Carnaval als vrijbrief om de koning te bespotten – in gesprek met Aga Rymuszka
Aga Rymuszka is een van de zes winnaars van de Buning Brongers Prijzen 2026. Mister Motley interviewt dit jaar alle kunstenaars. Romy Day Winkel spreekt Aga in haar atelier. ‘Ik ben altijd al aangetrokken geweest tot absurdistische filosofie: de zinloosheid van het menselijk bestaan, het ontbreken van een doel. Waarschijnlijk ook als reactie op de tijd waarin we leven. Het groteske dient als middel om dat te verbeelden en de overdrijving en speelsheid zijn de ‘vormen’ waarin ik die duisternis laat zien.’
Het telefoontje met het bericht dat ze de Buning Brongers Prijs had gewonnen, kwam een dag voordat de afstudeertentoonstelling van Aga Rymuszka opende. Ze was op dat moment de vloer aan het dweilen, vlak voor de eerste bezoekers zouden komen. Ze mocht het nieuws nog niet openbaar maken, maar wel aan familie en vrienden vertellen. Ze ging de opening in met een enorme boost van zelfvertrouwen.
Aga Rymuszka is geboren in Warschau en studeerde af aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten (KABK) in Den Haag. Ze werkt op groot formaat en dat blijkt na haar afstuderen meteen voor een praktisch probleem te zorgen: een eigen atelier, waarin ze een paar meter achteruit kan lopen om haar doeken te bekijken, is duur en schaars in steden als Den Haag en Rotterdam. Voorlopig schildert ze in een studio die ze deelt met een vriendin en maakt ze keramiek in de werkplaats van de KABK.
Ze speelde als kind in een kindertheatergezelschap. Als tiener stapte ze over naar de beeldende kunst, maar niet meteen; ze bereidde zich eerst voor op een opleiding toneelvormgeving in Wrocław, maakte maquettes, ging naar voorstellingen, las over theater. Ze werd toegelaten, maar besloot toch te vertrekken, het land uit, om in plaats daarvan beeldende kunst te gaan studeren. In een theaterproductie is ze, zoals ze het zelf noemt, vooral uitvoerend aan het werk; onderdeel van een collectief apparaat. Wat ze echt wilde was een eigen praktijk. De liefde voor het theater bleef, waardoor de poppen en figuren uit die wereld langzaam maar zeker in haar schilderwerk begonnen op te duiken. Ook de rest van haar beeldtaal verwijst daarnaar: circus, carnaval, rondtrekkende theatergezelschappen.
Rymuszka studeerde niet alleen in Nederland. Ze ging voor een uitwisseling naar Spanje en woonde een jaar in Italië voordat ze in Den Haag verderging. Ze merkte dat elk land zijn eigen kunststromingen meebracht: in Italië was de invloed van arte povera nog voelbaar aanwezig, in Spanje het surrealisme en in Nederland vooral de conceptuele en abstracte kunst. Ze zegt bewust afstand te willen houden van trends, maar erkent tegelijkertijd dat dat haast onmogelijk is. In Spanje schilderde ze veel met felle kleuren, sinds ze terug is in Nederland is haar palet bruiner geworden. Ze wijt dat, half lachend, aan het licht, het weer, haar algehele stemming in Nederland.
Ook bij het vinden van inspirerend beeldmateriaal wordt ze sterk door haar fysieke omgeving beïnvloed. Ze werkt met een uitgebreid archief van gevonden foto’s: boeken, albums, oude kranten, beelden van het poppentheater en het circus, maar ook familiefoto’s. Tijdens haar uitwisseling in Barcelona kocht ze een boek met oude burlesk-foto’s, waar ze een tijd lang mee werkte.
In het atelier
Haar dag begint met lezen. Daardoor beginnen, zo zegt ze, ‘haar hersenen te werken’. Dan gaat ze voor een leeg doek zitten, kijkt, schetst, doorzoekt haar referenties. Ze begint met een vaag idee, bouwt daar een dossier van gevonden beeldmateriaal omheen, kiest een compositie en figuren. Het uitzetten van die compositie gebeurt met een lange houten stok. Dan staat ze op tafel en tekent ze een opzet op een groot doek dat tegen de muur staat. De figuren die ze uit haar archief kiest, veranderen tijdens het schilderen zo drastisch, dat uiteindelijk vaak niet meer te zien is welk beeld, welke persoon of welke pop aan de basis stond. Het is ook fysiek werk: ladders en tafels verschuiven, naar achteren lopen om te zien hoe het van een afstand oogt, weer de tafel op.
Je werk zit vol clowns, poppenspelers, carnavalsfiguren, met soms een haast sinistere ondertoon. Wat betekent dat groteske voor jou?
Aga Rymuszka
Ik denk dat het vooral gaat om de afwezigheid van regels. De breedste definitie van ‘het groteske’ is alles wat buiten de gevestigde orde valt, buiten de sociale norm, en dat kan dus van alles zijn. Het is ook een overdrijving van vormen. Het woord zelf komt daaruit voort: in het Italiaans is ‘grot’ grotto. Er bestaat een verhaal dat iemand in Italië ooit in een grot viel en daar tekeningen van bloemen, mensen en dieren in elkaar over zag lopen, omdat in het donker niet goed te zien was waar het ene beeld ophield en het andere begon. Die ongewone samensmelting is waar het woord grotesk vandaan zou komen.
Die duisternis van de grot, zit die er voor jou ook in?
