Gerrit Willems

De dingen zelf – over de objecten van Mik Bakker

Essay
23 maart 2026

‘Natuurlijk ben ik ook geïnteresseerd in de geschiedenis en de culturele context van dat materiaal. Als ik iets zie wat bruikbaar is, ga ik het bestuderen. Dan wil ik er alles van weten. Hoe oud iets is, waar en hoe het gemaakt is, welke spijkers er nog in het hout zitten, het vakmanschap van de metaalbewerker, de geschiedenis van een fabriek, dat soort zaken. Maar die verhalen zijn voor mij uiteindelijk niet leidend. Het gaat mij erom: kijk naar dat ding!’ Gerrit Willems ging op atelierbezoek bij Mik Bakker en schreef een essay over deze categorie beeldende kunst: ‘De betekenis ligt in het zichtbare, niet in het onzichtbare, in het zintuiglijke, niet in het verstandelijke. Het doet je iets.’

Niet lang nadat Mik Bakker (1997) als interieur en meubelontwerper afstudeerde aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunst in Den Haag, kreeg ze al haar eerste opdracht. Ze werd gevraagd om een stoel te ontwerpen voor de collectie van een online design galerie, gespecialiseerd in vintage modernistische meubels. Het werd een robuust object dat ze maakte van tweehonderd jaar oude balken uit het dak van een afgebroken grachtenpand in Amsterdam. De opdrachtgever was er blij mee, het ontwerp paste goed in het aanbod van de galerie: ‘a contemporary, modernist, upcycled design with an architectonic presence that is actually more like a sculpture, but feel free to use it as a chair…’. Zoiets mag je ook zeggen van het ongebonden werk van Bakker, het zijn zelfstandige sculpturen, maar je kunt er evengoed een zekere functionaliteit aan toekennen of er een fragment van een gebouw in zien. Op het eerste gezicht is er een lichte verwarring en dat is precies waar ze op uit is: dat je als kijker niet meteen kunt benoemen waar je naar kijkt.

Mik Bakker – Cabris.
Mik Bakker – Cabris.

Voor het materiaal waar Bakker mee werkt, gaat ze niet gericht op zoek met een kant-en-klaar idee in gedachten. ‘Ik ga naar plekken waar ik iets zou kúnnen vinden, dingen die mijn aandacht trekken en die ik mooi vind. Ik gebruik graag hout uit slooppanden of hout dat is achtergebleven in een verlaten timmerwerkplaats. Ik heb ook lang gewerkt met resten metaal van een bedrijf dat met een waterjet  vormen uit platen sneed.’[1] Dat materiaal staat vaak lang in het atelier voordat er iets mee gebeurt en als er iets mee gedaan wordt, is dat nooit ingrijpend. Ze blijft dicht bij de oorspronkelijke vorm, voegt iets toe, haalt iets weg en arrangeert objecten in relatie tot een ruimte. Waar het om gaat is dat die dingen ‘er zijn’. Ruwe houten blokken, stoelvormen, podiums, losse balken, verbogen metalen en industriële restvormen, ze geeft die hun eigen aanwezigheid in een ruimte. Bij Galerie Andriesse Eyck liet Mik Bakker vorig jaar zaagbokken zien die in een theatrale opstelling waren tentoongesteld. ‘Met die krachtige uitstraling is een zaagbok heel sculpturaal. Hij is rudimentair, puur en heeft geen pretenties. Hij heeft geen duiding nodig (…). Een zaagbok is er gewoon’.[2]  

Dat Bakker geen duiding wil geven aan haar objecten, merk je goed als je haar website bezoekt. Geen teksten, geen artistiek credo, wel links naar ‘hout’ en ‘metaal’. Als je daar op klikt, krijg je precies dat te zien, werken van hout en metaal. Zonder toelichting, datering, herkomst of enig ander aanknopingspunt. Alle aandacht gaat zo naar de fysieke verschijningsvorm van de objecten. Het ontbreekt Bakker niet aan ideeën over haar werk en op den duur gaan er nog wel teksten volgen, maar die mogen nooit in de weg staan van de directe ervaring van de werken zelf, van hun zwijgzame staat van zijn.

Mik Bakker – Treteaux, solotentoonstelling.
Mik Bakker – Théâtre de Tréteaux.

