Wat zegt het veenmos? Een speculatief essay over De Onlanden, ter ere van Into Nature
Dit jaar vindt de buitententoonstelling Into Nature plaats in het moerasgebied De Onlanden, op de grens van Groningen en Drenthe. Deze editie, getiteld Haunted by Waters, vertrekt vanuit de vraag hoe we ons vanuit het begrip wederkerigheid opnieuw tot het moeras kunnen verhouden, juist met het oog op een toekomst waarin steeds meer land aan het water zal worden ‘teruggegeven’. Deze vraag vormt het vertrekpunt voor dit speculatieve essay, waarin een veenmos uit De Onlanden de verteller is.
Veenmos en het pad van de slang
Stories are among our most potent tools for restoring the land as well as our relationship to land. We need to unearth the old stories that live in a place and begin to create new ones, for we are storymakers, not just storytellers. Robin Wall Kimmerer – Braiding Sweetgrass: Indigenous Wisdom, Scientific Knowledge, and the Teachings of Plants (2013)
The return from within the earth, from where the death rest, along with the capacity for bodily renewal, makes the snake the most natural symbol of immortality and of rebirth of sickness and mortal anguish. Aby Warburg- Images from the Region of the Pueblo Indians of North America (1923)
Wij, een plukje van een groot veenmos, staan al enige dagen op je bureau. Wij voelen je kijken, aandachtig. Als je goed luistert hoor je ons verhaal.
Wij veenmossen houden van natte gebieden, zoals het deel van de Onlanden ten westen van de stad Groningen, waar je ons vond. Wat je van ons ziet is een frisgroene bovenkant. Maar daaronder, waar het waterig is, stapelen onze afgestorven delen zich op. Deze zijn naar beneden gezakt en zwart van kleur geworden. Dit noemen jullie veen. Door de zure en zuurstofarme omstandigheden kunnen onze afgestorven delen niet volledig worden afgebroken. Zo vormt zich, laag op laag, steeds meer veen.
Per jaar groeit er zo’n 0,14 centimeter veen.[2] In duizend jaar kan zich zo een veenpakket van ongeveer 1,4 meter vormen. In het nabijgelegen Bargerveen zijn veenlagen bekend die tot circa zes meter dik zijn.[3] We slaan koolstof op die we ooit als koolstofdioxide uit de lucht hebben opgenomen. Momenteel beslaan wij met al onze zusterveengebieden samen maar 3 procent van het aardse landoppervlak.[4] Toch rust in onze lagen meer koolstof dan in alle bossen op aarde samen. [5]
In de Onlanden had meer veen kunnen zijn, maar veel van ons verdween vanaf de late middeleeuwen. Door drooglegging voor landbouw en de winning van turf verdwenen onze voorouderlijke lagen. Toen onze begraven resten opnieuw in contact kwamen met de lucht, oxideerden ze en kwam de eeuwenlang opgeslagen koolstof vrij als koolstofdioxide.[6] Of delen van ons werden gedroogd tot turf en verbrand in de steenovens van het nabijgelegen klooster in Aduard, waar kloostermoppen werden gebakken.[7] Dus wanneer het rode metselwerk van de Groningse kloosters en kerken je ogen vangt, weet dan: wij hebben daaraan bijgedragen.
Wat begon met landbouw, turf en baksteen, werd later grootschaliger en gemechaniseerd. Windmolens, gemalen en sloten moesten ons temmen. Veel van ons werd drooggelegd en ontgonnen; het land klonk in en het hoogveen verdween. Maar op de grens van Groningen en Drenthe hield een deel van ons stand. Daar bleef het laagveen bestaan. [8] Telkens wanneer jullie dachten ons bedwongen te hebben, keerde het water terug. Te nat, te instabiel. Dat verdomde onland, foeterden jullie. De monniken van Aduard hadden het eeuwen eerder al ervaren. [9]
Onze zustermoerassen ten oosten van Groningen, de veenkoloniën, hadden het slechter getroffen. Hier werden enorme oppervlakken afgegraven, afgevoerd en uiteindelijk verbrand. In jullie schoorstenen en fabriekspijpen stegen wij op als koolstofdioxide. Steeds meer van ons hoopte zich op in de atmosfeer en hield de warmte van de aarde vast.
