Gerard Reve graag mocht zeggen). Maar de tweede implicatie van de tagline gaat dieper, en zegt iets over de geluksindustrie als geheel. Want ja, al dat zoeken naar jezelf is natuurlijk allemaal leuk en aardig, maar het moet uiteindelijk wel wat opleveren.

Still uit The Space In Between: Marina Abramovic in Brazil
Still uit The Space In Between: Marina Abramovic in Brazil


Terwijl bij de Botton kunst ingezet wordt als therapie, wordt bij Abramovic de therapie ingezet als kunst. Maar uiteindelijk is het om het even: kunst en therapie zijn bij beiden versmolten tot een grote eredienst opgedragen aan de god van deze tijd: het Zelf. Zoals vroeger de kunst het Allerhoogste moest dienen, of met pracht en praal de wereldlijke macht diende op te luisteren, zo zouden we vandaag de dag kunnen spreken van een mecenaat van het ‘zelf’. De kunst krijgt bij de Botton en Abramovic de taak om het zelf op een voetstuk te plaatsen, het zelfde zelf dat tegelijk de belangrijkste productie-eenheid en de belangrijkste koopwaar is in het hedendaagse postindustriële kapitalisme.

Slavoj Zizek vertelt een aardige anekdote over de Deense natuurkundige Niels Bohr. Toen een collega bij hem thuis kwam zag hij boven de deur een hoefijzer hangen. De collega vroeg hem: "je bent een briljant wetenschapper, een man van de rede, hoe kun je zo bijgelovig zijn dat je denkt dat een hoefijzer geluk brengt?" Waarop Bohr antwoordde: "natuurlijk geloof ik niet dat het hoefijzer geluk brengt, maar er is mij verteld dat het ook werkt als je er niet in gelooft." Volgens Zizek is dit ideologie in haar puurste vorm: het maakt niet uit of je gelooft, en of je precies begrijpt hoe het werkt, het belangrijkste is het resultaat. Die status hebben zowel de nieuwe spiritualiteit als de therapeutische kunst eveneens. We hoeven ze niet serieus te nemen, we kunnen ons er met een zekere ironische distantie toe verhouden, en juist daardoor werken ze des te effectiever.
In zijn lezingen over esthetica zegt Theodor W. Adorno iets dat doet denken aan de beroemde uitspraak van John F. Kennedy: “Es käme weniger darauf an, was einem das Kunstwerk ‘gibt’, als darauf, was man dem Kunstwerk gebe.” De instrumentalisering van kunst ten behoeve van het eigen geluk staat volgens Adorno haaks op waar het in de esthetische ervaring om zou moeten gaan: het zich openstellen voor het andere dat het kunstwerk belichaamt, het opschorten van het principium individuationis. De zelfhulpindustrie en de therapeutische kunst zijn symptomen van wat ik in mijn gelijknamige boek de ‘grote vlucht inwaarts’ heb genoemd, het proces waarin de hedendaagse mens uit angst voor de grote boze buitenwereld zijn blik naar binnen keert. De politieke, ecologische en humanitaire problemen waar we tegenwoordig mee geconfronteerd zijn lossen we echter niet op met collectief narcisme en navelstaarderij, maar alleen met sociale organisatie en politiek handelen. Een betere wereld begint niet bij jezelf, maar bij de wereld! 

Thijs Lijster is als universitair docent kunst- en cultuurfilosofie verbonden aan de Faculteit der Letteren van de Rijksuniversiteit Groningen. Vorig jaar publiceerde hij de essaybundel De grote vlucht inwaarts. Essays over cultuur in een onoverzichtelijke wereld. Hij won de Prijs voor de Jonge Kunstkritiek (2010) en de Boekman dissertatieprijs (2015). Hij publiceert regelmatig in o.a. Filosofie Magazine, Metropolis M en de Groene Amsterdammer.