Ze wijst op twee houten blokken in het atelier die zijn gestapeld. ‘Ik heb ze geschuurd en op elkaar gezet. Dat is alles wat ik heb gedaan en in dit geval was dat voor mij genoeg. Ik zou trouwens nooit alleen maar één blok laten zien en het daar dan bij laten. Ik wil er iets mee doen. Waar je naar kijkt is altijd méér dan alleen materiaal, het gaat ook om de vorm. Het zijn geen ready mades.  

Natuurlijk ben ik ook geïnteresseerd in de geschiedenis en de culturele context van dat materiaal. Als ik iets zie wat bruikbaar is, ga ik het bestuderen. Dan wil ik er alles van weten. Hoe oud iets is, waar en hoe het gemaakt is, welke spijkers er nog in het hout zitten, het vakmanschap van de metaalbewerker, de geschiedenis van een fabriek, dat soort zaken. Maar die verhalen zijn voor mij uiteindelijk niet leidend. Het gaat mij erom: kijk naar dat ding!’

Mik Bakker – VII.

Zo’n opvatting is best lastig voor een beginnend kunstenaar in een tijd waar kunstwerken vooral gewaardeerd worden voor hun ideële kwaliteiten, waarin beeldende kunst verhalen overdraagt en kunstenaars uitdrukking willen geven aan een innerlijke leefwereld of hun maatschappelijke betrokkenheid. Dat weet Bakker ook. ‘Ik voel mij soms wel te kort schieten, want wat er in de wereld gebeurt raakt mij. Ik voel mij net zo goed betrokken bij deze tijd als andere kunstenaars, maar ik wil daar niet iets over kwijt in mijn werk. Dat gaat ergens anders over. Ik ben half Peruaans en vrouw, dat kan ik meenemen in wat ik maak, maar dat wil ik niet. De werkomstandigheden van arbeiders in Zuid-Amerika of de problematiek van tropisch hout, daar denk ik echt wel over na, maar niet in mijn werk’.

Wat kun je dan nog zeggen over kunstwerken die niet willen vertellen, maar zich willen tonen? Kun je van betekenis spreken en ligt die betekenis dan binnen of buiten het bereik van de taal? Dat zijn complexe vragen die niet hier beantwoord worden, als dat al mogelijk is, maar het zijn wel vragen waar je niet omheen kunt wanneer kunstwerken, zoals van Mik Bakker, de eigen materiële verschijning als motief hebben. 

In de kunstgeschiedenis en de kunstkritiek is wonderlijk weinig aandacht voor het gegeven dat beeldende kunst nu eenmaal geen taal is. Of beter gezegd, kunstbeschouwers nemen gemakshalve aan dat sculpturen, schilderijen, foto’s, installaties zelfs gebouwen zich in hun betekenis als vanzelfsprekend laten kennen door beschrijvingen, geschreven bronnen of reconstructies van historische omstandigheden. De kunsthistoricus Michael Baxandall vatte dat zo samen: ‘We do not explain pictures: we explain remarks about pictures – or rather, we explain pictures only in so far as we have considered them under some verbal description or specification’.[3] Zo schuif je het probleem aan de kant. Pictures moet je hier overigens ruim nemen: als beelden en afbeeldingen. En je moet wel bedenken dat hij zich richtte op kunstwerken die de visuele werkelijkheid representeren en verwijzen naar geschreven bronnen, dus enig recht van spreken heeft hij wel. De criticus John Berger was radicaler. De eerste zin van zijn invloedrijke boek Ways of Seeing klinkt als een beginselverklaring: ‘Seeing comes before words’. Dat wil zeggen, de waarneming gaat aan de woorden vooraf, wij ervaren de wereld primair zintuigelijk. De woorden die we daar vervolgens aan geven vervormen die waarneming. Berger was marxist, vandaar dat kijken naar kunst in zijn ogen ideologisch wordt vervormd door wat een culturele bovenlaag daarover zegt. Hij durfde het aan om in zijn boek drie ‘picturale essays’ op te nemen, betogen die uitsluitend bestaan uit afbeeldingen gegroepeerd rond een centraal motief. Door te kijken ontdek je zijn ‘bewering’. Een verfrissend experiment dat voor zover ik weet geen navolging kreeg, al doet de website van Mik Bakker mij daar wel heel erg aan denken. Niettemin, ook Berger kan niet zonder woorden, wat anders kan de schrijver? Zowel hij als Baxandall bedrijven een gangbare kunstbeschouwing waarin de visuele aspecten van een kunstwerk onder de noemers van stijl en vorm worden beschreven om zo een diepere betekenis te achterhalen.  