We voelden hoe de warmere lucht alsmaar meer waterdamp droeg. Wat zich ooit geleidelijk verdeelde, viel nu vaker in korte, hevige buien.[10] Lucht en water bewogen anders. Wat eens een ritme van opbouw en afbraak was, verloor zijn maat: droogte hield langer aan, regen viel heviger, en de intervallen om te herstellen werd steeds korter. De natuurlijke kringlopen van verval en regeneratie raakten ontregeld. [11]
Herinner je de zware neerslag van 1998 nog?[12] Toen het water zich ophoopte rond jullie stad en delen overstroomden. Waar wij ooit water opnamen en vasthielden, lag nu ontwaterd en ingeklonken land dat de regen niet meer kon bergen. Gelukkig besloten jullie daarna om ons — De Onlanden — tot een waterbergingsgebied te maken. Weet dan dat wij tot twintig keer ons drooggewicht aan water kunnen opnemen en vasthouden.[13]
De wateroverlast deed de oudste veenlagen herinneren aan een verhaal dat ooit door het smeltwater van de voorlaatste ijstijd was doorgegeven. Het gaat over landijs dat zand, grind en zwerfkeien opstuwde tot wat jullie de Hondsrug noemen. Die gaf de stad Groningen haar hogere ligging, maar liet ook lage vlakten en kommen achter.[14] Daar bleef water staan, hoopten plantenresten zich op en groeiden wij uit tot veen. Tijdens de aanhoudende regen van 1998 vond het water opnieuw zijn weg naar die oude laagten.
Veel van het overgebleven moerasland ligt nu onder de bebouwing van de stad of onder de akkers, nadat onze rol als brandstof grotendeels was overgenomen door andere energiebronnen. Zo werden onze afgegraven zusterveengebieden in de veenkoloniën ontgonnen voor intensieve landbouw. Landbouwmachines strooiden mest uit en maaiden het gras. Om te voorkomen dat deze zware machines wegzakten in de natte veengrond, werd het waterpeil in de sloten verlaagd. Daarmee werd ons zusterveen blootgesteld aan zuurstof, waardoor het begon af te breken en in te klinken, een proces dat vandaag de dag geruisloos doorgaat.[15]
Jullie prechristelijke voorouders in de bronstijd en ijzertijd leken meer met ons te resoneren. Voor hen waren wij een gebied tussen het aardse en het kosmische; een toegangspoort naar het hogere.[16] Zij gebruikten ons, maar anders: voor het conserveren van voedsel[17], voor luiermateriaal[18], brandstof en zwaarden die ze wonnen uit het moerasijzer. [19] Uit dankbaarheid gaven zij dingen terug, zoals offermessen waarvan één bij ons in de buurt is gevonden, in het dorp Appelscha.[20] Maar het waren ook votiefoffers om hulp te krijgen van hogere machten of hun dank uit te drukken omdat hun smeekbeden waren gehoord. [21]
Je kunt dit misschien zien als primitief, maar wij voelden dat het voortkwam uit een besef van kosmische wederkerigheid. We hoorden dit terug in hun vertellingen over de slang Jörmungandr, die zichzelf in de staart beet en om de wereld wond om de orde te bewaren.[22] Wij herkenden hierin het voortdurende proces van geven en nemen; van eten en gegeten worden, zolang de midgaardslang niet loslaat. [23] Anders is er chaos ofwel Ragnarök.
Meestal werden voorwerpen, voedsel en offergaven in ons geworpen. Maar rond het begin van jullie jaartelling was het een meisje van zestien jaar dat hier niet ver vandaan in ons werd achtergelaten, in Yde om precies te zijn. Mogelijk hing dit samen met een dreiging die zich vanuit het zuiden naar het noorden verplaatste. [24]
Aan de grens van de Rijn verschenen groepen gewapende mannen, gehuld in harnassen en marcherend in strakke gelederen. Zij brachten een cultuur van efficiëntie, extractie en imperialisme met zich mee, waarin land werd gezien als bron van opbrengst voor een kleine elite.[25] Het leek alsof zij de staart van Jörmungandr wilden doorhakken. Een offer leek noodzakelijk.
