Beelden met een pioniersfunctie – op atelierbezoek bij Erik Buijs
Als er iemand in de kunst is die met beide benen op de grond staat is het wel Erik Buijs. Met die grondhouding is hij een stabiele aanwezigheid in de Nederlandse beeldhouwkunst met herkenbare, direct aansprekende beelden die gegeven situaties bevragen en met hun verrassende aanwezigheid verwondering oproepen. Het mannetje dat in zijn werk in de meest uiteenlopende gedaanten terugkeert, vormt hij steeds weer tot een onmiskenbare buitenstaander die min of meer stampvoetend zijn inzichten kenbaar maakt. Alex de Vries bezocht het atelier van Erik.
Erik Buijs (Rhenen, 1970) leerde ik kennen in 1993. Hij was toen student aan de opleiding Architectonische Vormgeving/Monumentaal van de Hogeschool voor de Kunsten Arnhem, waar ik het kwartaalblad De Kunsten redigeerde. Buijs nam in het verlengde van de manifestatie Sonsbeek 93 deel aan een sculptuurproject.
Thema was ‘sculptuur en de openbaarheid’ binnen de inhoudelijke kaders die artistiek leider van Sonsbeek 93 Valerie Smith had benoemd. Erik Buijs maakte het beeld David, dat door de jury werd uitverkozen: een tuinkabouter die met een katapult op de glazen gevels van het iconische Rietveldgebouw van de kunstacademie schoot. Het beeld kwam op de cover van het tijdschrift De Kunsten terecht.
Die recalcitrante manier van doen bleek een grondhouding van Erik Buijs te zijn. Hij is een kunstenaar die aannames en trends principieel bevraagt. Als student van de afdeling die naam had gemaakt als ‘De Arnhemse School’ stelde hij de uitgangspunten die hoofddocent Bas Maters (1949-2006) huldigde voortdurend ter discussie. Een daarvan was dat figuratie in de omgevingsvormgeving geen inhoudelijke functie meer had. Buijs dacht er het zijne van en probeerde met een eenvoudige beeldtaal van archetypische mens- en dierfiguren die benadering te ondergraven. Na dertig jaar kunstenaarschap heeft hij met zijn beelden aangetoond dat figuratieve sculpturen er in de architectonische vormgeving nog altijd toe doen en in de openbare ruimte betekenisvol kunnen zijn.
Wat niemand op de Arnhemse academie wist, was dat Erik de zoon is van Hedda Buijs (1943) die tussen 1960 en 1965 aan dezelfde opleiding had gestudeerd. Die heette in die tijd nog ’Monumentale en versierende vormgeving’ en werd geleid door Wim van Woerkom (1905-1998) die in 1966 met pensioen ging. Hedda Buijs maakte de omwenteling in het kunstonderwijs mee die door Harrie Verburg (1914-1986), sinds 1956 de directeur van de Academie voor Beeldende Kunst in Arnhem, werd veroorzaakt. Een ambachtelijke en vakmatige benadering van de beeldende kunstdisciplines maakte plaats voor een meer ideematige en analytische benadering van het kunstenaarschap, waarbij ambachtelijke vaardigheden ondergeschikt raakten aan kunsttheoretische onderbouwing en inhoudelijke voornemens en motieven. Afkomstig van de afdeling educatie van het Haags Gemeentemuseum trok Verburg jonge docenten aan die de oude garde in Arnhem gingen vervangen. Schilderdocent Hendrik Valk (1897-1986) ging net als Van Woerkom met pensioen en Verburg trok de ZERO kunstenaar Henk Peeters (1925-2013) aan om het onderwijs te hervormen. Op voorspraak van Peeters werd in 1964 de jonge Haagse kunstenaar Peter Struycken (1939) gevraagd kleurenleer te doceren aan het basisjaar. Gerenommeerd monumentaal beeldend kunstenaar Berend Hendriks (1918-1997) uit Amsterdam werd in 1965 aangetrokken om Van Woerkom op te volgen. Samen met Struycken ontwikkelde Hendriks een nieuw programma voor de afdeling die ze ‘Monumentaal Nieuwe Stijl’ noemden, die later korte tijd ‘Omgevingsvormgeving’ heette totdat eind jaren zeventig, met de aanstelling van Bas Maters als hoofddocent, werd gekozen voor ‘Architectonische Vormgeving/Monumentaal’.
Hedda Buijs die zijn opleiding nog begon in het historische gebouw van het ‘Genootschap Kunstoefening’ aan de Coehoornstraat tegenover het station in Arnhem, maakte nog net de verhuizing mee van de Academie voor Kunst en Kunstnijverheid (ABKK) naar het gebouw van Rietveld dat in 1963 werd opgeleverd. Ook de cruciale wisseling van de wacht in het docentenbestand maakte hij aan den lijve mee.
