De staat ziet alles, maar geeft niets terug – over States of Violence in POST Nijmegen
Josephine Broekhuizen bezocht States of Violence in POST Nijmegen, een tentoonstelling die laat zien hoe de systemen die geweld zouden moeten begrenzen – democratie, rechtspraak, media, archieven, politie – zelf beginnen te rafelen. ‘Ik vraag me direct af: als juist deze structuren kwetsbaar worden, hoe weet ik dan nog wat waar is? En wanneer word ik ongemerkt onderdeel van dat geweld?’
Wanneer ik POST binnenloop, de oude paraplufabriek aan de Van Oldenbarneveltstraat, voelt het alsof de ruimte zelf al een waarschuwing afgeeft. De fabriekshal is klein, kil en kaal. Door het schuine dakraam valt het licht hard naar binnen, alsof het me eerder wil wegduwen dan uitnodigen. De temperatuur hangt ergens tussen fysieke kou en geestelijke kilte; onwelkom, afwerend. In die sfeer bekeek ik de werken van Diego Tonus & Elisa Caldana en Katerina Sidorova.
De tentoonstelling States of Violence laat me zien hoe de systemen die geweld zouden moeten begrenzen, democratie, rechtspraak, media, archieven, politie, zelf beginnen te rafelen. Ik vraag me direct af: als juist deze structuren kwetsbaar worden, hoe weet ik dan nog wat waar is? En wanneer word ik ongemerkt onderdeel van dat geweld?
Ik moest denken aan een uitspraak van het Europees Hof van Justitie dat oordeelde dat lidstaten van de EU hun burgers meer inzage moeten geven in hoe de politie hun gegevens verzamelt, bewaart en gebruikt. In landen zoals België staan inmiddels miljoenen burgers in politiedatabanken, vaak zonder dat ze weten waarom, hoe lang, of met welke gevolgen. Ik vind het verontrustend dat burgers nauwelijks toegang hebben tot hun eigen dossier en fouten of misbruik amper kunnen aanvechten.
Het Nederlandse toeslagenschandaal laat zien hoe desastreus dat kan uitpakken. Duizenden ouders werden jarenlang als fraudeur bestempeld op basis van foutieve of onvolledige registraties, algoritmische aannames en een archief dat zich aan hun blik onttrok. Ze konden niet zien welke gegevens over hen waren opgeslagen, welke conclusies daaruit werden getrokken, of hoe ze die konden corrigeren. Een archief zou een buffer moeten zijn tussen burger en staatsgeweld: een plek waar feiten controleerbaar en toetsbaar blijven. Wanneer dat archief ondoorzichtig wordt, valt die bescherming weg. De burger wordt kwetsbaarder, de staat machtiger.
Maar tegelijkertijd zie ik in de tentoonstelling ook hoe kwetsbaar de staat zelf is. De structuren die haar macht moeten ondersteunen lijken broos wanneer blijkt dat meekijken en archiveren niet altijd leidt tot de juiste interpretaties. Twee werken maken die kwetsbaarheid zichtbaar door transparantie te tonen. Ze leggen bloot wat normaal verborgen blijft.
The Wall van Katerina Sidorova is een op ware grootte nagebouwde voorkant van een MEvoertuig. Waar normaal een massieve stalen stootbalk zit, bedoeld om menigten weg te duwen en dreiging uit te stralen, plaatst Sidorova glazen panelen. Dat ene materiaalverschil verandert voor mij de hele ervaring. Het voertuig blijft herkenbaar als instrument van staatsmacht, maar wordt doorzichtig, breekbaar, bijna decoratief.
De verschillende glassoorten doen me denken aan jaren30ramen, alsof een raam uit een woonhuis in een repressiemachine is gemonteerd. Die esthetiek maakt het werk niet zachter; glas is kwetsbaar, maar ook scherp en gevaarlijk. De voorkant van het voertuig, normaal een ondoordringbare muur, wordt transparant. Ik zie wat ik anders nooit zou zien: de binnenkant van een apparaat dat ontworpen is om te intimideren. De vorm blijft dreigend, maar het materiaal laat zien hoe weinig er eigenlijk voor nodig is om het te laten bezwijken.
MEvoertuigen en schilden zijn in hun ontwerp panoptisch: gemaakt om te kijken zonder bekeken te worden. Ze vormen de frontlinie van surveillance. Door ze in glas uit te voeren, draait Sidorova die logica om. De macht wordt zichtbaar. De drager wordt zichtbaar. De blik wordt wederkerig.
De agent achter het schild krijgt een gezicht, een lichaam, een kwetsbaarheid. In The Wall wordt voor mij duidelijk hoe een instrument van controle niet alleen draait om macht die bestaat uit harde materialen en fysieke kracht, maar ook uit beelden, symbolen en verwachtingen — en dat juist die laag verrassend kwetsbaar blijkt.
Dit werk is niet los te zien van de politieke en culturele context waarin Sidorova is opgegroeid. Haar focus op staatsmacht, onderdrukking en de werking van nietdemocratische regimes sluit direct aan bij de realiteit die zij van binnenuit kent. Dat blijkt uit haar eigen artist statements, waarin ze expliciet verwijst naar de representatie van staatsmacht en autoritaire systemen, én uit tentoonstellingsdocumentatie die haar werk plaatst in relatie tot Russische propaganda en staatsgeweld.
