Dat wat blijft plakken
Helena Julian schreef een essay naar aanleiding van The yolk’s on you, een tentoonstelling van het resort die plaatsvindt in het Groningse Cafetaria Koning. ‘In Groningen zat ik in een cirkel met Natasja Mabesoone, Josse Pyl, Jesse Strikwerda en Tim Depraetere. Rond een uur of halftwaalf, met koffie, geen friet. Dat wij – het veronderstelde wij dat werkt in de culturele sector – op dat uur niet te vinden waren in een snackbar, zegt ook iets over patronen: over sociale klassen, werktijden, voorkeuren. Er zijn genoeg mensen met een ander ritme, een ander dagelijks patroon, een andere verhouding tot de snackbar. We bespraken de uitnodiging van het resort aan de kunstenaars om tijdens de residentieperiode nieuw werk te maken in de context van een Groningse snackbar.’
Ik wil het niet groter maken dan het is. Het is zelden meer dan vijftig vierkante meter. Er werken bijna nooit meer dan vijf mensen, en dan alleen tijdens de spitsuren. Het kost niet meer dan tien euro per persoon. En het zou kunnen dat het op een dag verdwijnt, zoals zoveel andere ‘kleine zelfstandigen’: krantenwinkels, kruideniers, bakkers, slagerijen. En frituren, oftewel: snackbars.
Het is niet groot omdat het, denk ik, niet groot tracht te zijn. Noem het bescheiden; het is vooral oprecht. Het is warm, zout, vet voedsel. Het gaat snel, maar de aardappel wordt in het beste geval nog met de hand gesneden. Het is dichtbij, maar je moet wel even dat blokje omlopen.
Je loopt terug naar huis met een dampende plastic zak in je hand. In de koude winterlucht snijdt de zoute geur scherp in je neus. In de warme zomerlucht mengt de vettige geur zich met de weeïgheid van de stad: warme straattegels die weer afkoelen, bloemen in hun laatste bloei van het seizoen, sigarettenrook vanaf de terrassen.
Het is niet groot, maar uitgebreid zijn de mogelijkheden en voorkeuren. De dampende zak gloeiendhete aardappelen, idealiter niet één maar twee keer in papier verpakt. Aan de bovenkant een scheur, aangebracht met een extreem kundige nonchalance – een laatste detail van de chef, op hetzelfde moment waarop ze in een keuken van een sterrenrestaurant ‘service!’ roepen. Geen zout op de frieten als ze warm zijn; daar worden ze week van. Een recente ontdekking op frietkundig niveau waar men vroeger niets van afwist, en ik weet nog steeds niet of het klopt. Toen ik jonger was, zat er gewoon zout op de friet, al in de zak.
De wandeling naar huis is doelgericht, want er is een taak: de friet zo warm mogelijk thuisbrengen. Uit de scheur in het papier trek je onderweg een paar losse frieten, de verste, de knapperigste, goed gezouten omdat ze bovenop liggen. Een eenpersoons delicatesse, het privilege van degene die de friet haalt, voordat het papier thuis wordt opengescheurd. Een bonus, een fooi, die je voorzichtig moet opeten om je tong niet te branden.
In het midden van de tafel wordt de zak vervolgens opengescheurd. Er zijn huishoudens, nu en vroeger, waar borden worden gehaald om de frieten vanaf te eten. Dat lijkt tijdrovend. Een koud bord bovendien, waarom zou je dat willen? Op de aardappelberg blijven frieten het langste warm. Naast die berg kleine rondjes, sauspotjes, voor ieder eentje naar voorkeur. Het eenvoudige succes van het opengescheurde papier is dat je alles na de maaltijd kunt dichtplooien. Meteen de vuilnisbak in, want frieten worden niet bewaard. Dat heeft geen zin. Ze worden nooit meer zo knapperig als ze waren. Eten tot je vol zit, daarna is het klaar.
Niet dat er ooit meer overblijft dan dat bodempje snippers die net te doorbakken zijn. In het openvouwen en dichtvouwen van het papier zit het hele feest. Wanneer ouders na een lange dag niet aan koken toekomen, is er altijd nog de frituur. Misschien voelt dat voor hen als falen. Het is niet het meest voedingsrijke avondmaal en slechte gewoontes beginnen met slechte voorbeelden. Bovendien is het lastig te voorspellen wat de combinatie van frisdrank en vet met het energielevel van de kinderen laat op de dag doet. Maar ik denk niet dat er ooit een kind is geweest dat niet blij werd door de aankondiging dat men die avond naar de snackbar zou gaan. Een groot feest op kleine schaal. Geen afwas daarna. Iedereen tevreden.
