De tuin van Groningen
In de tiendelige serie Grond voor kunst, waarin we inzoomen op de interactie tussen hedendaagse beeldende kunst en het Groningse landschap, publiceren we vandaag Susanne Luurs reflectie op het onderzoek voor haar kunstwerk Wierdetuin. Susanne groeide op in Groningen. Op uitnodiging van Sense of Place deed ze artistiek onderzoek naar het Damsterdiep, een oud kanaal van Delfzijl naar de stad Groningen. Door zich letterlijk door het landschap te bewegen – kajakkend, zwemmend, wandelend – werd ze er onderdeel van en kon ze komen tot een kunstwerk dat ook voor het landschap betekenis draagt.
In 1981 voer Han Jansen met een boot en een paar fotografen de Dollard op. Hij strooide milieuvriendelijke kleurpoeders in de lucht en in de geulen. Het water zelf werd drager van zijn werk. Door zijn actie werd het idee van ‘bereik’ zichtbaar door stroming en ritme. Jarenlang stond de overheid toe dat de Dollard en de Eems door industrie werden vervuild. Jansen maakte in dit werk, dat de titel Waddenproject draagt, het onzichtbare zichtbaar.
Han Jansen groeide op in Kloosterburen. Niet ver van waar ik ben opgegroeid in Winsum. Beiden in noordelijkste gedeelte van de provincie Groningen, ook wel Het Hogeland genoemd. In het jaar dat hij overleed, 1994, werd ik geboren. Hij overleed in februari, ik werd geboren in november. Ik weet niet of ik geloof in een soort spirituele cyclus, maar dit vind ik een mooi gegeven.
Tijdens mijn studie aan kunstacademie Minerva maakte ik via mijn docent Nico Gerbenson kennis met het werk van Jansen. Mijn werk ging toen al over het gebied waar mijn wortels liggen. Over de verhouding die wij mensen hebben tot het landschap. Wat me raakte in Jansens werk is de aandacht voor het landschap. Voor dat wat we erin achterlaten en wat langzaam beschadigt wanneer individuen of bedrijven het landschap aantasten en veranderen. Zijn werk schreeuwt niet, maar is subtiel. Het is kritisch, bevragend, vriendelijk en toch activistisch.
Zelf heb ik een sterke verbondenheid met klei. Zware grijsblauwe klei, af en toe met een beetje oranje. Soms vraag ik me af waardoor mensen zich verbonden voelen met het landschap. Mijn oma liet me de stamboom van haar kant van de familie zien die terug reikt tot het jaar 1760. Naar ene Oek, geboren in Slochteren. Zijn kinderen en ook hun kinderen werden geboren in Leens, Ulrum, Baflo, allemaal dorpen in het Hogeland waar ik ook ben opgegroeid. Mijn voorouders hebben op deze grond hun voetsporen achtergelaten.
Ik deelde mijn fascinatie voor het werk van Han Jansen en verwondering dat hij uit hetzelfde gebied komt met Anika van de Wijngaard toen zij mij benaderde als gastauteur bij te dragen aan de reeks Grond voor kunst. Han stierf 9 maanden voordat ik werd geboren. Mijn verhaal deed Anika denken aan het gedicht Mark Rothko en ik van Han Kang. Wat mij in dit gedicht raakte zijn deze regels: ‘Al is het overbodig om toe te lichten / er bestaat geen enkel verband tussen Mark Rothko en mij / Hij werd geboren op 25 september 1903 / en stierf op 25 februari 1970 / Ik werd geboren op 27 november 1970 / en ben nog in leven / En toch / komen de negen maanden / die zijn dood en mijn geboorte van elkaar scheiden / nu en dan bij me op’. Die 9 maanden ertussen betekenen misschien helemaal niets. Maar het opmerken en er over kunnen nadenken of fantaseren vind ik fascinerend. Want zouden er relaties zijn die we als mensen niet begrijpen? Of kunnen zien? Of verbindingen die niet rationeel te verklaren zijn?
Nadenken over spirituele betekenissen doet me ook denken aan de verbinding die ik voel met het landschap. Komt dat gevoel voort uit dat mijn voorouders dezelfde bodem deelden? Of door de herkenning in Han Jansen en zijn werk? Komt het door opmerkzaamheid?
