De rivier als leraar – wij zullen alleen proberen te behouden wat we liefhebben
Belichaamd leren is kennis door te ervaren. Door het verschil te voelen tussen droge klei en natte slib. Door de geur en smaak van zeekraal te beleven. Of door te zien hoe de aalscholver zijn vleugels spreidt in de zon. Het is precies dat leren en die kennis die Susanne Luurs probeert te stimuleren in samenwerking met Debora Westra. Samen vormen ze het duo ZOLT. In de serie Grond voor Kunst schrijft Susanne over de taal waarmee mensen water en bodem kunnen lezen, luisteren naar het landschap en de poging minder te beheersen.
Vorig jaar zag ik het werk Embrace van beeldend kunstenaar Klara Hosnedlová (1990) in het Hamburger Bahnhof in Berlijn. In de grootste zaal, direct bij binnenkomst in het museum, klonk het gezang van een Tsjechisch vrouwenkoor, dat via een geluidsinstallatie door de zaal echode. Geluidtorens met speakers die ooit in een van de eerste Berlijnse technoclubs stonden.
Ik dwaalde tussen Hosnedlová’s immens grote sculpturen van hennep en wol, hangend vanaf het plafond tot de vloer. Op de grond en de muur bevonden zich robuuste werken van zand en beton met daarin verstopt kleine geborduurde tekeningen vol details van naakte lichamen en vacht en haar.
Haar installaties brengen tegenstellingen samen: van het organische tot het industriële, het handgemaakte en het geconstrueerde, het tijdelijke en het blijvende. In die spanning wordt materiaal voor mij niet alleen drager, maar krijgt het ook betekenis. Ik werd diep geraakt door de schaal van het werk, maar ook door de materiaalkeuze, de intensiteit en sensitiviteit: ik voelde de zorg en aandacht die erin zat.
Hosnedlová put uit ambachtelijke tradities en regionale verhalen van de plek waar ze is opgegroeid: Uherské Hradiště in Tsjechië. Haar beeldtaal voelt intiem, fysiek, gelaagd, en gaat over het persoonlijke en het collectieve. Ze nodigde mij uit om me klein te voelen, misschien wel nietig. Om te beseffen dat ik onderdeel ben van iets groters, dat mijn lichaam en het landschap met elkaar verbonden zijn.
Dat gevoel van nietigheid, of je helemaal een met het landschap voelen, herken ik. Op plekken in het Groninger landschap ervaar ik het ook. Het besef dat ik maar een klein onderdeel ben van alles om me heen en dat alles om mij heen ertoe doet. Dat ik het liefheb en ik ervoor moet zorgen. In De aarde, een kleine geschiedenis (2021) van Andrew H. Knoll staat een citaat van de Senegalese boswachter Baba Dioum: ‘Wij zullen alleen proberen te behouden wat we liefhebben; we hebben alleen lief wat we begrijpen; en we begrijpen alleen wat ons is geleerd.’ Die woorden raken me elke keer dat ik ze lees.
In Middag-Humsterland ontwikkel ik een wandelroute. Ten zuiden van het Reitdiep, de rivier die van de stad door de provincie naar het Wad loopt en de rivier waaraan ik als kind opgroeide.
In 2024 vroeg Coöperatie Sterke Musea Groningen (CSM) mij om als performancekunstenaar een route te maken voor hun project Veldatlas: een performatieve ervaring waarin de bezoeker al diens zintuigen gebruikt. Tijdens de wandeling wordt de wandelaar uitgenodigd om handelingen uit te voeren. Op die momenten wordt de wandelaar zelf performer.
Samen met CSM stippelde ik de route uit. Op zoek naar interessante plekken, verhalen en uitzichten: langs weilanden, lanen met abelen – bomen die eruitzien alsof ze naar je kijken – oude heerden, binnendijken en het meanderende Reitdiep. De wandeling duurt ongeveer tweeënhalf uur en is negen kilometer lang, langs akkers, wierden en greppels. Bezoekers wandelen langs de Allersmaborg en de sluis bij Aduarderzijl. Vanuit daar kan de wandelaar de veerboot nemen over het Reitdiep, naar Schaphalsterzijl in de gemeente Het Hogeland. Of vanuit Aduarderzijl doorlopen, via Feerwerd, terug naar Ezinge.