Het komt door mijn vak als kunsthistoricus, denk ik, dat ik woorden zoek voor iets wat vanzelf spreekt. Misschien was het gewoon intimiteit, zonder dat ik het toen zo noemde. Al voelt het overdreven om een groot woord te koppelen aan iets wat juist ontstaat uit spontaniteit, zonder plan, zonder opsmuk. Misschien is het net andersom. Misschien was het intimiteit die ik toen voelde, met mijn gezin, met vrienden uit de buurt en later met studiegenoten, en was de snackbar een van de plekken waar die nabijheid, die vanzelfsprekendheid, kon bestaan. Dat klinkt meer waar.
Het is een samengebalde, maar ongedwongen plek. Ik leerde er veel. Bij ons om de hoek zat een frituur die werd uitgebaat door twee mannen. Ze heetten Jan en Theo. Ik herinner me deze twee namen meteen, hoewel ik al meer dan vijftien jaar niet aan hen heb gedacht. Jan en Theo waren elkaars partners. Ze spraken over elkaar als ‘mijn man’. Daar werd, zover ik weet, niet moeilijk over gedaan door de buurt. Het was gewoon zo. Ze hadden de beste frieten en een goed terras. In mijn herinnering hadden ze altijd de hippe radiozender op staan, niet de zender die ze in de supermarkt draaiden.
Als mijn vrienden en ik met euromunten een ijsje bij Jan en Theo kwamen halen, hoorde ik hoe het met gezinnen uit de buurt ging. Ik leerde ook te onthouden wat mensen om mij heen steeds bestelden. Ik wist wat mijn gezin bestelde, weet dat nu nog steeds. Net als die ene, uiterst specifieke en nodeloos ingewikkelde bestelling van mijn studievriendin. Ondanks de vele uitzonderingen die ze verzocht, kreeg ze het altijd voor elkaar, omdat ze het zo aardig vroeg.
Ik weet de bestellingen van mijn vrienden nu. Ik weet dat Lotte sowieso geen ui wil, op niets. Ook geen koriander overigens, maar dat kom je in de frituur minder vaak tegen. Ik moet steeds lachen om die ene vriend die joppiesaus blijft bestellen. Dertigplus en joppiesaus. Soms heb je gewoon zin in waar je zin in hebt. Inmiddels plaatst hij in mijn bijzijn zijn bestelling extra luid .
Het is niet groot, maar het is een manier om elkaar te leren kennen, ten goede of ten kwade. Het herinnert je eraan dat je ook zelf voorspelbaar bent, dat iemand je patronen kent. En dat mensen al zo lang in je leven zijn dat je ze niets meer hoeft te vertellen. Dat je gewoontes en voorkeuren gezien en gehoord worden.
In Groningen zat ik in een cirkel met Natasja Mabesoone, Josse Pyl, Jesse Strikwerda en Tim Depraetere (de eerste drie zijn de kunstenaars die in residentie zijn bij de snackbar, de laatste is muzikant, red). Rond een uur of halftwaalf, met koffie, geen friet. Dat wij – het veronderstelde wij dat werkt in de culturele sector – op dat uur niet te vinden waren in een snackbar, zegt ook iets over patronen: over sociale klassen, werktijden, voorkeuren. Er zijn genoeg mensen met een ander ritme, een ander dagelijks patroon, een andere verhouding tot de snackbar. We bespraken de uitnodiging van het resort aan de kunstenaars om tijdens de residentieperiode nieuw werk te maken in de context van een Groningse snackbar.
Cafetaria Koning bestaat sinds 1945, al zat het toen nog op een andere plek in de stad. Stel je voor hoeveel gewoontes en routines de snackbar in die decennia heeft meegemaakt. Jesse draaide tijdens zijn residentieperiode in Groningen een dag mee in de bediening. Hij zag enkele van die patronen van dichtbij, alsof de cafetaria een plek is waar sociale en economische achtergronden misschien heel even oplossen. ‘Sommige mensen bellen om hun bestelling door te geven, halen de frieten op en verdwijnen weer, anderen blijven zitten en praten.’ Er zijn mensen die er liever niet gezien worden, of juist wél, omdat het volgens hen nu eenmaal wel of niet zo hoort. Misschien schaam je je wanneer je hele frituurbestelling luid wordt opgelezen. Dat is wel een héél lange lijst. Hopelijk wachten er thuis veel mensen. Misschien schaam je je ook wanneer een medewerker je verwelkomt met de vraag: ‘Hetzelfde als altijd?’ Maar voor de medewerkers is het een gebaar van gastvrijheid, van herkenning, van waardering ook: dat je een vaste klant bent. Het gebaar is goedbedoeld en genegen.
Tim benoemde het als een gevoel van opstandigheid, wanneer iemand hem die vraag stelt. Alsof iemand te veel van hem weet. Alsof hij niet meer zijn eigen keuzes maakt, niet origineel is, in patronen valt. Nee, niet hetzelfde als altijd, wil je dan zeggen. Iets totaal anders, zelfs. Avontuurlijk, geïnspireerd, mee met een nieuwe trend. Of nee, doe toch maar mijn favoriete combinatie. Om hier op te eten, daar aan het raam is goed. Dank je wel.
