Sacha Bronwasser

De Lotgevallen 7: Kruis

29 oktober 2021

Sacha Bronwasser reageert tweemaandelijks op een kunstwerk middels een fictief kort verhaal. Dit is de zevende editie, getiteld: Kruis.

 

Het is een donderdag in mei, 2014, begin van de middag. De vrouw, haar vriendinnen noemen haar Bobby, staat op een klein balkon aan de straatzijde op de vijfde etage. Ze giet een restje koude koffie, smerige koffie, in een aardewerken pot waarin een plant zijn best staat te doen. Een graslelie, zo’n plant die lange slierten maakt waaraan mini-versies ontspruiten. Bobby’s moeder had er vroeger tientallen in haar kleine serre, ze verspreidde de stekjes door haar kennissenkring als een virus. Bobby herinnert zich hoe ze, als kind, de omgekeerde parapluutjes aan haar handen liet kriebelen. Hier hangen ze vijf hoog te bungelen boven het ronkende verkeer. De grond in de pot is zo droog dat het plasje koffie er op blijft liggen. Bobby pakt de pot op, loopt ermee naar binnen en zet de plant onder een straaltje water in de gootsteen. Kleine moeite.

Dit is niet haar eigen appartement, ze heeft het vanwege de gunstige ligging voor deze dag geleend van de zus van een vriendin. Het is in de buurt van haar afspraak en ze verwacht hier, na afloop, terug te keren. Er staat er een tafel, er is een Ikea roomdivider-annex-boekenkast, er hangt een design-achtige lamp en er is een Senseo-apparaat. Een Airbnb ding, waarschijnlijk. Een plek die geen ruimte in het geheugen claimt. Ze hoeft hem alleen maar te gebruiken tijdens deze aanloop, die ze met militaire precisie heeft georganiseerd. Een goede voorbereiding is het halve werk, eigenlijk het héle werk, want de uitvoering kan maar één keer lukken. Of mislukken.
Concentratie. Planning. Ze kent de route. De kleding ligt klaar op het bed in de kamer-en-suite. Ze weet hoe lang het duurt  om te transformeren. Het meest bewerkelijke is haar haar en dat is een kwestie van strak, pijnlijk strak achterover trekken, in een wrong binden en elke losse haar vastplakken. Dat kan ze blindelings. Dat zou ze in haar slaap nog kunnen.

Water drinken. Tien stappen heen, tien stappen terug. De rug strekken, de ruggengraat draaien. Soepel blijven.

Het appartement heeft een grote spiegel, dat was haar enige vraag geweest, is er een grote spiegel? Die is er. Hij leunt schuin achterover tegen de ruwe stenen muur, heel urban, en maakt haar langer. Bobby trekt haar badjas uit en blijft een tijdje staan kijken naar die vreemd uitgerekte vrouw in ondergoed. Goede kuiten, een in verhouding kort bovenlijf, vrij grote handen die werkeloos langs de stevige, gespierde bovenbenen bungelen. Doorontwikkeld. Dit heeft ze geleerd in al die jaren danstraining: je lichaam beschouwen als een ding, er de potentie van inzien, de voordelen. Ook: de fouten. De verbeterpunten. ‘s Ochtends thuis afscheid nemen van je eigen lichaam en dan het vreemde lichaam, je werkmateriaal, begroeten in de spiegel van de oefenzaal.
Ze draait haar voeten uit in eerste positie. Plié. Tweede positie. Plié. Armen naar voren brengen, dan één arm omhoog. De middelvinger van de rechterhand wijst naar de navel, die van de linkerhand raakt een denkbeeldige lijn vanuit de kruin – het zijn aanwijzingen die je nooit meer kwijtraakt.
Dan: flamenco. Ander tempo, andere spanning, minder vloeibaar, hoekiger. Polsen draaien, handen en vingers waaieren, ze schopt een denkbeeldige rok opzij. Een roffel op het parket, zelfs met blote voeten kan ze de glazen, die ergens achter deurtjes in een kast staan in dit onbekende huis, laten rinkelen.
Dan: lapdance. Bukken, rug hol, hurken. Benen strekken, als eerste de billen omhoog brengen, schuin over de schouder lachen naar de klant. Kijken mag, aankomen niet, schatje; bankier, tuinman, loketmedewerker, analist, kaasverkoper, chauffeur, rechter, zanger, verzekeraar, politie-agent, ja jongens, jullie allemaal.
Haar hartslag is omhoog gegaan, ze blaast langdurig uit. Ze kan alles, alles met dit lichaam, dit kleine werktuig, ze kan alles en ze mag er alles mee, wie heeft er wat over te zeggen, wie in vredesnaam zou daar iets over te zeggen kunnen hebben? Dan keert ze zich van de spiegel af, het ding verdwijnt uit beeld en wordt weer haar eigen lijf.
Aankleden.