Een plek leren kennen kan door erover te lezen. Door ernaartoe te gaan. Door ernaar te kijken. Maar dat voelt voor mij als afstand houden. Wanneer je naar iets kijkt zit er altijd ruimte tussen jou en dat waarnaar je kijkt. Voor mij is fysiek artistiek onderzoek een manier om het landschap te ervaren. Om er onderdeel van te zijn. Om mijn lichaam in te zetten en om met het landschap samen te smelten. Om het landschap te leren kennen met de natuur die het te bieden heeft: haar water, haar lucht, haar aanwezigheid.
Vanuit Sense of Place, een platform voor hedendaagse beeldende kunstinitiatieven in Noord-Nederland, kreeg ik in 2024 de vraag of ik een jaar onderzoek naar het Damsterdiep wilde doen, met als doel een voorstel in te dienen voor een werk voor het landschap en de gemeenschap. Tijdens dit onderzoek werkte ik met mijn lichaam als instrument. Ik wandelde langs het Damsterdiep, zwom erin, fietste erlangs en kajakte erover. Hierdoor bewoog ik me door het gebied en leerde in het landschap en ook de gemeenschap kennen door aanwezigheid. Iedere keer nam ik iemand anders mee: een persoon met expertise die ook een relatie heeft met het gebied en van wie ik kon leren. Tijdens de activiteit spraken we over het landschap, maar ook met het landschap, dat steeds meer een gesprekspartner werd.
Kunstenaars als Ana Mendieta en herman de vries inspireerden deze manier van werken voor mij. Mendieta gebruikte haar lichaam in aarde, modder, en steen om te onderzoeken waar zij zich thuis voelde. De vries ziet de natuur niet als iets om te representeren, maar als iets om mee samen te werken. Hun werk laat zien dat kennis niet alleen of meteen talig is, maar ontstaat door aanwezigheid, tijd en aanraking. Het brengt me terug naar een gastles die ik tijdens mijn studie kreeg van Ienke Kastelijn: sensorial walking and performing. We wandelden tijdens de lessen in stilte door de stad Groningen en gebruikten onze zintuigen. We leerden ons lichaam te vertrouwen en ik werd me bewust van hoe ik mezelf verhoud tot de ruimte om me heen.
Het Damsterdiep is niet een diep, maar een samenhang van verschillende gegraven wateren. Delen zijn al ouder dan de viertiende eeuw. Het grootste deel werd rond de vijftiende eeuw afgegraven. Het loopt van de zee bij Delfzijl via Appingedam naar de stad Groningen. In het boek Stemmen van Groninger Dijken (2001) vraagt Aafke Steenhuis zich af hoe de provincie Groningen er duizend jaar geleden uit moet hebben gezien. Kwelderwallen, oeverwallen. Boeren die met plaggen en mest hun woonplekken ophoogden tegen het water. Zo ontstonden de eerste wierden. Ze schrijft over de eerste twee nederzettingen, die later uitgroeiden tot wat we nu kennen als de stad Groningen: een nederzetting met een kapel die werd opgedragen aan Sint Nicolaas, beschermheilige van de zeelieden, aan de Drentse Aa die later uitgroeide tot de A-kerk. De andere nederzetting was het brinkdorp aan het uiteinde van de Hondsrug, dat later de Grote Markt werd en waar in 1461 de bouw van de Martinikerk begon. Deze kerk werd opgedragen aan Sint Maarten, de beschermheilige van de handelslieden.
De monniken en kloosters waren ook bepalend voor het inrichten van het Groningse landschap. Hun sporen zijn nog steeds zichtbaar. Ze waren meesters in het bakken van baksteen uit kalkloze maar ijzerhoudende klei, legden dijken aan, richtten het Aduarderzijlvest op, het latere waterschap. Ingrepen die gaan over beheersing en controle van het landschap. De gemeenschappen daar die voor die periode woonden, rond 500 v.C en tot ongeveer 600 n.C, leefden op wierden met dobbes; zoetwaterbronnen, als middelpunt van de gemeenschap. Een animistische manier van leven: dat houdt in dat ze leefden met het ritme van het landschap. Ze waren volledig afhankelijk van natuur en dieren. Dit bestaan kenmerkte zich door een diepe verbondenheid met de omgeving, waarbij dieren werden gezien als gelijken, bronnen van leven en als spirituele gidsen.
