De bal is rond – als voetbal en kunst elkaar ontmoeten
Voetballers brengen mensen samen met hun spel. Kunstenaars doen dat met hun kunst. Wat gebeurt er als deze twee werelden elkaar ontmoeten op een Gronings sportpark, net buiten de ring van de stad? Onbegrip? Competitie? Verbazing? Of juist een omarmen van elkaars tekortkomingen? Lachend? Lallend? Liefhebbend? Op verzoek van Het resort maakten Elen Braga, William Ludwig Lutgens en Karina Beumer een werk te maken bij Voetbal Vereniging Korreweg (V.V.K.) in Groningen. Arthur van den Boogaard reageerde met een essay.
Ze waren met een groepje geweest en ze moesten iets. Wie met het idee kwam, was onduidelijk. Maar toen het op een dag werd geopperd, wisten ze dat het klopte. Als het vierde zaterdagelftal van Voetbal Vereniging Korreweg (V.V.K.) zouden ze een daad stellen: een daad vol dankbaarheid en weemoed.
Hun sportpark De Hoogte, sinds 1952 omringd door de gelijknamige Groningse volkswijk, waar de kantine voor bewoners als een huiskamer voelde en waar op het veld zoveel heroïsche wedstrijden waren gespeeld; die plek moest plaatsmaken voor woningen, flatgebouwen. Alles zou verdwijnen: ook de clubhuismuur met daarop de vier karakteriserende woorden: Klein, Brutaal, Warm en Sociaal. De ‘vooruitgang’ was niet meer tegen te houden, maar zij gingen één deel redden: redden voor de eeuwigheid. Gewapend met een scherpe spade ontdeden ze het hoofdveld van de middenstip en namen een fikse kluit aarde en een rondje witte kalk klevend aan groene grassprieten met zich mee.
Thuis pasten de zwarte aarde, het groene gras en de witte stip precies in een plexiglazen bak. De clubkleuren – groen en wit – sierden ook het houten bord waarop de bak met de middenstip werd bevestigd. Ze schilderden de lijnen van een voetbalveld op het bord en, aan weerszijden van de ingepakte stip, een oud en een nieuw V.V.K.-clublogo. ‘Ter nagedachtenis aan sportpark de Hoogte,’ schreven ze eronder.
Bij de feestelijke overgang naar het nieuwe sportpark het Noorden, aan de andere kant van de ringweg, werd het houten bord met de middenstip aangeboden aan het bestuur. Opdat men niet zou vergeten. Er had applaus geklonken en vooral het geschilderde begrafeniskruisje voor het jaartal 2008, het laatste jaar van V.V.K. in hun wijk en het gelijknamige sportpark De Hoogte, zorgde voor veel herkenning. Ter nagedachtenis, zo was het.
Zij kwamen jaren later, alleen, een team, naar Groningen: de drie kunstenaars. Woonachtig in België, blij met de uitnodiging van het resort en alle drie met een eigen verleden met voetbal. Bij Elen Braga was dat verleden als geboren Braziliaanse het sterkst: elke zondag Corinthians op de televisie en op feestjes altijd driblar: straatvoetballende feestgangers die elkaar, zonder goaltjes, overtoepen met schijnbewegingen, hooghouden of panna-trucs.
Ook in de jeugd van William Ludwig Lutgens werd gevoetbald: voor hem een reden om snel weg te lopen. Hij zat liever in een hoekje, te tekenen. Niet dat hij niet sportief was: jarenlang had hij de klimsport boulderen beoefend. Vanwege reuma was dat inmiddels jammer genoeg niet meer mogelijk.
Karina Beumer was sinds haar afstuderen van de Antwerpse Koninklijke Academie in 2012 ineens begonnen met het uitknippen van foto’s van voetballers uit kranten: altijd mannen. Ze zag een intrigerende combinatie van sensualiteit en geweld. Ruim een jaar geleden had ze haar behoorlijk uitpuilende verzameling nog eens goed bekeken en was ze de figuren gaan tekenen. Deze gebruikte ze in haar laatste werk Thuiswedstrijd: een happening zonder doel, zonder regels, waarbij spelers te midden van de tekeningen bewogen op twee soorten muziek: wild, speels en blij, diep. Toeschouwers mochten ook meedoen.