Ze heeft de jurk aangetrokken, goud met brede schouderbandjes. Kort, definitely nachtclub, maar niet goedkoop. De lovertjes geven de stof zwaarte, hij draait iets vertraagd rond haar heupen.

‘Hoe moet het worden?’, vroeg Lene een week geleden, toen ze de datum en het uur had vastgelegd. Lene-liefje was achter Bobby gaan staan, had d’r armen om Bobby’s middel gelegd, haar adem was warm en rook naar Earl Grey. ‘Sexy? Kil? Aggressief? Lief? Mooi? Moet het lijken op het voorbeeld?’
Nee, had Bobby gezegd, niet precies zo. Dat was te veel, te letterlijk, daar ging het niet om. Nee, het moest directer zijn, meer van nu. Frontaler. En toch neutraal, ja, hoe zou ze het zeggen. Ze had geen zin om het uit te leggen, ze maakte Lene’s armen los, draaide zich om, ze zoenden kort. Lene, een hoofd groter dan zij, zei: ‘Je bent nu al gespannen. Het voelt alsof je naar het front vertrekt.’
‘Dat doe ik ook’ zei ze.
Ze heeft de jurk aangetrokken, goud met brede schouderbandjes. Kort, definitely nachtclub, maar niet goedkoop. De lovertjes geven de stof zwaarte, hij draait iets vertraagd rond haar heupen. Mooi. Straks, buiten, zal de jurk schuil gaan onder een korte trenchcoat. Het is belangrijk te doseren, niet te vroeg de aandacht te trekken. Bobby kijkt weer in de spiegel. Trekt de beha onder de jurk uit, ze heeft hem niet nodig. Trekt dan ook de string naar beneden, stapt eruit en tilt de zoom van haar korte jurk op. Het haar laten staan is onderdeel van de voorbereiding, vier maanden geleden in gang gezet. Kwestie van terugrekenen, zo pak je zoiets aan. Het was verrassend goed gegroeid, ze was vergeten hoe snel dat kon gaan na al die jaren Brazilian Wax. Onderschat nooit de kracht van de natuur, zei haar moeder altijd. Lene stond ervan te kijken en wilde het zelf ook proberen, maar dat was anders bij een echt blondje, toch minder grafisch.
Bobby inspecteert de volle bos in de spiegel, een explosie van diepzwarte wolligheid. Zachter dan je zou denken en mooi symmetrisch. De binnenkant van haar dijen heeft ze wel geschoren, ze denkt aan de esthetiek. Het contrast moet duidelijk zijn, die witte huid, dat zwarte haar. Sneeuwwitje. Dan laat ze de jurk weer vallen, de voering strijkt er langs, haar schaamheuvel kriebelt.
Hoe aangenaam.
Hoe weerloos.

Onmiddellijk wenst ze dat ze dat niet had gevoeld, niet had bedacht, dat woord niet binnen had laten komen. Want met dat woord neemt een oud, lang niet meer meegemaakt, instant bekend gevoel bezit van haar lichaam.
Plankenkoorts.
Immense, misselijkmakende angst. Het schiet in haar bovenbenen, dan dwars door haar blote kruis, naar haar maag. Het plant zich voort in haar armen, handen, hals, hoofd, haar stijfgelakte haar komt los van haar hoofdhuid. Ze buigt voorover, houdt de golf maar net binnen, komt overeind met een klam gezicht en grijpt naar houvast – een klink, een leuning, iets. Gaat weer rechtop staan op haar benen die plotseling van rubber zijn. Benen die niets meer willen, niets meer kunnen.
Een cascade van paniekerige gedachten stort door haar heen. Sandrine met de camera, de voorbereiding, de planning, de timing. Bobby probeert te bewegen, maar er gebeurt niets. Ze zit volkomen op slot, de laatste keer dat dit gebeurde was voor haar eerste optreden in de club, zo lang geleden, toen had Franck haar ten slotte maar hardhandig het podium op geduwd. Maar Franck is er al lang niet meer. Het appartement is een onverschillige doos, aan de wand tikt een klok met een rode secondewijzer. Zweet loopt in een koud straaltje langs haar rug, onder de jurk door. Ze wil wel. Maar ze kan het niet. Niet nu.