Het Damsterdiep werd een belangrijke scheepvaartroute voor handel. Langs het water ontstonden steenfabrieken, houtzagerijen, dorpen van rode baksteen, kerktorens als bakens aan de horizon.
Tijdens mijn onderzoek dwaalde ik langs het diep. Veel wierden zijn inmiddels afgegraven en hun vruchtbare grond is naar Drenthe gebracht om op te boeren. De meeste steenfabrieken zijn verdwenen, op een enkeling na die vervallen of afgebroken langs het diep staat. Huizen en boerderijen staan in houten stutten, als tijdelijke bescherming om instorting tegen te gaan. In sommige dorpen staan aan de rand nieuwe kant-en-klare huizen of containers, voor mensen die niet meer in hun eigen huis kunnen wonen. Dat heeft alles te maken met de gaswinning.
In Thesinge en Ten Post stond ik bij verlaten gasvelden. Bovengronds stil. Beton, lege velden, waarvan bij vele inmiddels de bovengrondse infrastructuur is ontmanteld. Ondergronds liggen nog leidingen die voorzichtig moeten worden verwijderd, maar dat kan niet omdat er dan nieuwe bevingen kunnen ontstaan.
Bewoners vertelden me over hun huizen, over angst en wantrouwen, maar ook over hun diepe liefde voor hun dorp en de omgeving. Een vrouw uit Garrelsweer vertelde dat ze niet zonder de horizon en de luchten kan. Vroeger zwom ze in het diep. Nu haar kleinkinderen. Een man van tachtig jaar woont al zijn hele leven langs het Damsterdiep. Alles voelt vertrouwd, alleen de wolken zijn telkens anders.
Hoe kunnen we ons tot het landschap verhouden zonder alleen te kijken?
Zef Hemel, mijn wanderpartner langs het Damsterdiep en ook wel wandelprofessor genoemd, zegt: wie niet vertraagt, ziet niet. Wie niet stilstaat, hoort niet wat het landschap te vertellen heeft. Vertragen is noodzakelijk in de maatschappij en wereld waarin we nu leven. Alles lijkt in dit kapitalistische systeem om economische groei te draaien: beter, groter, meer. Dit voortdurende streven naar versnelling, resultaat en profijt vervreemdt ons van onze zintuigen en verzwakt onze lichamelijke relatie met de omgeving. Zonder zintuiglijke ervaring verdwijnt de verbondenheid. Ervaren is ruiken, de wind en het water voelen, nat worden, stilte horen, het gezang van vogels. Maar ook de bodem aanraken, dichtbij komen en zien wat er allemaal op en in leeft.
Tijdens de wandeling met Zef Hemel vertelde ik dat ik van plan was zes kilometer te zwemmen in het Damsterdiep. Drie dagen na het wandelen stuurde hij me een waterkwaliteitsrapport en raadde me het zwemmen af. Het water is vervuild, onder andere door pesticiden en industriële lozingen. Ik begreep niet veel van de cijfers in het rapport en wilde het water met mijn eigen lichaam ervaren. Dus zwom ik uiteindelijk een paar kilometer door het Damsterdiep. Het water rook soms naar mest, soms neutraal. Angst en rust wisselden elkaar af. Af en toe kreeg ik water in mijn mond. Tijdens het ademhalen, in een rustige borstcrawl, keek ik door mijn duikbril in het bruin troebele water. Wanneer ik pauze nam en me op mijn rug draaide, keek ik naar de blauwe lucht boven me. Aan weerszijden lagen de strakke oevers met waterlelies tegen de kant.
Later nodigde ik, tijdens een tocht per kajak, Evanne Stiekema uit, zij richt zich in haar werk op wat het betekent om als mens binnen de maatschappij waarin we leven te vertragen. We stapten in Ten Post in de kajak en voeren naar Ten Boer. Soms peddelden we in een rechte lijn langs de provinciale autoweg, dan weer volgden we kronkelende bochten en passeerden we een afgelegen stuk bij een sluisje. We gleden tussen bomen door, langs strakke oevers, talloze waterplanten en houten steigers. Het klonk alsof het water geluid maakte iedere keer als we onze peddels erin staken en het voelde alsof het water ons kon dragen. Alsof we ons aan haar konden overgeven. Zij leidde ons verder door haar stroming in samenwerking met onze kracht. Iedere keer veranderde het landschap en leek het ons iets anders te vertellen. Door het tempo en het dicht op het water zijn bracht het ons meer in het landschap: het laag op het water zitten verandert je perspectief, je ziet het landschap vanaf onder.
