Dag kantoor, dag werkplek, hallo vakantie – over Out of Office (Still Here) in Nest
Het is zomer. Dat betekent: ‘dag kantoor, dag werkplek, hallo vakantie.’ Eindelijk lekker naar het buitenland! Toch? Dat geldt niet voor iedereen. Met de groepstentoonstelling Out of Office (Still Here) richt kunstruimte Nest in Den Haag zich op de thuisblijvers en toont het belang van spelen in de kunst.
De twee jonge zusjes Wilmering deden net alsof ze op vakantie gingen. Ze zaten samen op de grond in hun kinderkamer in Haarlem, de één zittend voor de ander, spelend dat ze met de auto naar het vakantieadres gingen. De ruzies over rijgedrag maakten serieus indruk. Ook zetten de zusjes binnen in huis een tent op. Ze stoeiden met rollen wc-papier alsof ze op de camping waren. Of ze werden onderweg ineens getroffen door een zwaar onweer. Ondertussen stuurden ze verzonnen vriendinnen ansichtkaarten met verslagen over hoe deze zelfbedachte vakanties telkens weer mislukten.
Er werden destijds negen afleveringen van deze gespeelde vakanties gemaakt. En enkele jaren geleden, ten tijde van de Covid-pandemie, gebruikte Vita Soul Wilmering, inmiddels kunstenaar, de oude tapes die ze met haar zusje Parel maakte voor een extra aflevering: De Mislukte Vakantie Deel 10.
In dit werk, te zien in Nest, vermengt ze de oude beelden met andere homevideo’s van het gezin en met beelden uit het fotoarchief van haar inmiddels gescheiden ouders. Dat laatste zet het geheel op scherp als blijkt dat beiden – vader én moeder – afzonderlijk foto’s van elkaar maakten tijdens een gezamenlijke familievakantie. Deze foto’s werden van een afstand genomen zonder dat de ander daar weet van had. In deel 10 vertelt Wilmering dat zij zich niet goed kan herinneren of De Mislukte Vakantie-tapes destijds voor of na die ene vakantie zijn gemaakt. Wat een zomervakantie al niet vermag. Precies die vraag staat centraal bij de tentoonstelling Out of Office (Still Here) in Nest. Zo vanzelfsprekend als op vakantie gaan misschien lijkt, dat is niet altijd zo geweest en geldt ook zeker niet voor iedereen.
Zo toont bijvoorbeeld de Franse kunstenares Céline Condorelli de veranderde ideeën over vrijetijdsbesteding en de (on)toegankelijkheid ervan, door te wijzen op alle jaartallen waarin internationale toernooien van verschillende sporten voor het eerst toegankelijk werden voor vrouwen. Zo duurde het tot ver in de jaren zeventig voordat dergelijke toernooien werden georganiseerd voor Petanque (lees Jeu de boules).
In Nest heeft Condorelli verschillende sportvelden met de bekende veelkleurige belijningen afgebakend alsof de ruimte zelf een sporthal betreft. Bij een van de vele lijnen staat het jaartal van openstelling voor vrouwen geschreven. Het is een eenvoudig en krachtig statement, juist ook omdat het streven naar sociale rechtvaardigheid aan de basis stond van het hebben van vakantie, het verkrijgen van vrije tijd.
In Nederland pleitten verschillende politici ruim een eeuw geleden voor de invoering van een achturige werkdag. Dat lukte, maar lange tijd was daarbij wel sprake van een werkweek van zes dagen: derhalve een 48-urige werkweek. Men genoot decennialang van de zondagsrust, maar betaalde vakantiedagen en de vrije zaterdag kwamen er pas vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw. Buiten Nederland werd het recht op vakantie eerder wettelijk vastgelegd.
Het gevolg van deze betaalde vakantiedagen was de opkomst van massatoerisme: steeds meer mensen konden op vakantie en zochten naar plekken en handelingen om hun vrije tijd mee in te vullen. Zo schijnt eind jaren vijftig in Nederland korte tijd het zogenaamde bermtoerisme zeer geliefd te zijn geweest. Je tent opzetten in de berm van een snelweg en dan op een stoeltje kijken naar voorbijrazende auto’s en vrachtwagens was een serieus populaire vakantiebezigheid.
Het zijn zomaar wat feitelijkheden over het ontstaan van vrije tijd: een verworvenheid die voor grote delen van de maatschappij lange tijd niet tot de mogelijkheden behoorde. En dus ook tegenwoordig nog steeds voor sommige groepen in de samenleving lastig toegankelijk is. Geld- of tijdgebrek maakt dat mensen niet weg kunnen.
‘De grote oorspronkelijke activiteiten van de menselijke samenleving zijn alle reeds doorweven van spel,’ schreef de Nederlandse historicus Johan Huizinga in 1938 in zijn inmiddels wereldberoemde boek Homo Ludens, de Spelende Mens.