Erik Buijs: ‘Mijn vader is kunstenaar, maar hij noemt zich “beeldend vormgever”. Inmiddels heeft hij zijn loopbaan afgesloten. Hij werkte vooral in opdracht aan de vormgeving aan gebouwen en openbare ruimtes in het stedelijke landschap in een semi-abstracte beeldtaal met vormen als golven en bollen. In die zin is hij wel een vertegenwoordiger van De Arnhemse School, hoewel hij niet echt als zodanig te boek staat. Hedda Buijs komt niet voor in de omvangrijke publicatie ‘De Arnhemse School, 25 jaar monumentale kunstpraktijk’ die in 1994 verscheen, het jaar dat zijn zoon Erik afstudeerde, die in dit boek ook niet voorkomt. De vader was te vroeg, de zoon te laat.
Hedda Buijs heeft weliswaar in zijn laatste studiejaar les gehad van Hendriks en Struycken, maar is toch vooral door Van Woerkom opgeleid. Erik Buijs op zijn beurt was een van de eerste studenten die zich tegen de richtlijnen van de opleiding verzette en voortdurend met zijn hoofddocent Bas Maters in de clinch lag.
‘Mijn vader vertelde dat Bas Maters al voordat hij toelatingsexamen deed aan de academie bij hem op het atelier kwam om materiaal en gereedschap te lenen. We woonden, nadat we uit Veenendaal waren vertrokken, in die tijd in Echteld in de Betuwe, naast het plaatselijke voetbalveld. Daardoor groeide ik op in de natuur van de Betuwe waar ik altijd bezig was met hutten bouwen. De klei, waar ik nu nog mee werk, zat daar gewoon in de grond.
Het kunstenaarsbestaan was volstrekt normaal voor me door de werkplaats van mijn vader naast ons huis. Hij was overigens veel op pad omdat hij meestal op locatie werkte. Omdat mijn vader erg dyslectisch is, deed mijn moeder, naast het huishouden, zijn bedrijfsvoering. Overigens werkte ze ook als directiesecretaris van het bejaardentehuis.
We kwamen uit het strenggelovige Veenendaal maar toen we eenmaal in Echteld woonden, maakten mijn vader en moeder zich daar los van. Ik herinner me nog wel de boekjes met Bijbelverhalen van de zondagsschool die ik heb bezocht. Op de middelbare school in Tiel zat ik niet met mijn neus in de boeken. Ik moest het meer van het doen hebben. Ik vond een uitlaatklep in de schoolkrant en ontwikkelde belangstelling voor typografie. Daarom ging ik in 1988 naar de Academie Sint Joost in Breda omdat ik letterontwerper wilde worden en die opleiding stond wat dat betreft hoog aangeschreven.
In het algemene basisjaar kwam ik erachter dat ik meer talent had voor het driedimensionale en kreeg ik het advies om sculptuur te gaan studeren. Daar heb ik toen voor gekozen en ik kreeg er les van de jonge Belgische docent Luk van Soom (1956). Hij leerde me het onderscheid tussen boetseren en kleien. Boetseren is berekender. Je werkt planmatig naar een beoogd eindresultaat. Ik ben veel meer een kleier zonder plan. Ik zie wel waar ik terecht kom.’
Als er iemand in de kunst is die met beide benen op de grond staat is het wel Erik Buijs. Met die grondhouding is hij een stabiele aanwezigheid in de Nederlandse beeldhouwkunst met herkenbare, direct aansprekende beelden die gegeven situaties bevragen en met hun verrassende aanwezigheid verwondering oproepen.
‘Op de academie in Breda dacht ik al zo. De afdeling beeldhouwen daar was nogal gesloten en was vooral gericht op het inhoudelijk ontwikkelen van een eigen identiteit, maar niet op een wisselwerking met de buitenwereld. Als ik daar vragen over stelde, kreeg ik vaak als antwoord dat ik dat ook wel aan mijn vader kon vragen. Het idee was dat het bestaan als kunstenaar een heilige roeping was, terwijl ik vooral een vak wil leren en er mijn beroep van wilde maken. Het was tenslotte een hogere beroepsopleiding, Daarom besloot ik in 1991 tijdens de herfstvakantie over te stappen naar de academie in Arnhem. Daar werd al tijdens de studie in echte opdrachtsituaties gewerkt waardoor er aan een netwerk werd gebouwd voor de latere beroepspraktijk. Om niet meteen in een verwachtingspatroon terecht te komen, vertelde ik in Arnhem niemand wie mijn vader was. Bas Maters kwam daar pas achter toen ik in 1994 afstudeerde en mijn vader bij de diploma-uitreiking was. “Als ik dat had geweten, zou ik je heel anders hebben aangepakt,” zei hij.’
