Een samenleving die is gevormd door overlappende en doorlopende verhalen van beweging – in gesprek met curator Musoke Nalwoga
Musoke Nalwoga schilderde de wanden van haar kunstruimte Motormond bruin om te breken met de steriele aanpak die we kennen van de meeste kunstruimtes. Samen met Roosje Klap is Nalwoga nu co-curator van de Noorderlicht Biënnale. Hun programma What knots knot knots? is tot en met 30 augustus te zien. ‘Over het koloniale verleden van Noord-Nederland is nog maar weinig verteld, bijvoorbeeld over de VOC-directeur en verzamelaar Jan Albert Sichterman die in Groningen woonde, over de lotgevallen van de Molukse KNIL-militairen in Drenthe en over de arbeidsmigranten in Friesland in de scheepsbouwindustrie in Harlingen, Workum, Hindeloopen en Stavoren voor de Verenigde Oost-Indische Compagnie en de West-Indische Compagnie.
Voor mij is het de vraag hoe de tentoonstelling meer kan bieden dan foto’s aan een muur, of wat je op je telefoon kunt zien en in fotoboeken.’ Alex de Vries ging met haar in gesprek.
In 2011 kwam Musoke Nalwoga (Oeganda, 1994) vanuit Kampala naar Nederland. Ze was na de scheiding van haar ouders opgegroeid bij haar grootmoeder. Vanaf haar tiende ging ze naar kostschool. Haar vader hertrouwde en ging in Engeland wonen. Haar moeder vertrok met een oudere zus van Musoke naar Nederland en betrok een flat in de Ganzenhoef in Amsterdam Zuid-Oost. Een paar jaar later gingen ook Musoke en haar twee broers daar wonen.
Musoke maakte aan het Berlage Lyceum in Amsterdam de Havo af en behaalde haar VWO-diploma via het Joke Smit College voor volwassenenonderwijs. Op haar twintigste ging ze rechten studeren. Nu, twaalf jaar later, is ze actief in de beeldende kunst.
In februari 2026 werd ze naast directeur Roosje Klap aangesteld als co-curator van de 31ste editie van de Noorderlicht Biënnale. Dit Groningse platform maakt sinds 1990 beeldcultuur toegankelijk, met fotografie en lens-based media als middel voor dialoog en reflectie. Daarnaast kreeg ze als onafhankelijk curator/beschouwer een beurs van het Mondriaan Fonds om research te doen naar de Hartwig Art Production Collection Fund geleid door Beatrix Ruf. Met de middelen van dit fonds worden kunstwerken door kunstenaars geproduceerd en aangekocht en vervolgens geschonken aan de Rijkscollectie. Musoke Nalwoga onderzoekt hoe het fonds daarbij te werk gaat. De titel van haar research is: Zij Die Hier Zijn, Zijn Van Hier, ontleend aan een uitspraak van Babs Gons die van september 2023 tot december 2025 Dichter der Nederlanden was. Dat citaat is weer ontleend aan het gelijknamige tekstschilderij uit 2007 van de Belgische kunstenaar Walter Swennen.
Nalwoga formuleerde haar onderzoeksvraag zo: ‘De zin stelt een radicale herdefiniëring van het Nederlands-zijn voor, waarbij nationale verbondenheid losgekoppeld wordt van afkomst, ras of herkomst en in plaats daarvan gegrondvest wordt in aanwezigheid: hier zijn. Dit onderzoeksproject neemt die stelling zowel als conceptueel uitgangspunt en als centrale vraag. Hoe kunnen de opdrachten voor hedendaagse kunst van de Hartwig Art Foundation, ingebed in de Rijkscollectie, structureel ingrijpen in nationale verhalen over de Nederlandse identiteit, waarbij ze verder gaan dan symbolische inclusie en streven naar een model van meervoudige verbondenheid? Terwijl politieke systemen afhankelijk zijn van wetgeving en verkiezingscycli om over verbondenheid te onderhandelen, proberen culturele instellingen alternatieve toekomsten uit via collecties, tentoonstellingen en andere curatoriële interventies. Door na te gaan hoe de hedendaagse opdrachten van de Hartwig Art Foundation de Rijkscollectie binnendringen en transformeren, onderzoekt Zij Die Hier Zijn, Zijn van Hier de nationale identiteit niet als een vaststaand erfgoed, maar als een relationele, historisch verweven toestand die wordt gevormd door degenen die aanwezig zijn.’
