Steun hier het nieuwe seizoen van de radiopodcast Kunst is Lang.

Image

Een echte familie

25-12-2020 Teun Grondman

Het is gebruikelijk om als jongvolwassene een beetje afstand te nemen van je familie. Tijd om jezelf te ontdekken, jezelf te definiëren, vrij van de dagelijkse banaliteit die gezinsleven heet. Zo heeft ook voor mij de afgelopen jaren het begrip “familie” vrij weinig plaats in mijn leven ingenomen. Wanneer in mijn sociale cirkels over familie wordt gesproken, gaat het vaak over ouders die niets van de kunstpraktijk van hun kind begrijpen, mensen die nu in therapie zitten vanwege hun opvoeding, of over ongemakkelijke politieke discussies tijdens familiediners. De pandemie maakt denken aan familiegezelligheid er ook niet makkelijker op.
 

Familie is een construct dat jeugdtrauma’s en stagnatie cultiveert, zo dacht ik lange tijd. Maar nu ik als zillennial (de generatie net tussen millennials en generatie Z) toch echt de laatste restjes adolescentie van mijn bord schraap, overkomt me steeds vaker de vraag hoe ik familie in mijn eigen leven wél wil vormgeven.

Norman Rockwell, Freedom from Want, 1943

De pandemie maakt denken aan familiegezelligheid er ook niet makkelijker op.

Als ik me een voorstelling van het begrip familie maak, denk ik onwillekeurig aan dit schilderij van Norman Rockwell uit 1943. Op het schilderij zien we een witte familie rondom een witte tafel op thanksgiving day. Grootmoeder serveert een gigantische gebraden kalkoen terwijl grootvader, centraal in beeld en contrastrijk van achteren belicht, de situatie vroom overziet. De rest van de familie is vrolijk lachend uitgesmeerd over de randen van het schilderij. In de wereld van dit schilderij bestaat er alleen gezelligheid en overdaad, en dat terwijl het werk middenin de tweede wereldoorlog is geschilderd. Na publicatie werd de afbeelding snel een symbool voor het Amerikaanse ideaal. Het is inmiddels uitgegroeid tot een van de bekendste werken van Norman Rockwell en is vaak gereproduceerd en geparodieerd. Het schilderij heet Freedom from Want – vrijwaring van gebrek. Dit is wat Norman Rockwell ziet als het familie-ideaal: veiligheid, overdaad en zorgeloosheid.

Als afbeelding van een vrolijke familie is Freedom from Want best geslaagd. Het doet me denken aan kerstdiners bij mijn grootouders, waarin de hele familie bij elkaar kwam. (Het helpt dat mijn opa en oma qua uiterlijk wel iets weghebben van de mensen op het schilderij.) Maar deze prent is eigenlijk zo zoetsappig, selectief en haast propagandisch dat ik er een beetje wantrouwig van word. Freedom from Want is helemaal geen familieportret. Het is een zorgvuldig geconstrueerd simulacrum, een portret van dé familie zoals die idealiter is, of misschien wel hoort te zijn. Ik vraag me af of iedere toeschouwer onderdeel van deze familie zou kunnen zijn. De man rechtsonder kijkt geniepig naar het publiek. Verwelkomt hij je ook aan tafel, of lacht hij je stiekem uit?

Het westerse familie-ideaal van de vorige eeuw, mede verspreid door Rockwell, was het nucleaire gezin: een huishouden bestaande uit een vader, moeder en kinderen – meestal één tot drie. (Nucleair komt hier van het Latijnse woord voor kern, en heeft in principe niets met radioactiviteit te maken – al vierden nucleaire families en nucleaire wapens ongeveer gelijktijdig hun hoogtijdagen). Nucleaire gezinnen werden gezien als gestroomlijnde politieke eenheidjes waaruit de maatschappij was opgebouwd. De rolverdeling was duidelijk: de vader zorgde voor het geld, de moeder voor het huishouden en de kinderen. Allerlei sociale conventies en wetten, zoals strikte monogamie en het verbod op het homohuwelijk hielden de dominante positie van het nucleaire gezin in stand. Het was een goedwerkend systeem, behalve voor iedereen voor wie het niet werkte. Het nucleaire gezin werd namelijk bijna altijd voorgesteld als welvarend, wit en heteroseksueel. Tegenwoordig zijn de normen wat verruimd, maar het nucleaire gezin wordt nog steeds gezien als het ideaal. Ook al is dat ideaal steeds meer in de minderheid. In 1980 bestond 47% van de Nederlandse huishoudens nog uit twee ouders met kinderen – tegenwoordig is dat nog maar 25%.

'The Typical Trentino Family of 2007'

Nucleaire gezinnen werden gezien als gestroomlijnde politieke eenheidjes waaruit de maatschappij was opgebouwd.