Als het gaat over de relatie van woord en beeld, kun je te rade bij de semiotiek en de taalfilosofie. Dat levert waardevolle inzichten op, maar je kunt ze denk ik niet goed toepassen op de praktische kunstbeschouwing. Alle pogingen tot analogie ten spijt kun je geen beeldelementen isoleren die overeenkomen met taalelementen. Een beeld is anders gestructureerd dan de syntaxis van de taal en beeldtekens betekenen op een andere manier dan woorden. Niemand heeft dat voor mij welsprekender duidelijk gemaakt dan de Amerikaanse filosofe Susanne Langer. Om de wereld te begrijpen, gebruikt de menselijke geest verschillende symboolsystemen, zegt Langer. Zij maakt daarbij onderscheid tussen discursieve en representationele symbolen. Heel kort door de bocht: woorden articuleren begrip en betekenis volgens grammaticale regels achtereenvolgend. Beeldende kunst doet dat zonder vaste regels in één keer, door onderlinge relaties van beeldelementen binnen het geheel van het beeld. Beeldende kunst is een andere vorm van kennen en betekenen dan taal.[4]

Mik Bakker – re:Form, solo tentoonstelling. Foto: G.J. van Rooij.

‘Ken je het werk van Richard Nonas,’ vraagt Mik Bakker op haar atelier. ‘Daar voel ik me heel sterk mee verwant. Niet alleen met dat werk zelf, maar ook met hoe hij daarover kan praten.’ Ze laat een filmpje zien waarop Nonas (1936-2012) een zelf geschreven tekst voordraagt die klinkt als een lang prozagedicht en die gaat over zijn sculpturen en installaties in relatie tot de architectonische ruimte.[5] En ja, zijn stem draagt je langzaam naar dat werk, de woorden duiden niet maar brengen je langszij. Ze brengen je in een modus om te kijken zonder te zeggen wat je moet zien. In een ander filmpje vertelt Nonas over het onderscheid van zijn werk tot de Minimal Art. Bij minimalisten gaat het alleen om de objecten zelf en hoe je ze waarneemt in relatie tot een ruimte, zegt hij. ‘Voor mij gaat het om veel meer, het gaat over de enorme emotionele kracht die materialen in zich kunnen dragen. Het gaat niet om het ‘idee’ van het materiaal, het gaat om het gevoel van het materiaal.’[6] Bij een reeks van staven staal zegt Nonas: staal is een materiaal waarvan de massa je raakt, je voelt de zwaarte, de dichtheid. Je weet dat het koud is en hard. Het is gemaakt met een zeer oude technologie en toch voelt het natuurlijk. Dit voelen en weten dat met een materiaal geassocieerd kan worden, is de kennis waar ik mee werk. 

Voor Mik Bakker gaat het ook over die gevoelswaarde van materiaal en maken. ‘Waarschijnlijk door mijn achtergrond als ontwerper heb ik wel een goed gevoel voor wat werkt voor je ogen, voor maatverhoudingen en voor de specifieke kwaliteiten van een materiaal. Dat wil ik je laten zien. Ik bewerk en arrangeer puur op intuïtie, ik maak door te doen.’ Tegen de muur staan enkele houten balken.  ‘Hier wil ik een andere balk tegenaan. Er lag nog wat elzenhout uit een opslag en het leek me mooi om nieuw en oud hout te combineren. Dan ga ik eerst verschillende mogelijkheden uitproberen. Zagen, passen en meten. Ik begin zo groot mogelijk, want iets weghalen kan wel, maar groter maken kan niet bij mijn werk. Ontwerpschetsen maak ik alleen als ik een opdracht krijg voor een meubel en dan nog zijn die tekeningen heel summier.’ In het uiteindelijk werk moet alles in balans zijn, zowel wat betreft maat als materiaal. ‘Ik weet wanneer ik die balans gevonden heb, dan voel ik dat alles klopt. Wat dat is? Ik kan van alles vertellen over mijn werk, maar dat nou juist niet.’  