De honger en de voorkeur kennen hun weg rond de beknopte menukaart. Als je dat kleine ongemak van nabijheid en herkenning toelaat, ontstaat er misschien wel iets als een gemeenschap of buurtschap. Intimiteit en schaamte liggen dan ook dicht bij elkaar. Zoals na het uitgaan in fel tl-licht naar elkaars gezicht kijken terwijl je iets groots en vettigs wegwerkt.
Er hangt sowieso iets schaamtevols rond veel en zwaar eten. ‘Een gedeelde zonde,’ zei Natasja. Op een eerste date bestel je liever geen dubbele hamburger en veeg je je mondhoeken zorgvuldig schoon na elke twee happen. Natasja stelde dat iets ongezonds eten soms als een taboe kan aanvoelen. Iets wat je liever niet meteen laat zien. Een persoonlijke voorkeur die je pas op een later moment deelt.
Jesse vertelde dat hij dat dagelijkse aftasten van normen en rollen – precies dit soort momenten – als zijn materiaal ziet. Net zoals in een theaterstuk waarin decors en acteurs gewisseld worden, spelen mensen op de ene plek een rol en op de andere weer een andere rol. Dagelijkse routines en structuren worden zo vignetten van sociale codes, gewoontes van groepen en individuen en in bredere zin van politieke en economische structuren. Zijn interesse gaat uit naar het moment waarop individuen beseffen dat ze een rol spelen, ook als dat onuitgesproken blijft.
Ook Cafetaria Koning is een decor. Alle drie de kunstenaars werden naast de functie en lokaliteit van de plek aangetrokken door haar zintuiglijkheid: het licht, de geur, het vet, het ritme van de machines, de nabijheid van andere klanten.
Een snackbar is een plek waar een ervaring nooit zonder ruis is. De geur van decennia aan frietvet zit in de muren. De bruingele vloertegels doen denken aan de late jaren zeventig, maar ze zouden ook jaren negentig kunnen zijn. Op de muren hangen, tussen de namen van snacks in verschillende typografieën, kindertekeningen, prullaria en post-its met vriendelijke boodschappen van klanten. Verschillende soorten plakband houden de paperassen op hun plek: lagen tape uit verschillende tijden.
Voor Josse, die regelmatig in situ in grote formele gebouwen en locaties werkt, was het een welkome opdracht om te werken in een plek die compact, verweven, niet-monumentaal is. Natasja ging in haar werkperiode op zoek naar schalen en lagen. Heel concreet vond ze die in de merkwaardige, in lagen bereide en vertrouwde Groningse frituursnack: de eierbal. Maar ook abstract, in het zien van de snackbar als een verzameling lagen: van geschiedenis, van taal, van reclame, maar ook van vet – op de snacks en aan de vingertoppen.“Ook dit is erfgoed,’ besluiten de kunstenaars samen. Niet alleen dat wat stilstaat in de tijd en bewaard en beschermd wordt, maar juist ook dat wat half bewaard, half doorleefd is. Wat afbladert, herschikt wordt, wat samen beleefd, gegeten en werkelijk gedeeld wordt.
De kunstwerken die hier getoond worden willen niet boven hun omgeving uitstijgen, maar erin opgaan. Ze willen deelnemen aan die mengelmoes van vet, licht en geluid. Niet méér zijn dan één laag tussen de andere. Kunst kan besmeurd worden door het dagelijkse leven – en wordt dat idealiter ook. Een rest saus, een vingerafdruk, een stukje tape dat loslaat. Geen ingekaderde tekeningen, maar een vel papier vastgezet met plakband op de deur naar de keuken. Het beeld hoeft niet eeuwig of afgebakend te zijn om waarde te hebben. Het kunstwerk mag deelnemen aan het leven, aan de zintuiglijkheid; aan de consumptie van de cafetaria. Ook dat is misschien een vorm van intimiteit: dat het werk zich laat aanraken door zijn omgeving. Intimiteit niet uit de weg gaan biedt weerstand aan afstandelijkheid. Wat als kunst niet glanst, maar plakt? Als het werk niet boven het leven zweeft, maar zich eraan hecht: aan muren, aan handen, aan tijd?
Volgens Natasja zit er iets poëtisch in die vluchtigheid. Een frietje wordt koud, een tekening vergeelt. Een vlek verdwijnt, maar laat iets anders achter. Dat is niet het verdwijnen van betekenis, maar precies waar het om draait: dat iets kort bestaat, gedeeld wordt en daarna gewoon weer onderdeel wordt van het alledaagse. Misschien is dat de vorm van intimiteit die overblijft: dat wat niet bewaard, maar groots beleefd en herinnerd wordt.
–
Deze tekst is geschreven door Helena Julian in het kader van de expositie S08E02: The yolk’s on you van het resort in Cafetaria Koning, met nieuw werk van Natasja Mabesoone, Jesse Strikwerda en Josse Pyl. De tentoonstelling is nog tot en met 12 december 2025 te zien. Meer informatie op de website van het resort.