In 2022 ontmoette ik Musoke toen we allebei deelnamen aan de oriëntatiereis van het Mondriaan Fonds naar Portugal en Spanje. Haar zelfbewuste, niet te zeggen eigenzinnige manier van doen – ze maakt voortdurend haar opvattingen over de verstandhouding tussen westerse en niet-westerse kunstbenaderingen manifest – viel me meteen op. Haar opinies stak ze niet onder stoelen of banken. Ze was toen net begonnen met het kunstenaarsinitiatief Motormond dat ze vanuit haar master aan het Sandberg Instituut als een eerste stap in de professionalisering van haar kunstpraktijk was begonnen. Ze maakte tentoonstellingen en een magazine in de tijdelijke locatie van Motormond aan de Kinkerstraat. Ze omschreef de identiteit van de kunstruimte als volgt: ‘Motormond is een non-profit kunstruimte die zich inzet voor het promoten van kritisch onderbouwde culturen uit de pan-diaspora. Motormond zet zich in voor het presenteren, stimuleren en delen van cultuur die de banden van solidariteit tussen alle volkeren in de diaspora versterkt. Het is een gemeenschapsgerichte instelling die de nadruk legt op ervaringen uit het dagelijks leven op het snijvlak van Black Indigenous and People of Color (BIPOC) en queer-identiteiten.’
Musoke Nalwoga vind ik een nieuwe, opvallende stem in de kunst in Nederland. Benieuwd naar hoe zij zich heeft ontwikkeld ging ik met haar in gesprek.
Alex de Vries
Musoke, je bent via een omweg als onderzoeker en organisator in de wereld van de beeldende kunst terechtgekomen. Was die belangstelling voor kunst en cultuur er altijd al?
Musoke Nalwoga
Min of meer, ja. Mijn vader heeft die belangstelling altijd gestimuleerd. Toen ik jong was schreef hij me in voor een naaischool en hij kocht een piano voor me. Voor de piano had ik geen aanleg, maar wel voor mode en het maken van kleren. Mijn oma bij wie ik van mijn derde tot mijn tiende thuisonderwijs volgde, liet me boeken lezen en liet me veel schrijven. Eigenlijk is mijn eerste liefde de literatuur. Toen ik eenmaal in Nederland woonde, raakte die belangstelling even op de achtergrond. Nadat ik anderhalf jaar rechten had gestudeerd aan de University College Amsterdam, ontdekte ik dat mijn hart daar niet lag. Ik stapte over naar de studie geesteswetenschappen – kunstgeschiedenis, taalkunde en creatief schrijven – van University College Roosevelt in Middelburg.
Dat moet een hele overgang zijn geweest.
Dat was het zeker. De studie was me op mijn lijf geschreven, maar ik was niet voorbereid op het sociale en culturele klimaat in Middelburg en de provincie Zeeland. Ik verbaasde me over de traditionele geloofsgemeenschappen van de Bible Belt en de daarmee samenhangende sociale dwang om grote gezinnen te hebben waarbij vrouwen heel traditionele rolpatronen moeten volgen. Ik vroeg me af in hoeverre ze vrij waren om daarvan af te wijken en zelfstandig en onafhankelijk te bepalen hoe ze wilden leven. Ik schreef daarover een blog en zette die in een lokale Facebookgroep en onderschatte de uitwerking daarvan. Het leidde ertoe dat ik en een aantal van mijn medestudenten niet meer welkom waren in de plaatselijke cafés. Daardoor ontstond bij mij de behoefte om mijn blik op de wereld te verbreden.
Maar je was toch al internationaal georiënteerd met je Oegandese achtergrond en je familie in Engeland?