In Arnhem werden de studenten uitgenodigd in te schrijven op een opdracht voor de ProbleemPleinenPrijsvraag voor de steden Bergen op Zoom en Roosendaal. Er werden voor de deelnemende studenten docenten aangewezen om ze te begeleiden. Erik Buijs en medestudente Marette Wiersema kregen designinitiator en cultuurfilosoof Geneviève van Helden toegewezen. Vanuit een theoretische benadering hamerde ze op historische verwijzingen terwijl Buijs en Wiersema zich vooral met het programma van eisen wilden verstaan. Ze gingen ter plekke in Roosendaal kijken en ontdekten dat de verkeersrouting problematisch was en dat daar in hun ontwerp een oplossing voor moest komen. Die verschillen in benadering leidde tot het beëindigen van de samenwerking met Geneviève. Omdat deelname aan de opdracht toch anoniem was, besloten Buijs en Wiersema dan maar zelfstandig, buiten de academie om, aan de prijsvraag deel te nemen. Ze wonnen de tweede prijs en kregen een behoorlijk geldbedrag en een prijzig ontwerpprogramma voor de computer. Hun voorstel zagen ze later deels terug in de herinrichting van het plein waar architect René van Zuuk een gebouw voor ontwierp.
‘Door dat succes besloot ik in 1994 af te studeren, een jaar eerder dan was gepland, ook omdat ik voortdurende conflicten had met de vaste docenten. Wel heb ik veel gehad aan de gastlessen van Berend Hendriks die al lang met pensioen was, maar op woensdagochtend nog met de studenten van gedachten kwam wisselen, omdat hij de opleiding niet los kon laten. Hij liet ons opera’s horen en vertelde verhalen over zijn praktijk en over de uitgangspunten van zijn werk.
Ik leefde op als er gastdocenten kwamen, zoals John Körmeling die aantoonde dat je als enfant terrible ook een succesvolle beroepspraktijk kon hebben. Ik ben niet bepaald cum laude afgestudeerd, maar ik presenteerde zo’n zeven verschillende werken in allerlei materialen en technieken om mijn veelzijdigheid te laten zien. Wie en wat ik wilde zijn in de beeldhouwkunst wist ik nog niet. Na het eindexamen meldde ik me bij de Sociale Dienst voor een uitkering die ik na een half jaar kreeg toegewezen, maar daar wilde ik zo snel mogelijk weer uit. Ik heb me na nog een half jaar als zelfstandig ondernemer gevestigd. Ik schreef in op de opdrachten die in BK-Informatie werden geadverteerd en slaagde erin.
Ik maakte in die tijd vooral beelden in beton, omdat ik me geen andere materialen kon veroorloven. Ik ging onder meer kleine relatiegeschenken voor bedrijven maken en bouwde zo mijn praktijk op. Ik heb erg veel gehad aan de mensen met wie ik samenwerk, de technische uitvoerders, de materiaalmensen en de organisatoren zoals indertijd Leen van Weelden van de Gelders Kunstuitleen en Wim Scheepens van Stichting Kunst en Cultuur Gelderland. Ook de Gemeenschap Beeldende Kunstenaars Gelderland heeft veel voor me betekend. Ik ben als beeldhouwer in de eigentijdse kunst dan misschien wel een eenling, maar ik red het niet zonder al die mensen om me heen.’
Met de sculptuur David voor Sonsbeek 93 had Erik Buijs, zonder dat zelf te beseffen, al zijn beeldend statement afgegeven. Hij verzette zich ermee tegen de academische voorschriften van zijn docenten die hij als Goliath voorstelde. Hij kwam erachter dat dat mannetje van klei een ultiem zelfportret was dat hij als kind al met de klei uit de Betuwse grond in elkaar kneedde.
Met die figuur kan hij op een basale manier vertellen hoe hij in het leven staat en hoe hij zich tot specifieke situaties en maatschappelijke problemen verhoudt. Het mannetje dat in zijn werk in de meest uiteenlopende gedaanten terugkeert zonder zijn directe herkenbaarheid te verliezen vormt hij steeds weer tot een onmiskenbare buitenstaander die min of meer stampvoetend zijn inzichten kenbaar maakt, maar die tegelijkertijd om zichzelf kan lachen. Op die manier spreekt zijn beeldhouwkunst tot de verbeelding en door te kiezen voor een beeldtaal van directe eenvoud en ambachtelijk vermogen slaagt hij erin met zowel vrij werk als twee tot drie opdrachten per jaar zijn zelfstandige beroepspraktijk in de beeldhouwkunst te realiseren.
