Via een goede vriend ontmoet ik Mateo. Hij zit op mij te wachten in de stationsrestauratie terwijl hij een boek van Dalrymple leest.
Mateo groeit op in wat later een heuse ‘armoede-categorie’ blijkt: een alleenstaande moeder met een zusje en een broer. Op zijn vijftiende komen ze van de Antillen naar Nederland om zijn toekomstkansen te vergroten door hier de middelbare school af te maken. 
Was ik geen theaterregisseur geworden, dan hadden Matteo en ik elkaar waarschijnlijk nooit ontmoet, laat staan gesproken over zoiets intiems als het ontbreken van geld in zijn leven. Alle mensen die ik voor mijn aanstondse theatervoorstelling interview over hun armoede praten behoedzaam, en vragen mij achteraf hun naam te veranderen, zo ook Mateo.

Wanneer hij zijn nieuwe huis in Rotterdam Feyenoord binnenkomt, beseft Mateo zich voor het eerst echt dat hij arm is. Er is een ruit kapot op de bovenverdieping en alleen beneden staat er een gaskachel die stinkt door de muizenkadavers die erin verbranden. 
Op de Antillen waren ze ook arm, daar werd Mateo geregeld met een boodschappenbriefje op pad gestuurd om bij buren eten te verzamelen. Maar op school droeg iedereen hetzelfde kostuum en als de oogst mislukte, at iedereen wat minder. 
In Rotterdam tekent hun geldgebrek echter scherp af tegen de jongens in de wijde Fubu-broeken en leren Timberlands. Zit hij daar, met een potlood het cassettelint van zijn favoriete bandjes goed te draaien, terwijl zijn klasgenoot CD’s brandt voor de discmans van de rest. Die jongen wil hij zijn.

In de armoedemonitor van Amsterdam lees ik dat eenderde van de kinderen tussen tien en veertien jaar opgroeit onder de armoedegrens. Die grens is voor een alleenstaande volwassene in Ne-derland 1030,- netto per maand en 1930,- voor een gezin met twee ouders en twee kinderen. Overigens, deze ‘categorie’ blijkt juist na interviews en vrijwilligerswerk bij de Voedselbank zeer gering. De meeste kinderen die in armoede opgroeien hebben gescheiden ouders.  
Het grensbedrag is nauwkeurig vastgesteld door een commissie. Je moet maandelijks 9 euro aan was- en schoonmaakartikelen kunnen besteden, 13 euro aan vervoer, 6 euro aan bezoek, etc. 

Ondanks dat deze cijfers helder staan voor wanneer je arm bent of niet, word ik gevangen door de vraag: wat is armoede meer dan gebrek aan geld?
Aangezien 33% arme kinderen in Amsterdam zo’n omvangrijk percentage is, vermoed ik dat er zeker mensen in mijn omgeving zijn die armoede kennen. Ik plaats een oproep op Facebook. 
Er reageren eerst een aantal kunstenaars, door hun salaris naar mij te mailen dat inderdaad lager is dan 1030,- euro. Maar ik zoek iets anders, zij hebben immers uit vrije wil dit beroepsveld gekozen. Ook ik verdien wel eens een maand beschamend weinig, maar dat is mijn eigen keuze: ik kan als het nodig is bijvoorbeeld ijs verkopen, of de post bezorgen. De armoede waar ik naar zoek moet onvrijwillig zijn. Ik herformuleer mijn ‘doelgroep’: facebookvrienden die als kind opgegroeid zijn in armoede. Er reageren een paar mensen uit mijn directe kenniskring. Sarah is één van hen. 