Ja, ik denk dat er een onderliggende duisternis in mijn werk zit, iets licht sinisters. Maar ik vind het tegelijk heel speels. Die twee uitersten zijn voor mij met elkaar verweven. Ik ben altijd al aangetrokken geweest tot absurdistische filosofie: de zinloosheid van het menselijk bestaan, het ontbreken van een doel. Waarschijnlijk ook als reactie op de tijd waarin we leven. Het groteske dient als middel om dat te verbeelden en de overdrijving en speelsheid zijn de ‘vormen’ waarin ik die duisternis laat zien. Het speelse verhult de duisternis dus niet, het maakt het juist mogelijk om ernaar te blijven kijken.
Dat haar beeldtaal met al haar poppen, optochten en het carnaval een jarentwintigsfeer ademt, is volgens haar niet bewust gekozen, maar organisch ontstaan. Ze wijst erop dat we honderd jaar na de roaring twenties leven en dat geschiedenis nu eenmaal in cirkels lijkt te bewegen. Tijdens ons gesprek moest ik denken aan de Duitse filosoof Walter Benjamin. Hij beschreef in de jaren dertig van de vorige eeuw hoe mensen in tijden van economische crisis en oorlogsdreiging worden aangetrokken tot het barokke en het ornamentele, in plaats van tot een strenge, sobere esthetiek. Rymuszka herkent dat fenomeen in haar eigen werk. Tegen het einde van ons gesprek voegt ze daar nog iets aan toe, over het woord ‘carnaval’: dat komt uit het Latijn en betekent zoiets als het ‘afstand doen van vlees’. Carnaval fungeerde in eerste instantie als een decadent feest vlak voor de vastentijd. Die overdaad sluit voor haar direct aan bij haar interesse in overdrijving. Historisch gaf het carnaval mensen zonder macht de vrijheid om zich als koning te verkleden of de paus te bespotten zonder gestraft te worden. Een tijdelijke omkering van de hiërarchie, een uitlaatklep voor het absurde van het bestaan zelf.
Je hebt een technische academische achtergrond. Wat heb je daarvan meegenomen? Moest je ook dingen afleren?
Ik heb een stevige basis in tekenen en schilderen en dat vind ik nog steeds heel bruikbaar, maar ik heb ook veel moeten afleren. Ik vind mijn werk van vroeger met terugwerkende kracht te gedetailleerd, te afgemaakt. Dat probeer ik nu juist te vermijden. Ik gebruik veel lege ruimtes, of laat delen van het werk onaf, met de schets nog zichtbaar. Toch is mijn proces op een bepaalde manier nog steeds ouderwets: als een doek wit geprepareerd is, haal ik eerst dat wit weg voordat ik erop begin te schetsen. Ik koop het liefst doeken waarvan je de draad nog kunt zien.
Wanneer weet je dat een werk af is?
Ik hou er niet van als een werk overdone is. Ik bewonder schilders die het talent hebben om te voelen wanneer een werk precies genoeg is; niet te weinig, maar ook niet te veel. Martin Kippenberger had dat volgens mij: hij maakte zijn werk op een manier af die voor mij vaak onverwacht is. Dat probeer ik ook te doen. Vaak begin ik met het idee dat ik het hele doek dik ga beschilderen en dan blijft er na de schets en een eerste laag een groot onaangeraakt vlak over. Dan kijk ik ernaar en denk ik: dit werkt eigenlijk al. Dat betekent dat ik er niet meer aan mag komen, want dan verliest het die lichtheid. Bij het grote formaat waarop ik schilder, moet een werk ook ademruimte hebben.
Ze wordt weleens vergeleken met James Ensor en Francis Bacon, met de laatste vooral qua werkwijze, omdat Bacon eveneens knipsels uit kranten verzamelde. Rymuszka ziet die overeenkomsten als grotendeels toevallig: wie clowns schildert, komt nu eenmaal snel in de buurt van Ensor; wie dood vlees schildert, zoals zij deed voor een van haar afstudeerwerken, ontkomt niet aan een eeuwenoude schildertraditie waar Bacon en verschillende oude meesters deel van uitmaken. Ze noemt zelf liever kunstenaars als Pat Andrea, die ze persoonlijk ontmoette, of Greer Lankton, vanwege haar groteske papier-maché-beelden en zelfportretten.
Een vervolgopleiding komt er voorlopig niet voor Rymuszka; ze wil eerst meer werkervaring opdoen. Ze denkt dat ze daar later meer aan zal hebben dan meteen weer in een opleiding te stappen. Voor nu blijft ze zoeken naar figuren in haar archief die ze grondig genoeg kan herschilderen om ze onherkenbaar te maken.
Over de Buning Brongers Prijzen
De Buning Brongers Prijs is een Nederlandse kunstprijs voor jonge beeldend kunstenaars. De prijzen worden eens in de twee jaar uitgereikt door de Buning Brongers Stichting uit de nalatenschap van Johan Buning en zijn familie. De prijs bestaat dit jaar 60 jaar en is sinds 1966 uitgereikt aan 174 kunstenaars. Aan de prijs is een geldbedrag verbonden van € 4.500 per winnaar. De kandidaten voor de prijs zijn de afgelopen twee jaar afgestudeerd aan kunstacademies in Nederland en voorgedragen door hun academie. De prijsuitreiking en opening van de tentoonstelling van de zes winnaars vinden plaats op vrijdag 13 november in Arti et Amicitiae te Amsterdam. Je bent van harte uitgenodigd hierbij aanwezig te zijn.
Een gesprek over kunst en kwaliteit in Spui 25
Voorafgaand aan de prijsuitreiking in Arti et Amicitiae organiseert de stichting een gesprek over kunst en kwaliteit in Spui 25. Hans den Hartog Jager en Heske ten Cate geven elk een presentatie waarin ze dieper ingaan op hun persoonlijke ervaringen en inzichten. Aansluitend gaan Dineke Blom, Ricardo van Eyk en Robert Zandvliet met elkaar in gesprek. Je bent ook hier van harte welkom!