Zoals Buijs zelf zegt, zijn de beelden die hij maakt niet ontleend aan een bestaand narratief, maar begint het verhaal dat hij wil vertellen met het beeld als zodanig. Zijn figuren zetten een eerste stap in een ontdekkingstocht en daaruit kun je gevolgtrekking maken; je gaat er in mee of niet.
Hoewel zijn grondfiguur altijd een onmiskenbare aanwezigheid heeft – zo’n beeld kan alleen maar van Erik Buijs zijn – heeft hij enorm gevarieerd in aard, maat, formaat, materiaal, betekenis, gewicht, idee en uitvoering.
Zijn werk kent in de figuratieve beeldhouwtraditie allerlei referenties, maar toch is ieder beeld dat hij maakt op zich een odd one out. Als je in een stadsbeeld een sculptuur van Erik Buijs tegenkomt, sta je toch altijd even te kijken met de vraag: wat heeft dit nu te betekenen? Zoals in de natuur braakliggend terrein eerst door pioniersplanten wordt begroeid, zo doen de beelden van Erik Buijs zich in de omgeving ook voor. Zijn beelden met een gekleurd hoofd die hij noemt zijn daar een goed voorbeeld van. Op het oog zijn het maar half uitgewerkte mensfiguren, bijna vormeloos, op weg om het mannetje te worden waarmee hij zichzelf in de wereld heeft geplaatst. Buijs refereert met deze sculpturen aan prehistorische beelden in de sfeer van de Venus van Willendorf, maar dan als een mannelijk equivalent. Het woord MUD is perfect gekozen, omdat het in het Engels modder betekent en in het Nederlands een oude gewichtsmaat is van pakweg zeventig kilo, met name voor een hoeveelheid aardappels, zo uit de grond getrokken. Andere beelden die naar het aardse bestaan van de mens verwijzen zijn de Totems die hij maakte en de beelden van glas of met glazen attributen die hij op het Venetiaanse glaseiland Murano laat vervaardigen.
Bij beelden van Erik Buijs moet ik denken aan mijn voorvaderen die turfgravers waren en die in plaggenhutten woonden, aan mijnwerkers en landarbeiders. Zijn zakkendragers – het zogenaamde dijkleger van de Burgers van Carnisse – die hij maakte voor de wijk Carnisselande in Barendregt, zijn daar typerend voor.
‘Mijn werk kent een uiterlijke constante, maar is toch voortdurend aan verandering onderhevig, omdat de wereld verandert. Ik werk nu bijvoorbeeld veel minder in opdracht. Er zijn minder voorstellen waarop je kunt inschrijven en de praktijk is er niet leuker op geworden. Voordat je nu aan een beeld kunt beginnen heb je al vijf vergaderingen met uiteenlopende betrokkenen achter de rug die allemaal voor hun tijd worden betaald, behalve de kunstenaar die het beeld moet maken. Op den duur is dat gewoon niet meer rendabel. Ik maak dus liever vrij werk voor de verzamelaars die ik via mijn galerie Huub Hannen op kunstbeurzen bereik en ik neem deel aan sculptuurmanifestaties en beeldenroutes zoals Art Zuid in Amsterdam.’
In 2023 werd het beeld ZIT van Erik Buijs uitgekozen voor plaatsing op het Museumplein in Amsterdam. Door de plaatsing van het typische Buijsmannetje op een menselijk bot komt meteen de gedachte van Adams rib bij je op, de schepping van de man door God naar zijn evenbeeld en van de vrouw uit een rib van Adam.
Het was een vorm van erkenning voor zijn werk die hem goed deed. ‘Ik heb een moeizame verhouding met de zogenaamde “kunstwereld”, de musea en de kunstbeschouwing. Ik heb altijd het gevoel dat ik me daarin nog waar moet maken, ook na dertig jaar, al heb ik nu wel een zichtbare aanwezigheid in het veld. Ik vond het geweldig toen ik voor het eerst werd gevraagd om een beeld te maken zonder dat ik aan een competitie moest meedoen. Dat was in 1999 voor mijn beeld in het Florapark in Nijmegen. Ik koos voor een locatie die me werd afgeraden, omdat het een hangplek voor jongeren zou zijn. Dat was ook zo, maar toen ik er na plaatsing kwam om dat mannetje met aktentas en verrekijker te documenteren vroegen die jongeren wat ik kwam doen. Ik kom voor dat beeld, zei ik. Als ik er maar wel van afbleef, want het was hun ding, kreeg ik te horen.’