De Britse kunstenaar Gillian Wearing, die in 2007 uitgenodigd was om een werk in de Italiaanse stad Trento te maken, merkte op dat er in de media veel werd gesproken over de teloorgang van de ‘traditionele’ familie. Ze besloot een monument voor de nucleaire familie te maken, om deze voor eens en altijd een vaste vorm te geven. Met de hulp van lokale sociologen werd uit honderden inzendingen de meest gemiddelde Trentino-familie geselecteerd. 
De familie Guiliani was de winnaar – vader, moeder, de twee kinderen en het hondje werden zo waarheidsgetrouw mogelijk in brons vereeuwigd. Het beeld is een speels gebaar, een particulier punt achter de discussie, opdat niemand meer een vaag ideaal hoeft na te streven.

Frida Kahlo, My Grandparents, My Parents and Me, 1936

 

Frida Kahlo gebruikte haar eigen familie als symbool van verzet tegen het opgelegde model. In het schilderij My Grandparents, My Parents and Me uit 1936 beeldde ze haar eigen familie af in de vorm van een stamboom. Ze maakte dit werk in de tijd waarin de Nazi’s in Duitsland hun macht aan het uitbreiden waren – een jaar eerder waren onder de zogenaamde wetten van Neurenberg alle interraciale huwelijken illegaal gemaakt. Als protest benadrukte Kahlo in dit schilderij haar gemengde afkomst. 
Haar Mexicaanse grootouders van moeders kant zweven boven het Mexicaanse vasteland, haar overzeese Duitse grootouders van vaders kant zweven boven de oceaan. Ze staat er zelf drie keer op: als het kleine meisje, als embryo dat aan haar moeder vastzit, en zelfs als eicel die bevrucht wordt, links van het midden. Een rood lint, een veelgebruikt symbool in stambomen, verbindt de generaties met elkaar. Net zoals bij Wearings standbeeld van “de typische familie” werd de bestaande vorm gebruikt om normen te doorbreken.

Abraham van den Tempel, David Leeuw met zijn gezin, 1671

 

In westerse kunst sinds de renaissance is familie een veelvuldig afgebeeld onderwerp. Rijke adellijke en aristocratische families lieten zichzelf regelmatig portretteren om de autoriteit van het geslacht te bevestigen. De aandacht voor afkomst en bloedlijn zorgde ervoor dat macht en rijkdom van generatie op generatie konden worden overgedragen. Er hangen talrijke van dit soort familieportretten in musea: neem bijvoorbeeld de ongemakkelijke voorstelling van Abraham van den Tempel die me vorig jaar in het Rijksmuseum opviel.

De kinderen zijn in dure kleren gehesen en houden statig attributen vast die hun vroomheid en buitengewone muzikale begaafdheid benadrukken. De kinderen zijn extensies van de patriarch. Waar Frida Kahlo’s familieportret een trotse bevestiging van haar identiteit is, gaat bij voorname families de uitdrukking van identiteit juist vaak verloren. Ook nu nog worden de afbeeldingen van het koningshuis grondig geredigeerd.

Erwin Olaf, Kerstportret van het Koninklijk Huis, 2018

Waar Frida Kahlo’s familieportret een trotse bevestiging van haar identiteit is, gaat bij voorname families de uitdrukking van identiteit juist vaak verloren.

Er is een tweede soort familieportret waar er vroeger veel van zijn gemaakt: portretten van de familie van de kunstenaar zelf. Omdat deze schilderijen niet in opdracht werden gemaakt genoot de kunstenaar veel meer vrijheid. Ze waren niet veel waard, en werden dan ook voornamelijk gemaakt als oefening, experiment, of simpelweg uit liefde. Zie bijvoorbeeld de (zeker destijds) gekke compositie van dit schilderij van Joseph Heintz met broer en zus of dit onderstaande 18e eeuwse zelfportret van Hendrik Spilman met zijn gezin. Nog steeds staan ze er een beetje stijfjes bij, op de achtergrond zie je een vaag silhouet van Jezus. Maar er is een opvallende tederheid: vader en moeder kijken onzeker en bescheiden naar de toeschouwer, de attributen van de kinderen drukken geen talent uit, maar enkel voorwerpen die ze zelf fijn vinden.

Hendrik Spilman, zelfportret met familie, ca. 1770

 

Wat ik eigenlijk het belangrijkst vind als het om familie gaat, is liefde. Ook al maakte Frida Kahlo een trots en moedig portret van haar familie, ze beschreef de sfeer in haar gezin als “heel, heel verdrietig”. Er was weinig liefde tussen haar ouders, en ze had vooral een moeizame relatie met haar moeder. Ze omschreef haar eens als “vriendelijk, actief en intelligent, maar ook berekenend, wreed en fanatiek religieus”. Het is een beetje te zien in My Grandparents, My Parents and Me, waar haar moeder relatief ver weg van de kleine Frida staat.

Een paar jaar na haar project in Trento maakte Gillian Wearing een vergelijkbaar monument in haar geboortestad Birmingham. Dit keer gooide ze het over een andere boeg en zocht ze juist naar families die minder “typisch” zijn. Het standbeeld genaamd A Real Birmingham Family beeldt de familie Jones af, bestaande uit de zussen Roma en Emma, Roma’s zoon Kyan en Emma’s zoons Shaye en Isaac (de laatste nog ongeboren). Een familie kan veel vormen aannemen. Waar Gillian Wearing in Trento de inwoners van de stad voornamelijk een spiegel voorhoudt, laat ze Birmhimgham juist – net als het beeld zelf – samen naar de horizon kijken.