Voor Huizinga was het spel alomtegenwoordig in de culturele uitingen van mensen. Het gaat dus niet om een handeling die naast zaken als kunst, rechtspraak, politiek, sport of vrijetijdsbestedingen staat, maar het spel is juist datgene wat alle menselijke culturele uitingen kenmerkt. In de inleiding van het boek maakte Huizinga duidelijk dat die gedachte vaak voor verwarring zorgde. Tijdens lezingen en gesprekken met zijn mede-wetenschappers werden zijn geschriften door hen vaak aangepast. Waar Huizinga schreef ‘spelelement van cultuur’ werd dat steevast veranderd in ‘spelelement in cultuur’. Een verschil dat Huizinga juist als de kern van zijn betoog zag. ‘Het was voor mij niet de vraag welke plaats het spel temidden van de overige cultuurverschijnselen inneemt, maar in hoeverre de cultuur zelf spelkarakter draagt.’
Cruciaal zijn de door hem waargenomen kenmerken van spelen. Volgens Huizinga ontstaat het spel altijd zonder dwang én zorgt het voor een relativering van de ernst, zonder de kracht van deze ernst te verliezen. Anders gezegd: spelen betekent iets onbelangrijks heel belangrijk maken en dat proces direct weer te kunnen relativeren. Deze eigenschap maakt dat je tijdens het spelen, volledig op kunt gaan in het spel.
‘Naar de vorm beschouwd kan men dus, samenvattend, het spel noemen een vrije handeling, die als ‘niet gemeend’ en buiten het gewone leven staande bewust is, die niettemin de speler geheel in beslag kan nemen,’ schreef Huizinga. Het is dat wonderlijke samengaan van ernst en relativering en de mogelijkheid om er volledig in op te gaan die voor hem het spel kenmerkt. Dat dit ook voor kunst geldt maken de twee werken van de Portugese kunstenares Priscila Fernandes in Nest duidelijk.
Allereerst is er ‘The Waterslide of Abstract Art’. Op een grote wand wordt de ontwikkelingen in de abstracte kunst afgezet tegenover de ontwikkelingen op het gebied van vrijetijdsbesteding. Zo wordt het werk Tete Noir II van Armando uit 1956 afgezet tegen de opkomst van waterskiën in datzelfde jaar; Broken Circle/ Spiral Hill uit 1970 van Robert Smithson in Emmen verbonden aan de toenemende populariteit van rollerskates en longboard skateboarden; of ‘Abstract’ van Giacomo Balla uit 1912 aan de opkomst van spa-baden en ‘Laziness as the real truth of mankind’ van Malevich uit 1920 gekoppeld aan beach volleybal. Het vermengen van beide stromingen benadrukt de speelsheid in abstracte kunst en zorgt voor een goed humeur; iets wat het andere werk van Fernandes nog weer versterkt.
Het is een video-installatie getiteld ‘Make it Bounce’ waarin Marcel Duchamp wordt opgevoerd als een kikker die niet meer kan springen en daarom te rade gaat bij Piet Mondriaan in de gedaante van een slang die yoga beoefent. Het klinkt kinderlijk, maar de uitkomst van hun gesprek is voor de kijker tegelijkertijd grappig en inspirerend: juist omdat je de vrijheid van het spelen voelt. Fernandes toont met haar werken precies die wonderlijke combinatie van pure ernst en relativering.
Daarbij stelt ze ook een andere, zeer relevante de vraag: is vakantie eigenlijk wel iets om na te streven? Is iedereen die op vakantie gaat inderdaad een winnaar, en zijn alle thuisblijvers de grote verliezers? Er zijn voldoende redenen te bedenken die vakantie en vrije tijd niet noodzakelijk goed of nastrevenswaardigs maken. Inpak-stress, het noodgedwongen-te-lang-te-dicht-op-elkaar-zitten, keer op keer gevangen worden door weer een toeristenfuik, of een voortdurend FOMO-gevoel. Dat zijn zomaar wat praktische bezwaren. Interessanter is het idee dat vakantie of vrije tijd tegenover werk wordt gezet alsof het over goed en kwaad gaat. De uren op kantoor zijn een vervelende noodzakelijkheid, je leven begint pas echt als je vrije tijd, vakantie hebt. Gij zult jezelf vermaken!
Afhankelijk van de aard van het werk zou dit zwart-wit denken kunnen kloppen. En daarom spreekt het interview dat de Haagse stadstekenaar Philip Akkerman gaf over zijn bijdragen aan de tentoonstelling misschien nog wel het meest tot de verbeelding voor alle thuisblijvers.
Op de vraag hoe Akkerman zijn werk ziet in de context van ‘toegang tot vrije tijd en ontspanning in de vakantie’ antwoordde hij: ‘In mijn leven is er geen vakantie. Ik wil schilderen en schilderen.’
-Maar voelt je kunstenaarschap meer als spelen of als werk?
-Voor mij is schilderen een mix van werken en spelen; allebei tegelijkertijd.’
-En wat doe je dan graag in je vrije tijd?
-Schilderen.’
Je hoort Johan Huizinga vanuit zijn graf heel hard juichen. En je wenst alle thuisblijvers – noodzakelijk of niet – een spelend en ‘bouncend’ leven toe.