Afgelopen week moest ik aan Rothko denken. Dat overkomt me wel vaker, meestal op momenten dat ik onbewust nood heb aan mentale ruimte – dan haal ik me een van zijn doeken voor de geest, ga er in gedachten voor zitten en voel hoe mijn hoofd zich opent, waarin mijn denken zich tegelijkertijd vrijer en helderder kan vormen. Het is zoiets als luisteren naar Bach, maar dan zonder muziek. Deze week dacht ik aan de schilder om een heel andere reden: “Schoorsteenstukken!” was het woord dat in me opkwam. Uitgesproken met de diepe woede en teleurstelling van een kunstenaar die vaststelt dat zijn werk verworden is tot designobject, en daar niet mee kan leven. De frictie tussen kunst en kunstmarkt werd zijn dood. Vergeleken met vandaag waren de jaren ’60 nochtans een paradijs voor de kunsten, want hoewel de kunstmarkt toen haar intrede deed en kunstspeculatie populair werd, was de artistieke integriteit nog steeds heilig. Hoezeer Rothko zich ook (dood)ergerde aan het feit dat zijn Seagram Murals artistiek behangpapier zouden worden voor de schranspartijen van de richest bastards van New York, het stond tenminste nog chique om hermetische kunst aan restaurantmuren te hangen.  Voor de goede orde: ik vind het werk van Rothko verre van hermetisch, weinig schilderkunst weet mij zo rechtstreeks emotioneel te raken, maar ik weet zeker dat zijn doeken dezer dagen vaak als te moeilijk worden weggezet, en het uitspreken van oprechte liefde ervoor als intellectueel snobisme wordt gezien. Overigens heeft ook daar een interessante verschuiving plaatsgevonden: wie vroeger een Rothko aan de muur hing, liet daarmee weten zich een goede smaak te kunnen veroorloven. Kunst was een statussymbool. De economische elite van nu kijkt wel uit; oprechte liefde voor complexe kunst wordt vandaag de dag gepercipieerd als een anti-neoliberale stellingname. In tijden waarin het populisme de politiek beheerst, is culturele interesse per definitie verdacht, tenzij het natuurlijk overduidelijk speculatie uit winstbejag betreft. In elk geval zou niemand het in de jaren ’60 in zijn hoofd hebben gehaald Rothko te vragen de schilderijen wat lichter te maken, een vrolijker, publieksvriendelijker tint te kiezen, of voor de toegankelijkheid wat minder abstract te werken – laat staan dat iemand zijn doeken designobjecten zou hebben genoemd. Kunst was een eretitel, net omdat het woord geassocieerd werd met begrippen als ‘intellectueel’ en ‘elitair’, die dan afstraalden op de restaurantbezoekers. Rothko maakte zich boos omdat hij niet wilde dat zijn verfijnde schilderijen zouden worden blootgesteld aan barbaren en would-be cultuurliefhebbers.

 

Vandaag de dag liggen de zaken anders. Kunst is nog net geen scheldwoord, maar we kijken er toch beter mee uit. Net omdat het woord geassocieerd wordt met begrippen als ‘intellectueel’ en ‘elitair’. In de letteren valt het me al langer op: het woord ‘kunst’ wordt met de grootste zorg gemeden, zelfs met kleine k. Een auteur die zichzelf een kunstenaar durft te noemen is ofwel een fossiel uit andere tijden, of een arrogante idioot. Zeker is dat zijn verkoop daalt. Steeds meer schrijvers gedragen zich dan ook als ambtenaren, en brengen dat imago doelbewust naar buiten. Ze doen er alles aan om te benadrukken dat ze gewoon hardwerkende zelfstandigen zijn, die braaf naar kantoor gaan, hun uren kloppen en elk jaar een boek doen, zoals een bakker broodjes bakt. De muze heeft daarmee niets te maken, en een schrijver of dichter die zijn werk toch als kunst ziet, houdt daar discreet zijn mond over. Want in deze tijden van ongeremd populisme is kunst, net als elitair en intellectueel, een besmet begrip geworden. Een synoniem voor subsidie-slurpende luiheid, een hobby van een clubje omhooggevallen linkse luiaards die boven de hoofden van de gewone mens, maar met zijn belastinggeld, onbegrijpelijke, ontoegankelijke onzin maken waar niemand iets aan heeft.