Mik Bakker – Pájaros.
Mik Bakker – Pájaros.

Het werk van Mik Bakker behoort tot een categorie in de beeldende kunst, die niet vraagt om duiding. De betekenis ligt in het zichtbare, niet in het onzichtbare, in het zintuiglijke, niet in het verstandelijke. Het doet je iets. In Against interpretation verzette Susan Sontag zich al tegen het idee dat kunstwerken altijd vragen om het benoemen van een inhoud die achter het zichtbare ligt. In de westerse culturele traditie, zegt Sontag, moest kunst meer zijn dan alleen vorm. Daardoor ontstond het idee van een inhoud die van de vorm te onderscheiden is. Inhoud is dan primair, dat is waar het om gaat in de kunst en vorm is bijkomstig. We nemen aan dat het kunstwerk ‘iets zegt’. Interpretatie wordt vertaling. We benaderen kunstwerken op zoek naar een inhoud en omgekeerd verwachten wij dat er zoiets bestaat als ‘de inhoud’. Dat is een probleem want dat hindert het zicht op wat een beeldend kunstwerk feitelijk is: een visueel waarneembare vorm. Erger: het graven achter het kunstwerk vernietigt dat werk. Het bevrijdt niet, het verstikt. ‘In a culture whose already classical dilemma is the hypertrophy of the intellect at the expense of energy and sensual capability, interpretation is the revenge upon art.’[7] De kunstbeschouwing moet kunstwerken laten zien voor wat ze zijn en niet voor wat ze betekenen. Ze pleit voor een ‘erotics of art’, we moeten onze zintuigen hervinden, zodat we leren meer te zien, te horen en te voelen. Hoe dat moet zegt ze er dan weer niet bij, maar ik denk dat het in de buurt komt van hoe Nonas het over zijn werk heeft, in een poëtische parallel.

Mik Bakker – installtie overzicht.

De kritiek van Sontag is door kunsttheoreticus Bart Verschaffel weer opgepakt in verband met de kunst van nu. Meer dan ooit, zegt hij, is de beeldende kunst in de greep van ‘inhoud’. De verwachting in deze tijd is bovendien dat de kunst niet alleen iets zegt, maar ook nog eens de goede dingen zegt. Kunstwerken legitimeren zich met de boodschap die ze uitdragen. Boodschappen vallen wat hem betreft onder propaganda, politieke actie, reclame of journalistiek. Dat levert geen interessante kunst op, bovendien kunnen dergelijke boodschappen beter elders en anders gecommuniceerd worden. Dat klinkt nogal reactionair en daarin resoneert mij te veel Oscar Wildes maxime ‘All bad art is the result of good intentions’. Dat is niet wat ik hier wil verdedigen, er is genoeg kunst die overtuigend het tegendeel bewijst, kunst met een narratief, met een missie. Waar het hier om gaat is dat er kunstwerken zijn met een boodschap en kunstwerken die dat niet hebben. En die zijn niet zonder betekenis. 

Je moet de inhoud van een kunstwerk niet verbinden met de vraag naar betekenis, zegt Verschaffel, maar met de vraag naar ‘waar het over gaat’. Dat is iets anders. Een kunstwerk dat niet ‘iets zegt’, gaat wel degelijk ergens over. Je kunt nooit zeggen dat een kunstwerk nergens over gaat. Waar het over gaat, nog steeds volgens Verschaffel, is historisch bepaald. De kunst veranderde ingrijpend door de tijd heen, maar ‘de geschiedenis heeft een bedding uitgegraven waarbinnen de kunst vandaag stroomt en die als referentiekader dient van wat kunst kan zijn.’[8] Dat kader betreft drie zaken. Allereerst ‘het beeldende’ zelf, kunst doet iets met de mogelijkheden en de werking van beelden in al zijn vormen en varianten. Als je daarover iets wil zeggen, constateert ook hij, is dat niet gemakkelijk. Maar in de loop van de (kunst)geschiedenis is er visuele kennis verzameld over hoe beelden werken, wat ze doen, welke effecten ze sorteren. Beeldende kunst ‘gaat over wat een beeld is’. Het tweede is de kwestie van het esthetische. De esthetische blik blijft bij de opperhuid van de dingen en gaat over hoe kunstwerken aanvoelen, over ‘wat die waarneming doet met een mens’. Het derde dossier is het poëtische. Hier raakt hij toch aan de taal, maar indirect. Een kunstwerk heeft een auteur en een bedoeling, die bedoeling wordt niet onmiddellijk begrepen, het is geen duidelijke uitspraak. Dat maakt het werk raadselachtig, het poëtische kunstwerk houdt de betekenis ‘in suspence’. Er is een vaag vermoeden van waarover het gaat en de taal verliest hier zijn precisie. 