Dat klopt, maar ik was in Kampala bij mijn oma wel opgegroeid in een beschermde gemeenschap, een bubble waar weinig invloeden van buiten binnen konden komen. Dat gold ook voor mijn daaropvolgende kostschooltijd. Pas in Nederland ontdekte ik dat er andere manieren van leven waren en ging ik ook nadenken over onderwerpen als seksuele identiteit. Ik was al 28 toen ik besefte dat ik gay was. Toen ik mijn oudere zus vertelde dat ik lesbisch was, zei ze dat ze dat altijd wel had geweten. Ik verbaasde eerder mezelf dan de mensen om me heen.
Wat heb je tijdens je studie in Middelburg gedaan om je blik te verruimen?
Ik ging werken in de presentatie-instelling voor beeldende kunst De Vleeshal en ik ging met een Erasmusbeurs op uitwisseling naar Rome. Daardoor kwam ik erachter dat ik op een andere plek in de wereld kon staan, een eigen positie in kon nemen waar ik ook was. Om me verder te ontwikkelen deed ik na mijn bachelor een onderzoeksmaster in culturele analyse aan de Universiteit van Amsterdam. Toen kwam echt het besef dat ik een leven in de kunst wilde, misschien wel kunstenaar wilde zijn.
Ik liep ook stage bij Museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam en had een kleine maar voor mij belangrijke plaats in vergaderingen waar het Boijmans Depot werd ontwikkeld.
Je hebt je daarna aangemeld bij het Sandberg Instituut. Welke master deed je daar?
Ik deed de tweejarige Master of Fine Arts in Critical Studies. Het eerste jaar volgde ik de gegeven structuur van het onderwijsprogramma, maar voor het tweede jaar vroeg ik me af of ik de studie kon voltooien door alvast buiten het instituut een eigen praktijk op te zetten en in de wereld te gaan staan. Die gedachte werd gestimuleerd door directeur Jurgen Bey en studiecoördinator Judith Leysner. Zo ben ik met Motormond begonnen. Jurgen kwam veel op bezoek om te volgen wat ik deed, omdat hij een verantwoordelijkheid voor mij als student voelde. Judith bleef ook gewoon docenten op me afsturen, zodat ik het programma van Motormond kritisch tegen het licht van hun begeleiding kon houden. Dat vertrouwen van het Sandberg Instituut is voor mij heel betekenisvol geweest.
Opvallend is dat je een benadering van het kunstenveld hebt die aan de ene kant heel internationaal en beschouwelijk is en aan de andere kant heel vriendschappelijk, sociaal en persoonlijk. Vanwaar die aanpak?
Mijn generatie is opgegroeid met digitale media en sociale platforms waarbij je zonder problemen overal in de wereld online vrienden maakt. Je wordt dan vanzelf selectief in met je wie je graag om wil gaan. In mijn geval kwam erbij dat ik me heel prettig voelde in de queer community. Ik voelde me meteen thuis binnen die gemeenschap en heb dat bewustzijn tot een onderdeel van het inhoudelijke programma van Motormond gemaakt. Ik wilde op een persoonlijke manier een plek maken voor mijn vrienden en mijzelf waar je met elkaar kunt genieten van inhoudelijke programma’s in een gezellige ruimte. Het was voor de zwarte kunstenaarsgemeenschap ook belangrijk om zo’n vertrouwde plek te hebben. Dat werd extra in gang gezet door de gewelddadige dood van George Floyd in de Verenigde Staten in 2020. De behoefte van zwarte mensen om gezamenlijk op te komen voor wie we zijn, bleek toen groter dan mijzelf. Het werd noodzakelijk om activistischer in de wereld te laten zien wie we zijn en dat we niet minder zijn dan wie dan ook. De zwarte gemeenschap is tot die tijd niet zo samenhangend geweest, maar was erg gefragmenteerd. Daarna hebben we meer die intieme samenhang gezocht: reach out to each other and come together. Het werd voor mij ook duidelijk dat ik niet als alleenstaande kunstenaar wilde werken, maar dat ik solidariteit en gezamenlijkheid zocht met mensen om me heen.