 

Pragmatisme is geboden, moet de kunstensector gedacht hebben; als we willen blijven bestaan, moeten we mee met de tijd. En dus werden, met grote trom, de marketingjongens binnengehaald: zij moesten ons leren hoe we het publiek opnieuw van het belang van kunst konden overtuigen. “Zeg niet belang. Zeg nut.” Want nu ook de kunsten op neoliberale wijze voor zichzelf moeten instaan, is het publiek heilig. In het kader van deze overlevingsstrategie verloochende de kunstensector zichzelf. Voor lange termijn investeringen – lees: het publiek verbreden door steeds meer mensen al van op jonge leeftijd liefde voor de kunst bij te brengen – was er geen tijd; de zalen en de musea moesten zich nu vullen. Vandaag. Met dezelfde kortzichtigheid waarmee de politiek het brandje van de dag nog snel probeert te blussen voor de verkiezingen, verlaagde de kunstensector zijn drempel. In naam van de publieksverbreding moest de kunstenaar knielen voor zijn publiek. Alles moest toegankelijk zijn. De programmatie moest makkelijker. Er moest meer herkenbaarheid in. “Merken. Mensen houden van duidelijke merk. Weten wat je koopt.” Maar waar gehakt wordt, vallen spaanders. – “Koppen. We hebben herkenbare koppen nodig.” Auteurs die in één woord te vangen zijn. Waarvan je weet waarvoor ze staan. “Kiezen voor duidelijke thema’s. Dicht bij de leefwereld van het publiek.” Iedereen zijn vluchtelingen-opus. Straks iedereen #metoo. “Trending topics.”  “En denk om de instappers.” Weg intertekstualiteit. Geen voorkennis vragen. Dat is niet democratisch. – Weg canon. Weg erfenis. - “Keep it simple.” Alles moet ook goedkoper. Beter meer producties, meer boeken, meer concerten, waarvan er misschien eentje aanslaat, dan investeren in verdieping en kwaliteit. Alles moet sneller geproduceerd worden, met minder repetitietijd, en meer rendement. Weg recht op falen. Weg experiment. Beter op zeker spelen. Op de gekende paden blijven. Het stuk moet af, de zaal moet vol. En niet te extreem, want het moet verkopen. Dat dit alles resulteert in slechtere kunst, en dus op de lange termijn het publiek zal wegjagen, speelt geen rol. De tickets staan op de begroting van dit jaar.

 

Elke drempel werd afgegraven. Ook de laatste. Zelfs het woord kunst moet op de schop. Driftig zoekt de kunstensector naar eufemismen voor haar core business, waarbij het vooral belangrijk is dat het ‘nuttig’ klinkt. Functioneel. Want, nogmaals, kunst om de kunst is economisch niet verantwoord. Kunst mag niet langer gewoon zijn, maar moet ergens toe dienen. Iets doen. Social engeneering, creative cohesian, creativity landscapes, innovative design.

 

Persoonlijk, als Kunstenaar, vind ik die evolutie bijzonder zorgwekkend. Ik vind niet dat kunst zich moet schamen voor wat ze is. Cultureel. Intellectueel. Elitair. Avant-garde. Meer nog, ik vind dat ze dat moet zijn. En dat kunst zich hoegenaamd niet om het publiek moet bekommeren. Kunst moet geen publiek zoeken, het publiek moet de weg naar de kunst vinden. Dat was de aanzet voor mijn Manifest voor een nieuw elitarisme. “Slechte merknaam.” Mag ik u één paragraaf meegeven? “Keep it short.”

 

KUNST DIE EEN PUBLIEK ZOEKT, IS GEEN KUNST — Kunst moet over de wereld spreken, niet tegen de wereld. Kunst spreekt tegen morgen over vandaag. Wat zich enkel richt tot het publiek van nu, is geen kunst, maar commercie. KUNST, GEMAAKT VOOR EEN GROOT PUBLIEK, IS GESUIKERDE FASTFOOD. Toegankelijke kunst maakt ons verslaafd aan junkfood die ons denken doodt, tot we niets anders meer lusten. KUNST WEERSPIEGELT DE COMPLEXITEIT VAN DE WERELD — Kunst kan niet eenvoudig zijn omdat eenvoudige antwoorden niet bestaan. KUNST DIE ZICH IN ÉÉN OOGOPSLAG LAAT LEZEN, IS GEEN KUNST, MAAR ANTI-KUNST, BEDOELD OM ONS DENKEN UIT TE HOLLEN. Kunst die zich naar de massa buigt, onderdrukt de massa en lacht ze uit. Toegankelijke kunst voedt dogmatisme, ideologische radicalisering en populisme. COMPLEXE KUNST LEERT ONS OM TE GAAN MET WAT WE NIET BEGRIJPEN. Ze schuwt geen tegenspraak, tegenstellingen of inconsequenties. De wereld is niet consequent. Het leven is niet eenduidig. De frustratietolerantie die kunst ons aankweekt, is het enige medicijn tegen het populisme. Literatuur wapent ons tegen ideologische leugens. KUNST KAN DE WERELD REDDENCOMPLEXITEIT KAN ENKEL BEGREPEN WORDEN DOOR EEN ELITE  De grootste gemene deler is altijd een lager getal dan het hoogste in de reeks. DEMOCRATISEREN IS NIVELLEREN. Kunst tast de grenzen af. De grenzen liggen nooit in het middelpunt van de cirkel. MIDDELMATIGHEID IS NOOIT KUNST. Elitair betekent: van het hoogste niveau. Waarom genoegen nemen met minder?