Ik nodig de wandelaar uit om het landschap te ervaren door alle zintuigen in te zetten. Niet alleen door te kijken, maar door dichterbij te komen, te vertragen. Waardoor de wandelaar leert luisteren, voelen, proeven. Als oefening om een fysieke verbinding aan te gaan met wat om je heen is. Zo hoop ik, zoals Dioum verwoordt, de bezoeker uit te nodigen om het landschap lief te hebben en ervoor te zorgen.
Zo’n liefdevolle en zorgzame verbinding ontwikkel je door opmerkzaam te zijn. Als je de wind voelt. Het verschil in temperatuur tussen de kleibodem en de zon op je huid. Door te zien hoe de aalscholver zijn vleugels spreidt als het warm is. De geur van een bloeiende bloem te ruiken. Het verschil te voelen tussen zand en klei, tussen je vingertoppen. Door te zien waar de waterkers groeit, aan de rand van de rivier. Waar de lisdodde wel floreert en waar niet. Door te voelen hoe licht een vlinder weegt op je huid, voor die verder fladdert op zoek naar nectar. Door te zien hoe een zwartgeel gestreepte rups op je lichaam kleeft of kruipt op Sint-Jakobskruiskruid. Door vissen te zien happen aan het wateroppervlak, hoe ze bellen laten ontstaan. Dit soort ervaringen in het landschap, de herinneringen en indrukken die je in de natuur opdoet, is wat je een gevoel van verbondenheid geeft.
Om tot zo’n wandeling te komen, heb ik veel tijd in het gebied doorgebracht. Ik dwaalde door het landschap en leerde de plekken kennen waar de wandelaar straks ook langskomt. De zintuiglijke benadering die voor mij zo belangrijk is, benadruk ik door de wandelaars handreikingen te doen. Zo nodig ik ze uit tot het drinken van thee van lokale planten. Of om het water te naderen. Te luisteren, ruiken, voelen. Ik vraag hen stil te staan, te zitten of zich langzaam te bewegen vanaf het begin van een bosje tot aan het water. Deze instructies krijgen ze via een audiofragment, te beluisteren op hun telefoon. Onderweg kijken ze naar de horizon en fluisteren ze woorden mee met de wind. Ze zien op hun scherm een videoperformance van mij op diezelfde plek in het landschap.
Ze worden dichter bij het water gebracht om te voelen hoeveel erin leeft. Om te voelen dat we het water delen met andere levenden. De eenvoudige handelingen tijdens de wandeling openen een manier van waarnemen die intuïtief is en lastiger uit te drukken is in taal. Een indruk of gevoel van verbondenheid die voor ieder persoon anders kan voelen.
We zijn vergeten dat we met water verbonden zijn.
In Braiding Sweetgrass (2013) beschrijft schrijver, ecoloog en lid van de Potawatomi-gemeenschap Robin Wall Kimmerer hoe in veel westerse talen de natuur verschijnt als iets buiten ons. Ze geeft een voorbeeld dat me is bijgebleven. In het Engels is bay, baai, een zelfstandig naamwoord. Iets vast, afgebakend, tussen twee oevers gevangen. In het Potawatomi is wiikwegamaa een werkwoord: een baai zijn. Het water heeft, voor dit moment, besloten zich tussen deze oevers te schikken. Het had ook rivier kunnen zijn, een golf, of stroom.
In Drinkable Rivers (2021) beschrijft activist Li An Phoa een kanotocht over de Rupert in Canada, samen met iemand uit de Cree-gemeenschap die ooit langs de rivier leefde. Op sommige plekken langs de 763 kilometer lange rivier kon ze nog rechtstreeks uit het water drinken, iets wat bij Nederlandse rivieren ondenkbaar is. Die ervaring zette haar aan tot de missie om ook de Maas, de rivier waaraan zij opgroeide, weer drinkbaar te maken. Phoa schrijft dat een rivier meer is dan water alleen, maar een bron van kennis: de vissen en planten erin verraden hoe gezond het is. Ze leert dat een rivier je eerste leraar kan zijn, mits je haar leert lezen en beluisteren, iets wat ook zonder schrift kan, via stroming, waterleven en geur, zoals een Groningse boer uit Het Hogeland mij ooit liet ruiken aan de klei van zijn akker en mij leerde dat gezonde klei geurloos is.