Hoi Wieke, ik zag dat je mensen wou spreken die in armoede hebben gezeten,
wellicht kan ik je helpen.
Ben rond mijn zeventiende een jaar zwervend geweest na de scheiding van mijn ouders.
Mvg Sarah’

Aan Sarah heb ik geen hele levendige herinneringen. 
Ze zat op de lagere school bij mij in de klas en later in een parallelklas op mijn middelbare school. Na ons gesprek begrijp ik waarom zij zo onopvallend mogelijk was. 
Sarah valt in de armoede-categorie: ‘niet arm geboren maar door onfortuinlijke voorvallen plotseling arm geworden.’
Ik zat vroeger op een kleine en - wat heet - witte school in een sjieke buurt met kinderen van veelal hoogopgeleide en cultureel georiënteerde mensen, en nu schrijft Sarah te kunnen helpen in mijn zoektocht naar de betekenis van armoede. Het geeft een onbehaaglijk gevoel.
We spreken af in een, voor haar eveneens onbekende, bedrijfskantine in het Rotterdams haven-bedrijf. Ergens in de buurt van deze kantine bekleedt ze een hoge functie in een groot bedrijf. Het eerste half uur praat ze met een brok in haar keel en ik heb moeite met slikken. Vroeger hebben we elkaar zeven jaar elke dag gezien, daarna dertien jaar niet, en nu hebben we het langste en meest intieme gesprek dat ik ooit met haar voerde. Een onbekend gevoel van schaamte overvalt me; waarom wist ik niets van Sarah’s zwerfbestaan?

Na een langdurige ruzie besluiten haar ouders te scheiden. Haar moeder verhuist naar de arme kant van het dorp, waar de woningen ‘Turkenflats’ worden genoemd, en belandt in de bijstand. Om voor deze flat in aanmerking te komen moet er een minderjarig kind bij haar ingeschreven staan: Sarah. Maar Sarah wil én kan helemaal niet in die flat wonen. Er is geen plaats voor een extra kledingkast en eigenlijk ook niet voor een kind. Er is teveel verdriet en ook gelijk een nieuwe vriend, dus Sarah blijft bij haar vader in het ouderlijk huis.
De ouders van Sarah krijgen opnieuw ruzie, dit keer over de kinderbijslag die naar haar moeder gaat. Sarah’s vader zet haar voor het blok: of je trekt echt bij je moeder in, of je vertelt de rechter dat je er helemaal niet woont en dan krijgt hij de kinderbijslag. 
Dát tegen de rechter zeggen betekent dat haar moeder uit haar nieuwe flat moet, ze heeft er immers geen recht op zonder minderjarig kind. En zo pakt Sarah haar tas: twee spijkerbroeken, vier shirtjes en vertrekt naar haar moeder, maar daar komt ze nooit aan. 
Een jaar lang slaapt ze bij klasgenoten, in de paardenstal van de manage waar ze vaak is, maar nooit paardrijdt. Of ze dwaalt in de ochtendschemer op het perron van een busstation als ze is blijven hangen in het café waar ze werkt, wachtend op de eerste bus naar school. Mijn school. 
Ze leert dat een patatje eten op de fiets het beste diner is: dan heeft niemand door dat je alleen bent, omdat je onderweg lijkt te zijn. Een meisje dat rond etenstijd alleen op een bankje voor de supermarkt zit trekt rare figuren aan. 
Net als Mateo wordt ze een leugenexpert. 
‘Ik ben gevallen met de fiets en mijn kleren zijn vies, kan ik ze even bij je wassen?’
‘Mijn moeder vindt het niet oké als ik in het donker naar huis fiets in de winter, kan ik bij jou blijven slapen?’
‘Ik kan niet komen op je super sweet sixteen, want mijn oma ligt op sterven’.
Het is beschamend dat je geen ouders hebt tegen wie je op kunt kijken, of waartegen je je af kan zetten, maar waar je medelijden voor voelt en die je moet beschermen. 
Het is beschamend dat je vader denkt dat je bij je moeder bent en je moeder dat je bij je vader bent, maar ze een heel jaar lang niet weten waar je slaapt.
Dat is armoede in Nederland, zegt Sarah. Dat er niemand genoeg om je geeft om je op te vangen.’