 

“Sorry. Die niche is economisch niet leefbaar. Te klein doelpubliek.”

Onzin. Iedereen kan deel uitmaken van de elite.

 

Moeilijke kunst bestaat niet. Er bestaat alleen een publiek dat de taal van de kunst niet spreekt, en niet de moeite wil nemen ze te leren. KUNST VRAAGT INSPANNING. De verantwoordelijkheid tot begrijpen ligt bij het publiek, niet bij de kunstenaar. Als we evenveel tijd zouden investeren in het ontwikkelen van onze hersenen als in het stroomlijnen van ons lichaam, zou de cultuur bloeien als nooit tevoren.

 

“Je zei: één paragraaf. Blijf bij het format.”

Oké. Ik citeer wel iemand anders.

 

Want gelukkig las ik deze week ook twee tegenstemmen. Van vrouwen, die opriepen tot verzet tegen deze heersende trend van vermarkting – wellicht omdat ze toch altijd minder goed in de markt liggen dan mannen en dus minder baat hebben bij het verdedigen van kunst als te vermarkten product. En dus minder geneigd zijn toe te geven aan de daarbij horende verkleutering.

 

De eerste tegenstem kwam van componiste Sofia Gubaidulina. “Dezer dagen is het normaal te stellen dat eerlijkheid naïef is, net als hoge kunst. Er gaapt een kloof tussen de intelligente mensen en de meerderheid van de maatschappij, die vijandig staat tegenover de intelligentsia en de kunst. Bijna op het militaristische af. De Spasskultur drijft de kunstenaars in een hoek, maar we moeten blijven vechten tegen deze trivialisering.” Toch is, alle vechtlust ten spijt, haar toekomstvisie somber: “Ik zie een nieuwe mens opstaan die niet langer weet wat echt contact is, maar de hele dag naar een scherm kijkt, en als een machine reageert op de buitenwereld. Ik zie dit als een groot gevaar voor de toekomst: het leven wordt leeg, oppervlakkig en één-dimensioneel, alle diversiteit verdwijnt.” Kortom: hoge kunst wordt een schimmig, half-legaal haute-couture-product voor een elite, terwijl de rest van de maatschappij het moet stellen met de hapklare H&M-versie ervan. Is dat wat de publieksverbreders willen?

 

Over naar kunsthistorica Tiffany Jenkins voor een positieve insteek – wellicht heeft zij van een marketingguru gehoord dat optimistische boodschappen beter blijven hangen. Kunst, benadrukt zij, mag niet utilitair zijn. Meer nog, kunst die de sociale cohesie bevordert, maakt zichzelf overbodig. We moeten de kunst weer waarderen omwille van de kunst. L’art pour l’art, leg dat maar eens uit in deze tijden, zeker aan de lezers van Trouw. “Stel dat we die vraag zouden stellen over de liefde. Wat doet liefde eigenlijk voor ons? Sommigen zullen misschien zeggen dat liefde de eenzaamheid verdrijft, of dat het kinderen voortbrengt. Waarschijnlijk missen we het belangrijkste, namelijk dat liefde ons leven verrijkt met bijzondere gevoelens en ervaringen die je anders niet zou hebben. Zo is het ook met kunst. Net als liefde hoort kunst bij het mens-zijn. Er is iets unieks aan de ervaring om te kijken naar een schilderij dat iemand jaren geleden heeft gemaakt. Ik vrees dat we die ervaring zullen kwijtraken wanneer we kunst benaderen op een instrumentele wijze. Kunstenaars zullen dan bovendien hun werk aanpassen om te laten zien wat de politici graag willen zien, en hun werk zal niet op zijn artistieke waarde worden beoordeeld. Het leidt tot eenvoudige kunst, die makkelijk te begrijpen valt en die niet meteen reflecteert wat de kunstenaar of de curator wil laten zien. Daarom moeten kunstenaars tegen deze ontwikkeling in het geweer komen.”