Een zoemer klinkt hard door het appartement. Bobby reageert niet. Het kan niet voor haar zijn en ze kan niet bewegen. Ze probeert het geluid weg te duwen, haar ademhaling te hervatten.
Weer klinkt de zoemer, langer nu. Bobby blijft op haar plaats.
Dan begint iemand met vlakke hand op de deur te slaan.
‘Doe open! Ik weet dat er iemand is. Opendoen!’ Bobby komt niet in beweging, behalve een spiertje onder haar rechteroog beweegt er helemaal niets.
Bam, bam, bam op de deur. ‘Ó-PEN-DOEN, Christus nog aan toe. Het lekt uit mijn plafond, verdomme. Doe open!’
Met een pijnscheut komen Bobby’s benen tot leven. Shit, die opzichtige jurk. Ze grist de trenchcoat van het bed, trekt hem aan, snoert de riem vast. De bel, waar zit hier de knop, de camera? Dan duwt ze de reflex terug. Het is niet haar huis, het kan niet voor haar zijn.
Weer die zoemer, onafgebroken nu, terwijl er nog steeds op de deur geslagen wordt. Het galmt door de hoge gang, slaat tegen de foto’s van lachende onbekenden en tegen de ingelijste kunstwerkjes die daar hangen.
‘Het lekt, het loopt recht mijn keuken in, langs de lampen, verdomme, doe open!’
De keuken. De keukenkraan. De plant. Haar schuld. O Jezus, niet nu. Bobby frummelt nu aan het slot, twee sloten, krijgt de voordeur open. Een kleine, forse man duwt zich langs haar heen naar binnen, rent naar de keuken en draait daar vloekend de kraan dicht. Als Bobby hem achterna loopt ziet ze wat er gebeurd is: de graslelie is verzadigd, het water is uit de pot gelopen, de gootsteen in – en aan de onderkant van het keukenkastje loopt het er weer uit.  Over de keukenvloer met de planken, recht door naar beneden, naar het plafond van het huis eronder.
De buurman hurkt op de natte vloer, waar water tussen de wijde kieren van de oude vloer wegloopt. Trekt het kastje open, verdwijnt er half in, vloekt en begint aan de zwanenhals te draaien.
‘Dat kutwijf, altijd hetzelfde, eerst laten verstoppen, dan gaat het weer lekken, nooit iets repareren en mij met de zooi laten zitten, Christus, hoe vaak ik dat al niet gezegd heb…’ Hij komt tevoorschijn, zijn gezicht is rood en gezwollen, vol putjes en vol haat. Hij staat op, rukt de plant uit de gootsteen en kiepert hem met pot en al in de lege vuilnisemmer.
‘Doeken, handdoeken, een dweil, ben je doof of zo? Sta daar niet te niksen’. Bobby trekt keukenkastjes open, laatjes, vindt op een hoge plank een paar theedoeken, die ze op de grond gooit. De buurman, nu op zijn knieën naast haar blote benen, dweilt foeterend het water op dat nog niet naar beneden is gelekt.
‘Altijd hetzelfde gezeik met die huurders, nooit onderhoud, en dan ook nog een wijf als huiseigenaar, nou dan weet je ’t wel’.
Bobby staat er naast, zegt niks.
‘En ook altijd aan wijven verhuren, nou, dat zijn de ergste. Altijd teringherrie, feestjes, de godganse nacht naar de plee, en om de haverklap is er iets stuk. En naar wie komen ze dan?’ Hij spuugt de retorische vraag tegen de vloer. Dweil, dweil.
‘Nou? Naar wie komen ze? Bij wie komen ze zeiken? Who you’re gonna call?? Ja, daar ben je dan goed voor. En dankjewel, ho maar. In al die zes jaar dat dit een kippenhok is geworden, is er nog nooit één…’ – de rest verdwijnt in de kreun waarmee hij overeind komt.
Bobby staat er nog steeds.
De man is niet groot, zijn borstelige kruin komt ter hoogte van haar neus, maar hij is wel opvallend breed. Stierennek. Sportschool. Proteineshakes. Ze herkent het type. Nu staan ze, te dicht bij elkaar, in de kleine keuken. De man dampt van kwaadheid, ze voelt de warme tegen haar hals en zelfs tegen haar blote benen.
Die lijkt de man nu op te merken. Hij doet een kleine stap achteruit, monstert de trenchcoat, Bobby’s benen, haar blote voeten met de gelakte teennagels. Haar gouden oogschaduw, de zorgvuldig aangebrachte blauwe accenten. Hij zwijgt even, snuift. Bobby ziet de omslag in zijn kleine oogjes. Hij kantelt zijn hoofd ietsje, een miniem lachje speelt om zijn mond, zijn bovenlip glimt.
‘Ging je net uit ofzo? Hm?’
Bobby zwijgt.
‘Vreemd tijdstip om zo eh, opgedoft te zijn?’ Hij laat zijn blik omlaag dwalen, omhoog. ‘Of eh, komt er bezoek? Gezelschap, misschien?’  Zijn dikke wijsvinger richt naar haar benen.
‘Beetje luchtig, niet?’
Bobby zwijgt.
‘Mij hou je niet voor de gek hè. Dat moet er nog bijkomen. Beetje Casa Rosso spelen boven mijn hoofd’. Nu sjort hij aan zijn broekband.
‘Service aan huis. Mij maak je niks wijs, dame..’ Weer dat gesjor. Zijn zaakje verleggen. Weer een lachje.
Bobby zwijgt.
‘Maarre, als de zaken er zo voor staan, als je er zo één bent…’ Zijn dikke hand is op weg naar de rand van haar jas. ‘Dan kunnen we over genoegdoening praten, natuurlijk. In natura. Voor de overlast…’, op weg naar haar blote benen, ‘…kleine moeite…’, op weg naar het centrum.