Het meisje werd aan ons zusterveen toevertrouwd. Langzaam raakte zij met ons verweven. Veenmossige zuren en zuurstofarm water werkten op haar in en hielden bacteriën tegen die haar anders zouden hebben afgebroken. Als een beschermende huid hechtte het veen zich aan haar en looide haar lichaam.[26] Zo bleven haar huid, haar en zelfs haar vingerafdrukken bewaard. Ons zusterveen heeft het meisje door de poort voorbij de dood getrokken naar jullie tijdsdimensie, met in haar aanschijn een waarschuwende echo: Rag-na-rök.
Misschien heeft haar offer geholpen, want de Romeinen zijn niet blijvend voorbij de Rijn gebleven. Of had dit te maken met onze waterige, instabiele toestand en de onberekenbare zee? Aan ons viel geen rechte orde te ontlenen. Wat zij zagen was onland: onherbergzaam, verschuivend, onvoorspelbaar.[27] Hun centuriatio — het raster van rechte lijnen waarmee zij land verdeelden — vond hier geen houvast.
Pas in de late middeleeuwen kregen jullie grip op ons.[28] Wij zagen boeren met scheppen op ons afkomen, en vanaf de wierde Adewerth kwamen lekenbroeders uit het klooster van Aduard aangelopen.[29] De kerk torende uit boven het moerassige kwelderlandschap, dat bij vloed door het zeewater werd overspoeld.[30] De boeren en monniken groeven lange, rechte ontwateringssloten om ons heen, zodat onze bovenlaag uitdroogde en later met zand werd afgedekt om akkerland te vormen.[31]
Met de kennis van de monniken werden dijken, kanalen, sluizen en bruggen aangelegd om het water te beheersen. Zelfs de zee werd bestreden. Haar zoute tongen reikten vanaf het Noorden tot aan de wierde Adewerth. [32] Het was alsof de monniken een zalvend plezier in hun waterbeheersing beleefden. Zij zagen zich dan ook niet voor niets als ‘bedwingers van de natuur’, geroepen om Gods schepping in goede banen te leiden. [33] Binnen die schepping werden wij, planten, laag op de ladder van het leven geplaatst: boven het minerale rijk, maar ver onder de dieren en de mens. [34]
Maar de dijken deden jullie de verwoestende kracht van de zee vergeten. Jullie verleerden haar te vrezen en met haar noodlottigheid te leven. Hoe anders was dat voor de vroegere bewoners van de wierde. Deze watermensen bouwden hun heuvels van klei en plaggen boven op ons.[35] Wij voelden hoe het koude, bruisende zeewater ons doordrenkte en zich weer terugtrok — het gaf en nam.
Ja, het gaf de watermensen een open weg om te worden bevaren voor handel en levenservaring, en liet zeeslib achter voor vruchtbaar grasland waarop hun koeien konden grazen. [36] Zij spraken met respect over dit dier, verwijzend naar hun oerkoe Audhumla, die met haar kosmische melk het oerkosmische wezen Ymir voedde, uit wiens dode lichaam hun wereld zou ontstaan.[37] Maar de zee kon ook nemen: eens in de zoveel tijd kwam een verwoestende overstroming.[38]
Zelfs hun sterkste god Thor moest zijn meerdere erkennen in de zee. Wij hoorden eens een moederstem door het moerasriet vertellen hoe hij eens tijdens een drinkwedstrijd zijn hoorn niet kon ledigen, omdat die heimelijk verbonden was met de oceaan.[39] Of hoe hij onbezonnen ging vissen waar Jörmungandr zich schuilhield en hen daar aan de haak sloeg.[40] De golven rezen zo hoog dat zijn metgezel in paniek de vislijn doorsneed.