Gillian Wearing, A Real Birmingham Family, 2014

Wat ik eigenlijk het belangrijkst vind als het om familie gaat, is liefde.

Volgens het traditionele model komen familierelaties alleen tot stand doormiddel van het huwelijk en het krijgen van kinderen. Later is adoptie er bijgekomen, maar dit is een dure en streng gereguleerde procedure. Objectief gezien zijn dit vrij arbitraire conventies. Want waarom bestaan familierelaties onder zulke strenge voorwaarden? Er ontstaat een soort kunstmatige schaarste, waardoor familierelaties buitengewoon exclusief en belangrijk worden. Hierdoor wordt het heel moeilijk om een band te verbreken als dat nodig is. Ongezonde relaties blijven voortduren in de vorm van “we may not be perfect, but family’s all we’ve got”. Maar zoals familierelaties ontzettend koud kunnen zijn, zijn niet-biologische relaties net zo goed heel erg familiair. 

Shoplifters uit 2018, een Japanse film geschreven en geregisseerd door Hirokazu Kore-eda, is het portret van een niet-biologische familie. Grootmoeder Hatsue, vader Osamu, moeder Nobuyo, oudere zus/tante Aki, en de kinderen Shota en Lin vormen een gezin, maar zijn geen bloedverwanten. De familie is straatarm en woont ondergedoken in het huis van Hatsue, die het pensioen van haar overleden man ontvangt. Naast enkele slecht betaalde baantjes komt de familie net rond door uit winkels te stelen. 
Lin woont in het begin van de film nog bij haar biologische ouders en wordt daar zwaar verwaarloosd. Vader Osamu vindt haar in hartje winter in haar pyjama opgesloten op een balkon, en en besluit Lin op te nemen in de familie. Aan de ene kant is de familie in Shoplifters behoorlijk onbezonnen bezig – aan de andere kant is het resultaat een echt, liefdevol gezin. Moeder Nobuyo oppert halverwege de film: de band is misschien júíst wel sterker wanneer je je eigen familie kiest. Shoplifters is een genuanceerde film – de personages hebben soms moeite om elkaar als volwaardige familieleden te benoemen en hun winkeldiefstal heeft consequenties. Maar de film pleit hoe dan ook voor liefde en zorgzaamheid, in wat voor sociale configuratie dan ook.

Still uit Shoplifters, 2018

Maar zoals familierelaties ontzettend koud kunnen zijn, zijn niet-biologische relaties net zo goed heel erg familiair. 

De dinerende personages in Norman Rockwell’s Freedom from Want zijn niet echt familie van elkaar – ze zijn gebaseerd op foto’s die de schilder van zijn verschillende buren maakte. Het was absoluut niet zijn bedoeling, maar eigenlijk maakte Rockwell hier een heel goed punt: familie hoeft niet biologisch te zijn. Ook buren kunnen voor elkaar zorgen en samen genieten van een feestmaal. Het gaat niet om bloedverwantschap, en ook niet om een specifieke vorm, zoals het nucleaire gezin.

In de persoonlijke belevingswereld bestaat er vaak overlap in gevoelens van vriendschap, liefde en familiariteit. Het kan moeilijk zijn om die gevoelens in woorden te vangen. Sufjan Stevens beschrijft een intieme liefde in zijn nummer Futile Devices, en de verwarring die optreedt wanneer hij die liefde wil benoemen: “I think of you as my brother / Although that sounds dumb”.

Er zit een zekere plicht in families. Kinderen moeten natuurlijk verzorgd worden, en het is prettig om op elkaar te kunnen rekenen, ook als het even tegenzit. Maar ik merk dat wanneer je een bewuste keuze maakt, de verantwoordelijkheid des te makkelijker met zich meekomt. De personages in Shoplifters kozen elkaar uit en waren daarom juist extra dankbaar, wetende dat iedereen uit vrije wil bij elkaar was gekomen. (Hier heb ik het dan voornamelijk over de volwassen leden van de familie, die volledig handelingsbekwaam zijn.) Zo bewust en dankbaar leven is ook mijn doel.

Iedereen is in permanente staat van verandering, fysiek en mentaal. De wereld verandert steeds sneller en de potentie voor nieuwe omstandigheden is groter dan ooit. Daarom vind ik het belangrijk om buigzaam en ontvankelijk te blijven. Ik wil een familie die niet uitgehold wordt door een statisch ideaal – ik wil geen familie die verorberd wordt door een eeuwenoude bloedlijn. Ik heb in mijn relaties gemerkt dat het heel fijn is om verschillende rollen aan te kunnen nemen, om elkaar te erkennen als mensen die veranderen. Daarom wil ik zorgen en zorg krijgen op de manier die het beste past. Soms is dat als een gelijkgestemde broer, soms als geliefde, en soms als een grootmoeder die een (spreekwoordelijke) gebraden kalkoen serveert.

Ook adverteren op mistermotley.nl? Stuur dan een mail naar maurits@mistermotley.nl