Motormond is nu niet bepaald een ‘white cube’. Dat is dus een bewuste keuze?
Ja, ik denk dat je beeldende kunst op andere manieren kunt tonen dan op de ingeburgerde modernistische manier van werken op ooghoogte aan witte wanden. In Motormond zetten we de fotografische beelden op de grond en later plaatsten we ze liggend op stenen. Sowieso was het maken en tonen van objecten niet het belangrijkste voor ons. Het ging vooral om persoonlijke uitwisseling van verhalen en het onderzoeken van andere presentatiemogelijkheden. Het kon na verloop van tijd niet uitblijven dat we onze manier van werken gingen professionaliseren om ook ander publiek binnen te halen dan de directe kring van mensen om ons heen. We wilden niet blijven steken in zelfbevestiging. Ik heb toen de hele ruimte bruin geschilderd om te breken met de steriele aanpak die we kennen van de meeste kunstruimtes.
Naast Motormond heb je in opdracht samengewerkt met instellingen als Framer Framed en met Kunstverein Braunschweig waar je met patricia kaersenhout de solotentoonstelling Into the Deep Loving Darkness hebt gemaakt. Zowel Framer Framed als patricia zijn ook voorstanders van alternatieve tentoonstellingsvormen.
Dat klopt. Framer Framed gebruikt scheidingswanden en tentoonstellingswanden op andere manier dan gebruikelijk; niet alleen om een gelaagde ruimtelijke indeling te maken, maar ook om ze in te zetten als uitwerkingen van inhoudelijke aspecten van de presentatie. Patricia heeft met haar werk Guess Who’s Coming To Dinner Too, ontleend aan The Dinner Table Judy Chigago, een vorm van saamhorigheid in haar presentaties ingebracht die mij aanspreekt.
Je hebt nu voor het eerst in je loopbaan een meerjarige functie binnen een grotere culturele instelling, Noorderlicht. Je bent daar met directeur Roosje Klap co-curator van de volgende editie van de Noorderlicht Biënnale. Hoe zie je jullie samenwerking?
Ik wil binnen Noorderlicht heel graag spelen met andere presentatievormen. Roosje is als tentoonstellingsmaker heel spontaan en staat open voor heel veel dingen en aanpassingen of toevoegingen. Ik waardeer dat natuurlijk, maar eerlijk gezegd ben ik zelf iemand die diepgaand een gekozen thema wil onderzoeken, niet academisch, maar juist op een poëtische manier. Vanuit rigoureuze curatoriële onderzoeken bouw ik aan een strakke tentoonstelling die mensen heel precies kan raken en, als er ruimte is, wil ik de emotie die ik wil uitlokken ook zelf bepalen.
Een goed voorbeeld hiervan is de tentoonstelling Past A Surpassing Disaster, in Motormond in 2023. Daar had de onderzoeksvraag betrekking op rampen die de getroffen gemeenschappen definitief hebben getransformeerd. De tentoonstelling had een aantal casestudies als uitgangspunt: de Baltimore Uprising van 2015 in de Verenigde Staten, de #EndSARS-protesten in Nigeria, de Black Lives Matter-beweging in Nederland en de trans-Atlantische slavenhandel. Deze casestudies werden vervolgens zichtbaar gemaakt in de werken van verschillende kunstenaars die geworteld zijn in de locaties van het onderzoek. Hier ontstond een poëtische verbeelding. De geselecteerde werken werden gekenmerkt door een verbitterde sfeer van hopeloosheid en een inspiratieloze, meedogenloze onverzettelijkheid. De wereld is immers slechts in zeer geringe mate veranderd. Het publiek werd daarom uitgenodigd om zich te verhouden tot die onbevredigende veranderingen. Het idee is dat deze revolutionaire protesten en opstanden langzaam bewegende, machines zijn die vrijheid beloven, terwijl die vrijheid zich niet binnen ons leven zal verwezenlijken.