Met de komst van de monniken raakte de landomringer verstrikt in netten die niet loslieten. De blazende gifslang werd uit de wateren getrokken en uitgerold tot een rechte lijn.[41] Was dit het begin van een stille chaos? Want terwijl het water achter de dijken werd teruggedrongen en het land werd ontwaterd voor turf en landbouw, vervluchtigden wij tot koolstofdioxide. Eeuw na eeuw klonk het land in. Inmiddels zijn sommige Nederlandse veengebieden bijna twee meter weggezakt ten opzichte van de late middeleeuwen, terwijl de zeespiegel stijgt.[42]
De monniken zagen in de punt van Jörmungands staart een poort naar het eeuwige, hemelse leven: een bestaan voorbij de vergankelijkheid van het lichaam. [43] Maar onze materiële transformatie kent geen eindpunt en geen vaste bestemming. Wij zijn onderdeel van een voortdurende cyclus waarin vormen steeds veranderen: van afbraak naar nieuw leven. Als de monniken aandachtiger naar de grond hadden gekeken, hadden ze gezien hoe planten uiteenvallen en hun materie teruggeven aan de wereld om hen heen, waar het wordt omgezet in voedingsstoffen voor ander leven. Jullie lichamen volgen uiteindelijk dezelfde weg van eten en gegeten worden. Vertrouw daarom jullie lichaam toe aan een zuurstofrijke omgeving en de micro-organismen die het weer opnemen in de kringloop van het leven, in plaats van de ontbinding ervan zo lang mogelijk te vertragen in een grafkist. [44]
Ook de veenbazen hadden geen oor voor het idee van een cyclus van afbraak en regeneratie. Voor hen was het eindpunt van de slang geen poort naar het hiernamaals, maar een werkelijk einde.[45] Zij trokken daarom de aarde leeg en lieten hun turfgravers steeds dieper graven, om zich nog vóór de dood te laven aan weelde en aanzien. Toch gingen destijds onder de turfschippers andere verhalen rond,[46] waarin de landomringer en de melkkoe Audhumla nog doorklonken.
Zo vertelden zij over een meisje dat iedere ochtend warme melk bracht naar de rand van een veenmoeras, waar een slang kwam drinken.[47] In ruil daarvoor liet de slang telkens een goudstuk achter. Tussen het meisje en het moeras en de slang ontstond een stille wederkerigheid, tot haar vader het goud zag en de slang voor zichzelf probeerde te winnen. Vanaf dat moment verdween de slang en werd het meisje ziek. Pas toen zij terugkeerde naar de plek aan het moeras kwam de slang weer tevoorschijn en herstelde alles zich.
Jaren later, toen een veenbrand uitbrak, bracht de slang het gezin één voor één naar veilig land. Toen het de beurt was aan de vader, zei de slang dat hij de opgespaarde goudstukken moest achterlaten omdat hij anders te zwaar was. Maar de vader ging toch op zijn rug zitten. De slang kon hem niet dragen. Er ontstond ruzie, waarop de vader de slang doodsloeg en zelf in het moeras verdween. Alleen het spoor van de slang bleef achter als een smal pad door het veen — het pad waarlangs hij het kind en de moeder had geleid. Wie het verliet om de goudkleurige bloemen langs de rand te plukken, zonk weg in het moeras.
Al is dit pad nu moeilijk te vinden, wie goed luistert hoort het nog altijd door jullie verhalen kruipen. Zoals wij het voedzame water uit de oudere veenlagen omhoog laten sijpelen naar de jonge scheuten boven ons, zo blazen jullie al eeuwenlang de adem van vruchtbare verhalen uit stervende lichamen in die van pasgeborenen.[48]
Misschien zijn De Onlanden een eerste ademaanzet. Ze belichaamt een verhaal waarin het water terugkeert naar de veenweiden en wij weer mogen aangroeien. [49] Waarin het land niet langer wordt drooggezogen, zodat wij niet langer oxideren. Waarin mensen gewassen verbouwen die met het water meebewegen: lisdodde, wilde rijst en andere waterplanten die zich thuis voelen in natte grond.
En laat het water komen. Bouw opnieuw, zoals de watermensen ooit deden, maar niet op wierden van klei en plaggen, maar op pontons die drijven. [50] Zo kan het verhaal zich opnieuw sluiten, zoals de slang die haar staart in haar bek neemt.