Dat we lezen automatisch aan schrift koppelen, is een beperking. Het woord komt van het Germaanse lesan, “verzamelen” of “oogsten”, zoals in “aren lezen”, en verwees oorspronkelijk naar het duiden van tekens in de natuur: vogeltrek, sterrenstand, luchtkleur. Pas later kreeg het de betekenis van letters ontcijferen. Kimmerer en Phoa grijpen terug op die oudere betekenis: lezen als het oogsten van betekenis uit wat zich aandient, niet als iets wat alleen met schrift te maken heeft.
Taal bestaat ook zonder woorden, en lezen is ouder dan schrift. Die taal om water en bodem te lezen leeft nog voort bij veel inheemse gemeenschappen. Hoe rijker die taal, hoe dichter ze je bij de natuur brengt, niet omdat woorden de werkelijkheid maken, maar omdat ze bepalen waar je aandacht op valt.
Nederland staat bekend als waterland, maar we zijn vooral in strijd met water. Het landschap is lange tijd benaderd als iets dat gemeten, ingedeeld, beheerst moest worden, ingepolderd, geoptimaliseerd, tot systeem gemaakt. We beheren het, controleren het, beschermen onszelf tegen het water. Met dijken, gemalen, dammen en drainagepijpen die een groot deel van de bodem in beslag nemen.
In 1969 werd de Lauwerszee afgesloten van de Waddenzee door de bouw van spuisluizen. Zout water werd van zoet gescheiden. Met catastrofale gevolgen. Het water en de bodem werden brak. Zoetwaterorganismen stierven. Tot in Zoutkamp was de zwavelachtige geur te ruiken. Voor die tijd stond het Reitdiep in open verbinding met de Waddenzee. Daar, waar zout en zoet elkaar ontmoetten, kon ze die stromingen zelf reguleren. Ze droeg die kennis in zich. Al eeuwen. Elke overstroming. Elk seizoen. Elke verschuiving van zout naar zoet ligt in haar bedding opgeslagen. Als een geheugen. Langs haar oevers groeide zeekraal, die de klei opving en vasthield en zorgde voor kreekruggen die nog steeds zichtbaar zijn in het Groninger landschap. Diep in de bodem langs de rivier vind je nog steeds schelpen, zand, klei. Ze maken het land vruchtbaar. Daar kunnen we van leren, daar kunnen we mee samenwerken.
ZOLT
In mijn werk onderzoek ik onze verhouding met het landschap. Welke taal er nodig is om te leren luisteren naar het landschap. Ook binnen ZOLT, het duo dat ik samen met Debora Westra vorm, zoeken we daarnaar. ZOLT betekent zout in het Gronings. Binnen onze praktijk richten we ons op historische en regionale verhalen, net als Klara Hosnedlová, maar dan van onze geboortegrond: het Groningse kustgebied en de Waddenzee.
In opdracht van het Waterschap Noorderzijlvest ontwikkelden we een performance waarin we als waternomaden op het land een verhaal over de waarde van water deelden. De performance was onderdeel van een evenement in het Lauwersmeergebied, georganiseerd door het waterschap, om bewoners bewuster te maken van het water om ons heen. Van watergebruik. Van vervuiling, droogte, wateroverlast.
Tijdens de performance stond Debora op een drijvend eiland met drie spiegelpilaren die het water vanuit alle kanten terugkaatsen. Het eiland meerde aan bij een installatie van metalen staanders en transparante buizen, gevuld met zoet water en waterplanten. De pakken, ontworpen door ontwerper Marloes Hoogeveen, droegen transparante zakken. Daarin verzamelden we waterplanten, schelpen, zand, slib. Materialen uit het gebied zelf die we op ons lijf droegen.
Op de kant droeg Debora een verhaal voor. In het Nederlands en het Gronings, maar ook in een speculatieve watertaal met waterachtige klanken. Ook die klanken zijn door mensen bedacht. Ik weet het: een uitgevonden klank blijft een menselijke poging om te spreken, geen antwoord van het water zelf. Misschien is dat niet erg. Misschien is het geen gesprek, maar een gebaar. Een erkenning dat onze eigen taal tekortschiet en dat we daarom iets nieuws verzinnen, al is het onvolmaakt. Het verhaal werd ondersteund door een soundscape, opgenomen met een hydrofoon. Aan het einde van de performance deelden we water uit aan het publiek dat ze tegelijk met zijn allen, als een gebaar, teruggaven aan de aarde.