Jeugdherinneringen, een voorkeur voor tekenen en maniakaal veel actiefoto’s van spelers uit kranten knippen: dat was voetbal wel zo’n beetje voor het kunstenaarsteam.
Vóór de uitnodiging van het resort betreffende een ‘werkperiode bij V.V.K.’ wisten ze weinig over wat verscholen ging achter het voetbalspel. Dat bijvoorbeeld de meeste mensen die zeggen dat ze van voetbal houden eigenlijk vooral van ‘televisievoetbal’ houden: een door regisseurs strak gecomponeerde televisiewerkelijkheid met de bal als verhalenverteller, iets wat niet noodzakelijk te maken heeft met datgene wat zich op de velden van zaterdagvijfdeklasser V.V.K. afspeelt. Daar kun je vrij alle kanten opkijken, je eigen verhaal maken en wacht je tevergeefs op een herhaling. Er zijn geen close-ups van de gezichten van trainers en de voetballers sjokken, spugen en roken: de rauwe werkelijkheid van een trainingsavond of wedstrijddag. Al zijn er voor het roken wel speciale plekken aangewezen.
Team Kunst hoorde ook dat voor veel mensen ‘praten over voetbal’ vaak ‘praten over de fans of het publiek’ betekent. Alsof je schilderkunst bespreekt aan de hand van het gedrag van de mensenrij bij het Rijksmuseum. En dat terwijl het voetbalspel zelf juist draait om ruimte, om driehoekige patronen en minder om doelpunten. ‘Statistisch gezien is een doelpunt in het voetbalspel ruis,’ vertelde iemand hen.
Ook hoorden ze over het ontstaan van de sport in Engeland, ruim honderdzestig jaar geleden, over de destijds al zo eenvoudige regels, het belang daarvan en over de toenemende invloed van statistieken op het spel. Ze leerden over het wonder van gelijkspelen: een einduitslag die kennelijk intieme spelkennis herbergt en in de mondiale sportwereld van winnen óf verliezen een tegelijkertijd wijze en eigenzinnige positie inneemt.
Verder bleek de bekende Duitse voetbaltrainer Sepp Herberger ooit gezegd te hebben: ‘Der Ball ist rund. Das Spiel dauert neunzig Minuten. Und der Rest ist Theorie.’
Dat klonk goed, duidelijk en Duits. Maar destijds wist het team van drie nog niets over wat er allemaal schuil ging achter het spel, en dat was juist zo mooi. Bij de eerste rondleiding bij V.V.K. luisterden ze als individuele kunstenaars met eigen kwaliteiten en viel hen logischerwijze telkens iets anders op. Ze waren al een team, maar hun blikken waren nog onbevangen. De rollen moesten nog worden verdeeld.
William was onder de indruk van een halfuur durend betoog over de immens grote bierinstallatie in kantine De Hoogte – inderdaad vernoemd naar het vroegere sportpark – en hoe vaak die moest worden bijgevuld. De zogenaamde ‘derde helft’ trok hem aan, net zoals trainingsattributen waar je snoeihard tegenaan kon schieten. Het paste bij jouïssance, iets wat hij ooit oppikte uit het werk van de Franse psychoanalyticus Jacques Lacan: een concept van pijn, het onaangename, dat juist plezier geeft. William gebruikte dit concept al in eerder werk.
Elen had gevraagd naar de aanwezige agressie op het veld. Viel mee, hadden ze haar verteld. Toch dacht ze daar een mogelijkheid te zien: nieuwe regels zou een ander, vredelievender spel kunnen opleveren en als voorbeeld dienen voor veranderingen in de maatschappij.