 

“Catchfrases. Of het nu een tentoonstelling, een boek of een festival is, het heeft een sell-quote nodig.”

 

Als de geschiedenis van de totalitaire regimes ons één ding heeft geleerd, is het dit: alles bestaat bij machte van zijn naam. Haal het woord weg, en de mens verdwijnt. Wie geen naam heeft, is niemand. Wat we niet kunnen benoemen, is niets. Een woord schrappen uit de taal is het uitwissen van een object in de publieke ruimte. Als we kunst verbergen achter een eufemisme, ontkennen we het bestaan ervan. Nog even en we verbieden ook de kunstenaar. De auteur mag zich al langer niet meer zo noemen. Alleen een woord dat we kleuren met trots, kunnen we dragen als een vlag. Achter die vlag schuilt onze rijkdom. Ik wens niet mee te lopen in een optocht waarin het vaandel kunst verworden is tot een goedkope onderbroek.

 

Dank.

 

Hieronder, voor de meerwaardezoekers onder u, nog een toemaatje.

 

-

 

I.

In den beginne was er de mens

En de mens was de maat van alle dingen.

De wereld reikte niet verder dan zijn blik,

En alles wat daarbuiten lag was hemel.

Groots, en blauw, en ondoorgrondelijk.

 

Naar die hemel reikte de kunst.

Hoger, steeds hoger, zong zij.

Zonder bescheidenheid.

 

megalomanie
(de (v.); g.mv.)

grootheidswaanzin

grootheids - waanzin

de waanzin groot te denken (*)

 

II.

Meer! Zei de mens, want hij had ambitie.

En de mens vergrootte de maat van alle dingen.

Stap voor stap verkende hij de wereld

Verlegde zijn grenzen en verruimde zijn blik.

 

En de kunst zong verder, want zij was het licht,

Het ware licht, dat elke mens in de wereld verlicht.

Ze was in de wereld, en woonde onder de mensen,

Maar de mens herkende haar niet.

 

waanzin

(de (m.); g.mv.)

  1. krankzinnigheid:

<waanzin is het denken zonder object> L.Nolens

  1. onzinnigheid:

(dit is) waanzin!

  1. (veroud.) extase

 

 

III.

Meer! Zei de mens, want dat was hij intussen

gewend. En hij blies zich op als een kikker

En maakte zich tot maat van alle dingen.

Tot alles door hem was gemaakt,

Naar zijn beeld en zijn gelijkenis,

Opdat hij heerste.

 

Ook de kunst moest knielen.

Voor haalbaarheid. Toegankelijkheid.

Een muze op mensenmaat.

 

waanzinnig

(bn.)

  1. krankzinnig, gek
  2. volstrekt onzinnig
  3. buitensporig, mateloos:
    waanzinnig mooi

 

 

 

IV.

Meer! eiste de mens, zonder schaamte,

hij was tenslotte de maat van alle dingen.

En dat meer voedde hij met minder,

Want wat ergens bijkomt, moet ergens vanaf.

Zo schiep hij de lege mens.

 

Nee, zei de kunst. En ze rechtte haar rug.

 


kunst

(de (v.))

moet radicaal zijn, want wat niet radicaal is, is middelmatig en middelmatigheid is nooit kunst. Radicaliteit vergt moed. Inspanning.

Waanzin

(de (m.); g.mv.)

<De moderne kunstenaar is een makelaar in waanzin, die ons meeneemt voorbij de grenzen van onze eigen verbeelding en ons een blik gunt in de duizelingwekkende diepte van verlangens die we zelf nooit zouden aandurven> S. Sontag

 

 

 

V.

Hoor, zei de Kunst.

Wie mij ontvangt, is niet uit bloed

Of uit de wil van vlees geboren,

Maar uit het licht.

 

 — KUNST TOONT ONS HET VISIOEN DAT DE MEESTE GELOVIGEN NOOIT ZIEN —

 

Wie mij ontvangt,

Is ten volle mens,

Want ik ben de maat van alle dingen.

 

 

Kunst is altijd een

waanvoorstelling
(de (v.))
fantasiebeeld dat men voor werkelijk houdt
hallucinatie, zinsbegoocheling

die werkelijkheid werd. Omdat de kunstenaar er,

waanwijs

(bn.)
dwaas aanmatigend, syn. neuswijs, mallotig, pedant

als hij/zij is, in geloofde. Groot dacht. Groot durfde te denken.

                                                                                                                                                                                                                                                                                                                              Megalomaan