Mateo: 'Het is beschamend dat je tegen je moeder liegt, omdat je een schoolreisje hebt naar het voetbalstadion à negen euro, maar je weet dat het er niet is, dus je zegt niks en je gaat niet naar school. In plaats daarvan zit in het Zuiderpark waar je klas voorbij wandelt en de meester roept: ‘Hé Mateo, je was toch ziek?’”
Het is schaamtevol dat je niemand iets te bieden hebt. Gênant, wanneer je doorhebt dat je moeder de stoep nog zou likken als de buren het zouden vragen, omdat ze de perfecte Nederlander wil zijn. Dat ze stiekem huilt boven de absurde huurrekeningen van de huisjesmelker voor een kapotte flat, maar dat ze zich overdag gedraagt als 'die ene vader uit La Vita et Bella die van de oorlog een spel maakt voor zijn zoon'. Wanneer je lang niets hebt, verandert hebben in zijn. Ik heb niks wordt ik ben niks.”
’s Nachts droomt Mateo dat hij zijn vrienden meeneemt naar de Subway en zegt: ‘Toe maar, bestel wat je wilt! Elk broodje, elk beleg, de hele saladebar. Ik betaal.’
Of dat hij een BMW contant afrekent, niet eens om er ver mee te rijden, hij heeft geen rijbewijs, maar gewoon om in te chillen. 
Binnen een paar jaar komen zijn dromen uit, na een gewapende overval op een winkel.

Mateo: “In een welvarend land als Nederland kopje onder gaan, dat is armoede én dom. Iedereen krijgt hier toch dezelfde kansen?”
Ik: “Is dat zo? Precies daar wil ik een kanttekening bij plaatsen.”
Hij denkt na. “Ik denk dat de mogelijkheden gelijk zijn, ja. Misschien de kansen niet, want die krijg je van anderen en misschien gunnen anderen jou meer dan mij, omdat je zelfvertrouwen hebt, of mooier bent, of omdat je vader goed kan vertellen over zijn werk. Ik had destijds mijn mogelijkheden beter moeten gebruiken. Ik had naar de bieb kunnen gaan om mijn huiswerk daar op een computer te doen en ik had bij de Albert Heijn kunnen werken om mijn schoolreis te betalen. Dat leer ik mijn dochter nu: zelfredzaamheid.”

Ook Sarah vindt dat ze het anders had kunnen aanpakken. Ze had niet zo koppig moeten zijn en haar vader rustig moeten uitleggen dat ze nog te jong was om te bemiddelen in een scheiding.
Ik snap deze gedachten: je wilt het gevoel hebben dat het ook anders had kunnen lopen, dat je wél de jongen had kunnen worden die cd’s voor anderen brandt als je een baantje bij de Albert Heijn boven een overval met pistool had verkozen. De illusie van een keuze. De illusie van zelfredzaamheid als je vijftien bent. 

Ik stap in de auto naar huis en er schieten nog twee gedachten door mijn hoofd: 
1: Het woord ‘loser’ is het meest gebruikte scheldwoord onder jongeren van 12. Een woord dat ik in beide interviews steeds terug hoorde komen. Verliezen op alle fronten.
2: Mae West zei zoiets: met goede wil kun je alles overwinnen, behalve kiespijn en armoede. Ik denk dat ze gelijk had.

Wieke ten Cate (1986) is een theaterregisseur. Op basis van journalistieke research werk ze samen met theaterschrijvers aan een nieuw repertoire. Eerder maakte ze o.a. voorstellingen over werkethiek op basis van gesprekken medewerkers in een tandpasta fabriek (Arbeid Adelt), over (de voor(oor)delen omtrent) geweld vanuit het perspectief van kooivechters (Winnen is Belangrijker dan Meedoen) en maakte ze met vijf actrices uit de Oekraïne een theatervoorstelling over vrouw-zijn. 
In maart 2018 gaat de jongerenvoorstelling ‘Outlaw’ in première bij het Amsterdamse theaterge-zelschap de Toneelmakerij, waarvoor zij een half jaar uitgebreide research deed naar armoede in Nederland.