Ik ga een kleine container binnen waar twee klapstoeltjes staan. Aan de kopse kant zie ik wat in eerste instantie een weinig interessante, computer geneerde video lijkt: een klinisch grijs kantoor, leeg, strak, zonder enige menselijke aanwezigheid. Ik kijk naar Topography of Terror van Elisa Caldana en Diego Tonus.
De camera beweegt traag door het gebouw heen. Later lees ik dat de film zich afspeelt in het nooit gerealiseerde gebouw van de Topographie des Terrors in Berlijn, ontworpen door de architect Peter Zumthor. Een ontwerp voor een documentatiecentrum op de plek waar tijdens het Nazitijdperk het hoofdkwartier van de Gestapo, de SS en de Reichsveiligheidsdienst stond.
De video toont een volledig digitale, computer gegenereerde reconstructie van het nooit gerealiseerde gebouw. Alles is weergegeven in grijstonen. Door het ontbreken van kleur en mensen ontstaat een onwerkelijke, steriele sfeer. Het licht is zacht en weinig contrastrijk. Ik zie de camera langzaam door grote, lege ruimtes glijden, brede gangen, open hallen, hoge betonnen volumes. Door de vloeiende bewegingen voelt het alsof ik zelf door het gebouw zweef.
De voice-over blijkt afkomstig van een nieuwsredacteur die vertelt hoe hij dagelijks urenlang gewelddadige beelden bekijkt: explosies, arrestaties, lichamen, chaos. Terwijl hij dat beschrijft, realiseer ik me hoe vreemd de plek is waar hij werkt. Hij zit in een gebouw zonder archief, zonder dossiers, zonder enige vorm van documentatie. Het is een ruimte die wel beelden ontvangt, maar niets bewaart. Een gebouw dat kijkt, maar geen geheugen heeft.
De redacteur ziet geweld, maar wordt zelf niet gezien. De redactie voelt als een soort mentaal panopticum: een plek waar beelden binnenkomen, geordend worden, en waar macht ontstaat door selectie. Maar juist in die omgeving ontbreekt alles wat nodig is om te controleren wat hij ziet. Die afwezigheid van documentatie maakt zijn positie kwetsbaar. Hij kan niets terugzoeken, niets vergelijken, niets bevestigen. De infrastructuur die normaal gesproken helpt om waarheid te verifiëren is hier simpelweg niet aanwezig.
Terwijl ik naar hem luister, merk ik dat die situatie voor mij iets blootlegt dat verder reikt dan zijn persoonlijke ervaring. Wij als toeschouwers denken het gebouw te zien waarin hij werkt, maar we zien vooral dat het leeg is. Hij heeft geen toegang tot documentatie, en wij evenmin.
Dat doet denken aan onze eigen positie als burgers: we weten dat er archieven bestaan waarin informatie over ons ligt, maar we weten niet wat erin staat, en we kunnen er niet bij. Het laat zien hoe afhankelijk we zijn van systemen die bepalen wat wordt vastgelegd, wat wordt bewaard, en wat uiteindelijk als waarheid kan gelden.
Topography of Terror is een doorlopend project. Het moet leiden tot een reeks werken die het idee van mentale beelden en herhaling verder uitwerken. Daarbij onderzoeken ze hoe hedendaagse vormen van terreur ontstaan, zich verspreiden en telkens in nieuwe gedaanten terugkeren. De digitale reconstructies van nietbestaande gebouwen dienen daarbij als mentale ruimtes waarin zichtbaar wordt hoe geweld, terreurdreiging en mediabeelden functioneren
In beide werken valt voor mij op hoe belangrijk transparantie is. Glas vormt een duidelijke verbinding tussen The Wall en Topography of Terror. Glas maakt zichtbaar wat normaal verborgen blijft, maar laat tegelijk zien hoe snel iets kan breken. In de film zie ik dat niet alleen het gebouw door zijn glazen façades volledig transparant is, maar dat de redacteur zelf bijna een soort glazen interface wordt. Alles komt door hem heen, maar niets blijft hangen. Hij kan niets bewaren of controleren. Iedere vorm van grip ontbreekt.
In The Wall zie ik iets vergelijkbaars gebeuren, maar dan aan de kant van de staat. Het voertuig dat normaal ondoordringbaar is, wordt door het glas ineens doorzichtig. De façade van macht blijkt een kwetsbare constructie zodra je er letterlijk doorheen kunt kijken. Wat bedoeld is als barrière, wordt een oppervlak dat kan breken.
De tentoonstelling States of Violence confronteert mij daarmee opnieuw met die bredere vraag: hoe veilig ben ik eigenlijk in een samenleving waarin de systemen die mij zouden moeten beschermen zelf ondoorzichtig, instabiel of niet toegankelijk zijn? De staat ziet alles, maar geeft niets terug. Waarom krijg ik geen melding wanneer ik in een algoritme naar boven kom? Nu lijk ik als burger te veranderen in een soort doorstroomdiagram, waarna ik een administratieve vorm van Russische roulette moet ondergaan. De infrastructuur van bewijs bestaat, maar functioneert niet als bescherming wanneer het misgaat. In die zin lijkt het op de redactiekamer zonder geheugen: een systeem dat kijkt zonder verantwoordelijkheid.
–
States of Violence is nog tot en met 3 mei 2026 te zien in POST, Nijmegen.