Karina zag wel wat in de twee vrouwenelftallen. Met haar idee om ‘dialogen aan te gaan’ in het achterhoofd overwoog ze om mee te gaan trainen. Ze zocht naar een omdraaiing in de werkelijkheid. Verder was zij diep onder de indruk van de ingelijste oude middenstip in de kantine. ‘Een supermooi werk,’ zei Karina tegen de beheerder, waarna hij haar, zonder te oordelen, best verbaasd had aangekeken. Hij begreep niet wat ze zei.
De drie gingen vervolgens hun eigen gang, kregen een steeds vastere rol in het kunstenaarsteam en maakten lange uren in de atelierruimtes van Stichting Moshpit of Creation. Soms was er tijd voor een uiting op sociale media. Karina ging inderdaad meetrainen, dacht na over spelposities, hoorde zichzelf zeggen: ’Voetbal is: je moet er zijn’ en stelde zichzelf diep teleur toen tijdens een partijtje de bal uitrolde omdat zij er níét was. William tekende ondertussen op staal. Elen dacht na over nieuwe regels. En op stille dagen, met de wind uit de juiste richting, dachten ze het geluid te kunnen horen van trainende voetballers in het nabij gelegen Euroborg, het stadion van profclub FC Groningen. Ze raakten bevangen door de bal, zagen steeds duidelijker overeenkomsten tussen dat wat zij deden en wat voetballers deden.
Wat die overeenkomsten precies waren, wisten ze nog niet. Maar ze waren er zeker en vast.
Ze waren nog steeds alleen, een team, toen ze op een koude dag in maart vertelden over hun ideeën en de kunstwerken in wording toonden. The New Goal van Elen: een buizenconstructie bestaande uit vier doelen met evenzoveel aan elkaar geknoopte netten, waardoor het onmogelijk en dus zinloos wordt om te scoren. William was druk bezig met stalen poppen die konden dienen als artificieel muurtje om vrije trappen te oefenen. Het moesten er vijf verschillende worden: één geïnspireerd door een Gronings standbeeld van een vrouw, één door de Griekse god van de afterparty, één door een vrouwelijke scheidsrechter, één door een supporter en de laatste moest verwijzen naar de bekende voetbaltrainer Fritz Korbach, een tip van een vriend, die hem ook vertelde over een recent fenomeen bij voetbalmuurtjes – iemand ligt op de grond – dat mogelijk nog een extra stalen pop kon worden.
‘Een muurligger, bedoel je?’
‘Ik bedoel inderdaad een muurligger.’
Karina liep rond een tafel vol met uit hout gezaagde voetballers beschilderd in V.V.K.-clubkleuren en in de stijl van een Italiaanse frescoschilder, over wie ze ooit las in een boek van de Schotse schrijfster Ali Smith. Ze gebruikte de stijl eerder voor het project ‘Thuiswedstrijd’. Het idee was deze fresco-achtige spelers zo op te hangen dat ze het publiek omringden in plaats van andersom. Die avond toonde Karina tijdens de training foto’s van haar geschilderde voetballers aan de speelsters van vrouwen 1. Dat had ze spannend gevonden; des te meer toen geen van de speelsters zichzelf erin herkende.
‘Jullie zijn ze allemaal,’ zei Karina.
‘Hmm, oké,’ was het antwoord.
Die avond was ik ook in de kantine De Hoogte. Het was even zoeken, omdat in hetzelfde gebouw ook de kleedkamers en kantines van de clubs VV Potetos en VVG zitten. Maar uiteindelijk vond ik De Hoogte en bezocht ik de bestuurskamer. Daar zaten drie mannen, twee van de generatie na de verhuizing, één van daarvoor. Ze spraken tegelijkertijd voorzichtig en enthousiast over de geschiedenis van V.V.K.: ze wilden geen onzin vertellen, niet de fout maken belangrijke zaken of namen te vergeten. Terpstra, de familie Terpstra, mocht in geen geval ontbreken. Die deden vroeger, aan de andere kant van de ring, alles: voetballen, besturen, schoonmaken, bier tappen. Hier, aan deze kant, had de oude ‘Kappie’ Terpstra zijn eigen skybox op de tribune gekregen. Na elke thuiswedstrijd kalkte het erelid telkens weer nieuwe lijnen en een gave witte middenstip op het veld, omdat hij alles over had voor zijn club.