Spreken over kunstwerken brengt altijd een verlies met zich mee. Er ontglipt je iets waar je sprekend geen vat op krijgt. Dat is een acceptabel verlies zolang je het werk direct bij de hand hebt, als je er omheen kan lopen, nog eens kunt kijken, misschien wel aanraken. Als we er samen vóór staan kan ik wijzen, maar wat als je er niet bent? Zonder woorden gaat het dan niet en de vraag blijft hoe te spreken over objecten die geen duiding wensen. Daar bestaat geen handleiding voor, maar hoe beperkt ook, ik vind in de korte tekst van Verschaffel bruikbare aanknopingspunten. 

Als je wil weten waar de objecten van Mik Bakker over gaan, kun je dat vinden in de ‘bedding van de kunst’ zelf. Je kunt een beeldcatalogus samenstellen met werk van kunstenaars die ook het materiaal en het maken centraal stellen. Niet als een stamboom, maar als typologie. Met kunst die je kent of waar iemand je op wijst. Dat idee van John Berger weer opnemen. In mijn catalogus zie je werk van Magdalena Abakanowicz, pionier in het gebruik van textiel, gefascineerd door de materialiteit en structuur van natuurlijke vezels. En Eva Hesse is er, die haar werk niet liet labelen als politiek en feministisch, maar de nadruk legde op haar vormexperimenten met latex, touw en glasvezel. Richard Nonas was er al en ik wil ook graag Edmund de Waal erbij, die als hij aan zijn installaties met porseleinen objecten denkt, geluiden hoort, composities met een pulserend ritme. Je kunt ook nadenken over wat de objecten van Bakker jou doen, welk gevoel ze in jouw ogen overgedragen. Aan alles merk je dat het gaat om een ode aan het ambacht, de maker en het materiaal. ‘Ik kijk graag naar mooie dingen en ik maak graag mooie dingen,’ zegt ze daar over. ‘Ik wil mijn ogen een plezier doen en dat wil ik delen met wie daar voor open staat. Toen ik onlangs naar de tentoonstelling van Brancusi ging in Amsterdam, zag ik zijn werk voor het eerst in het echt. Wow, dat deed me wat en bij hem kun je ook niet meteen precies benoemen wat het is.’ Dat is ook waar voor de sculpturen die ze zelf maakt. Die geven niet onmiddellijk prijs wat ze zijn. Hergebruikt en omgevormd, oud en nieuw, bruikbaar en niet, ruimtelijke werking en ding op zich, dat lichtvoetige spel is de visuele poëzie van Mik Bakker.

Mik Bakker – Untitled 1 (front).
Mik Bakker – Untitled 2 (front).

Voetnoten

[1]  Citaten komen uit ateliergesprek van 20 januari 2026.
[2]  Het Parool, 19 mei 2025.
[3]  M. Baxandall, Patterns of Intention, New Haven, 1985.
[4]  S. Langer Philosophy in an new key, Cambridge (MA), 1979.
[7] S. Sontag, Against interpretation and other essays, Londen (1961) 2009 p. 7.
[8] B. Verschaffel, Waarover gaat het? Over de betekenis en inhoud van de beeldende) kunst,  Academy of Creative and Performing Arts, Leiden University 2022.

Werk van Mik Bakker is te zien bij Andriesse Eyck tijdens Art Rotterdam, van 27 tot en met 29 maart in Ahoy.

Advertenties

Ook adverteren op mistermotley.nl? Stuur dan een mail naar advertenties@mistermotley.nl

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

* verplicht