Ik hoop met mijn werk, maar ook met dat van ZOLT uit te nodigen tot bewustwording door te leren van je ervaringen.
Cognitief leren levert kennis op. Zoals een boek dat vertelt dat het Reitdiep ooit in open verbinding stond met de Waddenzee. Feiten kun je navertellen zonder ooit je voeten in de klei te hebben gezet. Dat is wat de Britse filosoof Gilbert Ryle ‘knowing that’ noemde: kennis op afstand.
Belichaamd leren is kennis door te ervaren. Door het verschil te voelen tussen droge klei en natte slib. Door de geur en smaak van zeekraal te beleven. Of door te zien hoe de aalscholver zijn vleugels spreidt in de zon. Cognitieve kennis houdt afstand: de onderzoeker staat tegenover het Reitdiep als iets dat bestudeerd wordt. Belichaamde kennis heft die afstand gedeeltelijk op. Je blijft weliswaar een denkend, waarnemend mens, maar het water raakt je, draagt je, duwt tegen je aan: je wordt niet langer alleen toeschouwer, maar ook deelnemer aan hetzelfde fysieke gebeuren als de rivier. Zoals Kimmerers wiikwegamaa laat zien: geen baai als vaststaand ding, maar water dat, voor dit moment, besluit een baai te zijn. Zo wordt de rivier geen object waarover je leest, maar iets waarmee je, al lopend, al zwemmend, al kanoënd, een verhouding aangaat.
Ik hoop in mijn werk uit te nodigen tot die verbinding. Door te vertragen, luisteren, voelen, maar ik wil ook eerlijk zijn over wat er misgaat zodra we dat proberen te vangen in een verhaal waarin het water spreekt. Zodra we het water een stem geven, is het nog steeds de mens die spreekt. Wij kiezen de woorden. Wij bepalen de toon. Luisteren naar het landschap is nooit luisteren zoals mensen luisteren naar een persoon die spreekt. Het is ook invullen en duiden. Een menselijke vertaling van iets dat geen mensentaal spreekt.
Ik denk niet dat die frictie oplosbaar is. Elke poging om het niet-menselijke aan het woord te laten, blijft een menselijke poging. Toch geloof ik dat de poging zelf iets waard is. Niet omdat ze het landschap laat spreken, maar omdat ze mij, en de wandelaar, het publiek, dwingt om anders te kijken. Het gaat over inlevingsvermogen en verbeelding. Over empathie. Over je kunnen inbeelden van wat je probeert te begrijpen, te voelen.
Van iets dat je bestudeert, naar iets waarmee je een gesprek probeert te voeren, ook al weet je dat dat gesprek niet is zoals tussen mens en mens. De rivier als leraar: het is oefening. Pogingen om onszelf te trainen in een andere houding: minder beheersen, meer in het landschap zijn en het proberen te lezen, meer vragen stellen aan iets dat nooit helemaal zal antwoorden.
Dat gebeurt ook tijdens de wandeling langs het Reitdiep door Middag-Humsterland. Als bezoekers theedrinken van lokale planten, of stilstaan op instructie van een audiofragment, denken ze niet bewust: “ik zoek nu een taal om met het water te communiceren”, maar er ontstaat ruimte om op te merken wat er om hen heen gebeurt. De wind. De geuren. Welke kant de stroming op gaat. Of het water een lijn trekt langs de oever. Daar, in dat moment van aandacht, begint iets dat op luisteren lijkt. Nog voor er een woord voor nodig is.
Ik herken in die wandeling ook wat Hosnedlová me leerde. Dat je tijd moet nemen om op te merken. Dat de duur van ergens zijn belangrijk is om te ervaren. Dat de tijd die je neemt onderdeel is van het werk. En dat het grote alleen te begrijpen is via het kleine: het landschap naast het detail van een greppel, een vlinder op één specifieke plant. Zo is de wandeling, net als de performance van ZOLT, geen oplossing voor het vinden van een gezamenlijke taal tussen de mens en het landschap. Maar wel een poging om de afstand tussen ons en het landschap te verkleinen. Het zijn oefeningen om die afstand, al vertragend, al voelend, al luisterend, iets kleiner te maken.
Vanaf oktober is de wandelroute in Middag-Humsterland beschikbaar via de app van Veldatlas. De route start in Ezinge bij Museum Wierdenland. Meer info: https://veldatlas.app