Roosje en ik zijn heel verschillende curatoren, anders van generatie, afkomst en ook disciplines; Roosje is kunstenaar-onderzoeker en ik ben cultuurtheoreticus. Daarom hebben we ervoor gekozen onze onderlinge verschillen niet te verdoezelen, maar ze juist te omarmen. Het omarmen van die spanning heeft ons gebracht tot een werkwijze waarin we allebei reageren op hetzelfde thema, Play, dat door Roosje Klap in haar rol als artistiek directeur is geformuleerd. De curatoriële interventies en publieke programma’s die daaruit voortkomen, vormen twee tegengestelde voorstellen die zich tot elkaar verhouden in een genereus conflict en een productieve frictie.
Door meningsverschillen niet weg te poetsen ten gunste van een schijnbare eenheid, hopen we ons publiek uit te nodigen tot een meer onderzoekende en kritische betrokkenheid. Daardoor ontstaat er juist meer ruimte voor interpretatie dan wanneer we als één homogeen curatorieel collectief naar buiten zouden treden.
Je doet nu al enige tijd onderzoek naar de collectieopbouw van de Hartwig Art Production Collection Fund. Hoe zijn je bevindingen tot nu toe?
De schenking van kunstwerken aan de Rijkscollectie is nooit een neutrale handeling. De kern van de Rijkscollectie legt al lang de nadruk op kunstwerken die de Nederlandse nationale identiteit hebben gevormd, met name schilderijen uit de Gouden Eeuw van Rembrandt, Vermeer en Hals, die idealen van burgerlijke trots, koopmansrijkdom en huiselijke deugdzaamheid uitdragen. Landschappen en maritieme taferelen onderstrepen de relatie van Nederland met water.
De Hartwig-collectie daarentegen zet dit kader actief op losse schroeven. Ze introduceert kunstenaars van wie de praktijk zich bezighoudt met diaspora, cultureel geheugen, identiteitsvorming en koloniale erfenissen, en voegt verhalen toe die verder reiken dan monoculturele en nationaal begrensde geschiedenissen. Deze strategische ‘Trojaans paard-aanpak’ op de nationale collectie vormt de conceptuele basis van waaruit dit onderzoek zich ontvouwt: een heroverweging van de Nederlandse samenleving, niet als een samenleving die pas recentelijk door migratie is ontwricht, maar als een samenleving die altijd al is gevormd door overlappende en voortdurende verhalen van beweging.
De eerste tentoonstelling van Noorderlicht waaraan jij als co-curator hebt bijgedragen staat op het punt van beginnen. Wat kunnen we verwachten?
Vanaf 4 juli tot en met 30 augustus 2026 is ons programma What knots knot knots? te zien, een titel die ontleend is aan een uitspraak van Donna Haraway, de Amerikaanse feministische wetenschapsfilosoof. Voor de tentoonstelling hebben we Koos Breukel, Cihad Caner, Ofri Cnaani, Jori(k) Amit Galama, Aba Guedes, Thato Toeba, Yeb Wiersma en Faisel Saro werk laten maken naar aanleiding van de archieven in Noord-Nederland over het koloniale verleden en hoe dat nog altijd invloed heeft op ons leven. Omdat kunstenaars anders naar archieven kijken dan wetenschappers, krijg je een andere blik op dat verleden en hoe dat tot op de dag van vandaag doorwerkt. Over dat koloniale verleden van Noord-Nederland is nog maar weinig verteld, bijvoorbeeld over de VOC-directeur en verzamelaar Jan Albert Sichterman die in Groningen woonde, over de lotgevallen van de Molukse KNIL-militairen in Drenthe en over de arbeidsmigranten in Friesland in de scheepsbouwindustrie in Harlingen, Workum, Hindeloopen en Stavoren voor de Verenigde Oost-Indische Compagnie en de West-Indische Compagnie.
Voor mij is het ook de vraag hoe de tentoonstelling meer kan bieden dan foto’s aan een muur, of wat je op je telefoon kunt zien en in fotoboeken. Hoe kunnen we het tentoonstellingsbezoek intensiveren en de inhoud ervan tot een beleving en ervaring maken? Naast de doelstelling om mensen iets te leren leg ik de nadruk op mensen iets laten voelen.