Door langere tijd in een gebied te verblijven, leerde ik hoe het verandert, en ook in welk tempo. Ik ervoer dat wanneer ik bewust en nieuwsgierig toenadering zoek en me openstel om naar het landschap te luisteren, ik begin te horen wat het te zeggen heeft. Dat het leeft, in beweging is en meegaat in het ritme van de seizoenen. En dat wat er in leeft en water er in beweegt allemaal met elkaar verbonden is. Door mezelf erin onder te dompelen leerde ik dat ik er onderdeel van ben. Dat ik een bepaalde verantwoordelijkheid heb. Dat het mij wat geeft en dat ik daar iets voor terug hoor te doen. Wederkerigheid.
Ik hoorde de andere bewoners: ganzen die laag over het water vliegen, verscholen rietzangers, kikkers langs de oever, libellen die boven het oppervlak trillen. Wie de tijd neemt om voorbij zijn eigen tempo en perspectief te kijken, leert het landschap kennen en de dynamiek: de beweging en stromingen van het water, kleuren, de kracht en richting van de wind, de temperatuur en warmte van de zon, hoe snel een waterlelie tot bloei komt, maar ook hoe lang ze haar bloem opent op het ritme van de zon en de maan. Je ontdekt waar duindoorn wortel schiet, waar Japanse duizendknoop ongewenst groeit. De oevers verschillen per weiland. De ene boer maait alles kort, de ander laat het riet ongemoeid, weer een ander baggert de hele sloot uit. De natuur volgt ondertussen haar eigen ritme. Zij weet precies wanneer het tijd is om te groeien. De mens probeert haar soms de ruimte te geven, maar neemt vooral zelf veel ruimte in. We willen de natuur controleren, haar naar onze hand zetten.
Mijn onderzoek, dat een jaar duurde, mondde uit in een voorstel met de titel Wierdetuin: een verwijzing naar de tuin van Groningen. Zo noemde een man in de boekwinkel van Appingedam het Damsterdiep. Wierdetuin is een kunstmatige heuvel van twintig meter hoog, midden op een verlaten gasveld. De wierde dient niet als verdediging tegen het water, zoals bij de oorspronkelijke wierden, maar als uitnodiging om de verbinding te voelen met dat om ons heen, waarmee we samenleven in het landschap. De lucht, de vogels, de horizon, en niet menselijke entiteiten. Om ons te doen beseffen dat we niet de enige bewoners zijn. Bovenop de wierde ontvouwt zich het uitzicht over het land en het kronkelende diep. De weg omhoog bestaat uit rode bakstenen waarin woorden en zinnen zijn gegraveerd:
Wat betekent de bodem voor jou?
Wanneer voelde je je geworteld?
Kun je steunen op de aarde?
Wat voel je in of op je lichaam?
Aarden.
Adem in, en uit.
Kun je leren kijken met je oren?
Sta stil, kijk rond.
Ruik. Luister. Voel.
Sluit je ogen. Welke geluiden hoor je?
Zie je iets om je heen dat leeft?
De heuvel wordt beplant met soorten die de eigenschap hebben de bodem te reinigen en herstellen: lisdodde, wilg, els, riet, gele kalmoes, varen, zwanenbloem, duindoorn, zonnebloem en kattenstaart. Niet als decoratie, maar als samenwerking tussen mens, plant en aarde. Lijf en landschap zijn met elkaar verbonden. En dit ervaren we als mens alleen door opmerkzaamheid. Dat we open staan. Dat we een vermogen ontwikkelen om scherp en bewust details, veranderingen en de omgeving waar te nemen. Zodat we met kunnen observeren, voelen, patronen zien en subtiele signalen. En die kunnen oppikken en erop kunnen reageren.
Net als in het werk van Han Jansen wil ik een subtiel activistisch gebaar te maken. In plaats van het landschap uit te putten, wil ik bijdragen.