‘Zo was Kappie,’ zei de oudste van de drie. Hij wilde niet klagen, was trots op hoe de huidige vrijwilligers de kantine zes dagen per week open wisten te houden – iets wat de meeste andere voetbalclubs in de regio niet voor elkaar kregen. Typische V.V.K.-vrijwilligers: hart voor de vereniging. En toch was het vroeger, op het oude terrein met de oude kantine, anders geweest, mooier toch wel. Daar was V.V.K. helemaal V.V.K. geweest: klein, brutaal, warm en sociaal. Daar kon gewoon meer. ‘Daar waren we alleen op het park, hè,’ zei hij.
Het sportieve hoogtepunt was ook daar. Begin jaren tachtig speelde een kettingrokende Engelsman met een bierbuikje als rechtsbuiten de pannen van het dak. Hij was een keertje komen trainen, bleek in de havens van Delfzijl te hebben gewerkt en was als rechterspits een fenomeen. Het ging zelfs zo goed dat de profs van FC Groningen kwamen kijken. Paul Mason, zo heette hij, mocht meetrainen, werd uiteindelijk in de verdediging gezet en zou honderden wedstrijden spelen voor FC Groningen en de Britse topteams Aberdeen en Ipswich Town. Beter had V.V.K. nooit gehad, behalve dan natuurlijk al die mensen met hart voor de vereniging, mensen als de familie Terpstra of de spelers van het vierde zaterdagteam aan het begin van deze eeuw die met een scherpe spade zomaar een daad voor de eeuwigheid hadden verricht.
Bij het afscheid van de mannen in de bestuurskamer werd me vriendelijk de hand geschud, de oudste had de stevigste grip. ‘Eigenlijk is die middenstip ook kunst,’ zei hij ineens. ‘Al is het wel jammer dat-ie niet meer wit is.’
We waren uiteindelijk met zijn allen. Het was de dag van de opening, een vrijdag in april, vlak voor Koningsdag. Er gebeurde van alles, iedereen vervulde zijn rol met verve. De actieve voetballers van V.V.K. herkenden veel in de stalen muurligger van William. Er waren ballen om vrije trappen te oefenen. Soms vlogen ze over de poppen heen, vaak raakten ze hard het staal. Op enkele poppen waren vage balafdrukken zichtbaar: precies waarop William had gehoopt. Zijn dankbaarheid toonde hij later binnen tijdens een performance met eigen muziek.
The New Goal van Elen was in het midden van het kunstgrasveld geplaatst, als ware het een beschermende mantel voor de middenstip. Tijdens haar begeleidende performance werden onder meer shirts uitgetrokken zonder dat iemand een gele of rode kaart kreeg. Het publiek klapte hard. Meerdere trainers zeiden haar staalconstructie te kunnen gebruiken bij hun rondo’s: een geliefde trainingsvorm zonder goaltjes.
De omdraaiing van Karina – speelsters als een haag rondom het publiek – werkte als een geslaagde dubbele schaar of, voor de jongere lezers, als een kapot vette Akka 3000. En naarmate de derde helft vorderde, herkenden de speelsters van beide damesteams zich meer en meer in Karina’s fresco’s.
Het bleef die dag nog lang onrustig in kantine De Hoogte. Uiteindelijk besloten enkele V.V.K.’ers dat ze tijdens de eerstvolgende ledenvergadering een nieuw agendapunt in zouden brengen: om de oude middenstip van nieuwe witte kalk te voorzien.
De werken van Elen Braga, William Ludwig Lutgens en Karina Beumer zijn nog tot en met 6 juni 2026 te zien.
Arthur van den Boogaard, schrijver, filosoof en bedenker van documentaires. Schreef biografieën over Johan Cruijff en Pieter van den Hoogenband. 78.7 procent van zijn werk betreft de verhalende kant van de sport. Hij volgt twee adagia. Een goed sportverhaal is een goed verhaal. En de werkelijkheid is een slechte verhalenverteller.