Daar staat alles, in een flits, alles samen op één uitgelichte speelvloer. De jongens met brommers. Bij de poort. Bij de garage. Om de hoek, wachtend. De mannen in steegjes. De kerels aan de bar. Het sissen, het knijpen. Het tegen de muur duwen. De leraar. De assistent. De broer van-. De oom. De handen hier, daar, sorry of juist niet, even langs je rug, even langs je bil, gewoon even voelen, gewoon even hard knijpen. Schatje sloerie sletje, kun je niet kijken, ben je blind, ben je een racist of zo, moet je me niet, kijk me aan hoer, heb je wat nodig, moet ik je doen, geef me je nummer, je vraagt erom, je hebt een beurt nodig, kun je me niet even helpen, maak me los, doe het dan, frigide trut, je vraagt erom. Je vraagt erom.   

Met een grom in haar keel komt Bobby tot zichzelf, schiet het leven in haar ledematen terug. Ze legt haar handen op de schouders van de verbaasde buurman, die ze één fractie van een seconde ziet denken dat het zo gaat lopen als hij wil. Dan treft ze hem, met alle kracht die ze in haar gespierde bovenbeen kan verzamelen, in zijn kruis. Met een raar, hoog geluid klapt de man in elkaar, glijdt uit op de nog steeds glimmende keukenvloer, slaat met zijn hoofd tegen de metalen handgreep van het kastje en blijft piepend liggen.
Bobby stapt over hem heen, in de schoenen die klaar staan. Blik op de klok, ze zal zich moeten haasten, ze wachten al. Ze pakt de sleutel uit de deur, slaat die achter zich dicht, neemt de trappen, beent met grote passen over straat, de hoek om, daar is het museum, daar is de rij, ze loopt er langs, priority lane, haalt het kaartje dat ze al klaar heeft in haar linkerzak langs de scanner, tourniquet door, in rustige passen door de hal, de eerste zaal, de tweede zaal, een paar mensen kijken om, de meesten niet, die zien de kunst, die zien hun telefoonscherm, ze loopt erlangs, doelgericht, ze denkt aan haar moeder, haar zus, aan alle vrouwen, ze is een drone met een doel, ze bereikt de zaal.
Doet haar jas uit. Stapt uit haar schoenen.
Oogcontact met Sandrine, die de camera start en de luidpreker aanzet. Muziek, Ave Maria. Tekst klinkt:  ‘Je suis l’origine / Je suis toutes les femmes ….’
Daar is het schilderij.
Ze loopt naar voren, draait zich om.
Gaat voor het afzetlint zitten, onder de Courbet.
Ze spreidt haar benen, ze plaatst handen zoals ze zich voorgenomen heeft, het wit en het zwart en het rozerood in een gouden lijst, ze kijkt de zaal in.
Alles is kalm. Zij is kalm. O man, ze is nog nooit zo kalm geweest. 

 

Deborah de Robertis, Miroir de l’origine, 2014. Videostill (censored) van performance in Musée d’Orsay, voor ‘L’Origine du Monde’ (Gustave Courbet, 1866)

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

* verplicht

Meer Mister Motley?

Draag bij aan onze toekomstige verhalen en laat ons hedendaags kunst van haar sokkel stoten

Nu niet, maar wellicht later