Mister Motley heeft een boek gemaakt. Koop hier 'Dit is een vertaling'.

Image

Dring dring, Dzin dzin

03-08-2015 DRR

Richtje Reinsma en Daphne Rosenthal ontdekken de voorbije cultuur van het alledaagse sovjetbestaan in het Wende Museum, midden in het hyperkapitalistische Los Angeles. Daarover rapporteren zij op Mister Motley. Hun project wordt gesteund door het Mondriaan Fonds.

Wat te kiezen uit de ontelbare kartonnen schatkisten van het Wende Museum? Alle denkbare artikelen uit het voormalige Oostblok staan tot onze beschikking. Om te beginnen moeten we categorisch denken, in voorwerpfamilies, want vrijwel alle spullen zijn onzichtbaar in dit archiefachtige museum. Op enkele kleine zaaltjes na, waar wisselende thema-exposities worden gehouden, is er niets uitgestald in vitrines. De vaste collectie zit opgeborgen in enorme kasten. Volgend jaar verhuist het Wende Museum naar een groter gebouw, waar het minder depot zal worden en meer zal exposeren. Vooralsnog krijg je pas wat te zien als een deskundige museummedewerker je helpt. We hadden ons voorgenomen om de onafzienbare voorraad in eerste instantie te filteren op huishoudelijke apparatuur, speelgoed, schoonmaakmiddelen en diplomatieke geschenken. We hoopten bijvoorbeeld op stofzuigers geïnspireerd op raketten en planeten, zoals ze in de Sovjet Unie werden ontworpen ten tijde van de lancering van de Sputnik in 1957, de eerste satelliet in de ruimte. De trots over de prestaties van de eigen ruimte-industrie leidde tot het ontwerp van een uiteenlopend assortiment producten dat elk moment het luchtruim leek te kunnen kiezen. In het boek Made in Russia: Unsung Icons of Soviet Design (2011) staat de onweerstaanbare ‘Chaika’ uit 1956 afgebeeld, waarvan de oogstrelende aerondynamische vormen beloven van stofzuigen een kosmisch avontuur in de huiskamer te maken.

Wat betreft op de ruimtevaart geïnspireerde producten vangen we bot; die blijken hoofdzakelijk van Russische makelij geweest te zijn, en het leeuwendeel van de museumcollectie is afkomstig uit de DDR. Gelukkig manifesteert zich tijdens ons eerste bezoek aan het museum ook een andere wens: telefoons. De telefoons spreken onder andere tot onze verbeelding omdat ze zo vertrouwd aandoen. Hun modellen zijn ouderwets, maar een tweetal uit de jaren tachtig is sterk verwant aan de telefoons uit onze jeugdjaren. Inmiddels hebben we enkel nog een mobiel en geen vaste aansluitingen meer. Maar we weten het nog, het gevoel van weerstand en het zachte ratelen van de roterende draaischijf, de zware spiralende snoeren die meteen in hun vaste kringel terugsprongen als je ze uit de krul trok. We oogsten negen telefoons, zowel huiselijke als institutionele. Er zijn ook drie speelgoedtelefoons bij. Vrijwel allemaal uit de DDR, uitgezonderd een anoniem geval na waarvan de herkomst onbekend is en één fors, voornaam exemplaar uit de USSR. Die laatste krijgt wegens zijn enorme witte toetsen meteen de bijnaam ‘pianotelefoon’. De kans is groot dat de telefoons nog zouden functioneren, mits aangesloten op de juiste stopcontacten natuurlijk. We hebben helaas de middelen noch de tijd om ze technisch weer aan de praat te krijgen, hoe ze zouden kunnen rinkelen en zoemen als er weer elektriciteit door hun kabels zou stromen komen we niet aan de weet.
Het voornaamste wat ons intrigeert is de omstandigheid dat de telefoon een schakel vormde (en nog vormt) tussen het privédomein van individuen en de infrastructuur van de staat. Elk analoog telefoongesprek, wat de communicatie inhoudelijk ook behelsde, legde via complexe trajecten achter muren en onder straten afstanden af. Tijdens de reis die een telefoongesprek aflegt waren en zijn de boodschappen die aan het systeem worden toevertrouwd kwetsbaar. Zoals bekend werd vrijwel elke telefonade in sovjetcontreien afgeluisterd door geheime diensten. Een situatie die niets aan actualiteit heeft ingeboet, zoals nog niet zo lang geleden is gebleken. Wel zijn de mogelijkheden in onze tijd uitgebreid en verfijnd - nu zijn de meeste telefoons immers voorzien van camera’s en internet, en is er behalve politieke controle ook commerciële exploitatie. Vanuit een andere invalshoek is het fascinerend om te denken aan de driedubbele brug die een telefoon slaat. Op het oog wordt het eigen oor aan de eigen mond gekoppeld, maar in feite wordt de eigen mond op het oor van de gesprekspartner aangesloten, en diens mond op het eigen oor. Hier worden zintuigen ondanks hun fysieke afstand tegen elkaar aan gedrukt met behulp van intimiteit met een apparaat. Ademdamp en lichaamswarmte zijn natuurlijk lang vervlogen waar het onze museale telefoons betreft, maar de lichamen die hen hebben gehanteerd hebben talloze nagelkrasjes en kleine ondefinieerbare beschadigen achtergelaten. Zoals alle voorwerpen die verweerd raken hebben de telefoons daardoor iets doorleefds gekregen, alsof ze niet alleen materieel hebben deelgenomen aan de levens van hun gebruikers, maar ook emotioneel. Het is verleidelijk om te denken dat de hele en halve zinnen (al dan niet in codetaal in verband met de ongenode meeluisterende derden), zuchten, kuchjes en al dan niet ongemakkelijke stiltes die deze telefoons hebben overgebracht er op de een of andere manier iets in hebben achtergelaten. Zoals ruïnes, plaatsen delict of persoonlijke bezittingen van beroemdheden gebeurtenissen en mensen op lijken te kunnen roepen, zo schijnen ook de telefoons vervlogen tijd dichterbij te kunnen brengen.
Maar je moet wel nieuwe tijd met ze doorbrengen om ze die oude tijd te ontfutselen. Dus maken we een arena voor de telefoons met luidruchtige tekeningen, om ze op die manier weer te laten klinken. We tekenen onomatopeeën (klanknabootsingen) van telefoongeluiden in de talen die in dit project toepasselijk zijn: Dring dring (Duits),Tring tring (Nederlands), Ring ring (Engels) en Dzin dzin (Russisch). Ook filmen we de telefoons met een macrolens. We zien afdrukken van vingers en stuiten op aangekoekte kabeltjes. We gluren door hun spreek- en luistergaten bij ze naar binnen en bekijken hun mechanische ingewanden. Hieronder is een ruwe montage te zien.

Later pas ontdekken we dat veel mensen in de DDR überhaupt geen telefoon hadden. Ze gebruikten telefooncellen, of telefoons van kennissen. Het regelen van een aansluiting had veel voeten in de aarde en was niet voor iedereen weggelegd. Het waren de geprivilegieerde mensen die ‘privé’ mochten bellen, maar ondertussen grootschalig werden afgeluisterd. Partijleden, vakbondsleiders, artsen, juristen, kunstenaars. Pas in de loop van de jaren tachtig schijnt het bezit van een eigen telefoon thuis algemener te zijn geworden.

 

Ook adverteren op mistermotley.nl? Stuur dan een mail naar maurits@mistermotley.nl