Alex de Vries

‘Er komt altijd iets van mezelf in’ – op atelierbezoek bij Chantal Spit

Interview
15 oktober 2026

Alex de Vries bezocht Chantal Spit in haar atelier. ‘Ik wil een connectie met mensen hebben en door ze te schilderen basale gevoelens van menselijkheid recht doen. Ik doe dat in de beslotenheid van mijn atelier, ongezien en onbespied, zonder zorgen, in een natuurlijk gebaar. Een schilderij hoeft niet goed te zijn in absolute zin en kan ontregelend zijn in zijn knulligheid. Het moet niet blijven hangen in een plaatje. Zo kan ik het meest mezelf zijn. Het gaat erom dat je jezelf schildert, ook al schilder je jezelf niet.’

De schilderijen van Chantal Spit (Losser, 1971) zijn figuratief, realistisch en laten een persoonlijke waarheid zien. In haar atelier op de NDSM-werf in Amsterdam-Noord waar ze inmiddels zeven jaar werkt, heeft ze schilderijen uitgestald die allemaal laten zien hoe dicht ze op haar onderwerp zit. Het beeld lijkt daardoor steeds enigszins verwrongen, alsof ze vanuit haar ooghoeken met een schuine blik iets heeft waargenomen wat ze niet kan ontkennen. Zo is het gezien door Chantal Spit.

Chantal Spit – Horse-and-wagon ride, 136 x 232, cm., olieverf op canvas, 2026.

Haar schilderijen vragen om met haar mee te kijken. Vijfentwintig jaar geleden toen Chantal Spit nog op de Rijksakademie zat, zag ik haar schilderijen voor het eerst. Sindsdien zijn ze voor mij een maatstaf om de geloofwaardigheid van de schilderkunst aan af te meten. Haar portretten van zowel bekende als onbekende mensen en haar verbeelding van onderlinge menselijke verhoudingen zijn zo samengesteld dat ik er niet omheen kan.
Op haar nieuwste schilderij zijn de blonde haren op het achterhoofd van een meisje te zien dat naast de menner van een wit paard op de bok van een rijtuig zit. Het paard is onmiddellijk als dier herkenbaar terwijl het nauwelijks meer is dan een paar witte vlakken en goed beschouwd zijn alle geschilderde elementen van de scène van een rijtuig in een landschappelijk omgeving nauwelijks meer dan vlekken verf. Toch slaat bij het zien van dit schilderij de ontroering onmiddellijk toe.
De intimiteit van het geschilderde beeld is bijna te opzichtig waardoor het zo overtuigend is. Dit is geen neutrale waarneming, maar een persoonlijke verwerking van een gemoedsbeweging; dus niet van zomaar een gevoel. Het is die beweging die doorslaggevend is voor de waarachtigheid van het beeld.
‘Ik heb het geschilderd naar een foto die ik zelf heb gemaakt. Ik was in 2017 met mijn dochter van toen zeven jaar oud in Kopenhagen en we maakten een rijtochtje. Het was twee jaar na mijn scheiding en ik was voor het eerst alleen met mijn dochter op vakantie. Ik zat achter haar in het rijtuig en was vol verwondering over wat ik meemaakte, maar die emotie was heel vluchtig en die wilde ik bestendigen en daarom maakte ik snel die foto.
Een foto is geen schilderij. De echte bestendiging van wat ik daar onderging kon ik alleen in het schilderij verbeelden. De gevoelsmatige kwaliteit van het schilderij is voor mij vooral af te lezen aan de manier waarop het licht door de bomen valt, die tijdloze atmosfeer die ik ook zie in de werken van Munch of Van Gogh.’

Chantal Spit – Chickens, 100 x 150 cm., olieverf op canvas, 2019.
Chantal Sput – Gegrond , 120 x 195 cm., olieverf op canvas, 2021.

Die kenschetsing is precies waar het volgens mij om draait in schilderkunst die ertoe doet. Het is niet de anekdotische omstandigheid die de betekenis bepaalt – niet de schreeuwende figuur of de spittende boer – maar de manier waarop vorm, kleur, ruimte en licht samenvallen in de verf die in een proces van actie en reactie op het doek is geschilderd.
Wat maakt dan een schilderij van Chantal Spit in die zin eerder daadwerkelijk dan denkbeeldig in de beleving? ‘Wie ik ook schilder er komt altijd iets van mezelf in’, zegt Chantal Spit. Dat is precies waar het om gaat: hoe indringender dat persoonlijke aspect zichtbaar is, des te plausibeler is het schilderij in zijn overtuigingskracht.

Chantal Spit is een schilder van deze tijd die nadrukkelijk de fotografische blik een schilderkunstige uitwerking geeft. Ik bedoel dan niet de perfecte, scherpe kunstfoto in een evenwichtige compositie, maar de dagelijkse snapshot, een beetje bewogen en onscherp, te dicht op het onderwerp, vanuit een vreemde hoek, alsof heel snel ergens een blik overheen is geworpen zonder goed te zien wat er aan de hand is. In het schilderij dat naar aanleiding van zo’n foto wordt gemaakt, compenseert Chantal Spit al die tekortkomingen en eigenschappen van het fotografische moment in een weloverwogen samengesteld beeld dat beklijft in de verf.

Chantal Spit – 3e Compagnie Amphibie, 125 x 160 cm., 2003.
Chantal Spit – Boerenjongens, 155 x 140 cm., olieverf op canvas, 2003.

Chantal Spit komt uit de Twentse plaats Losser, waar ze opgroeide met haar broer. Op het rode T-shirt dat ze draagt als ik op atelierbezoek komt, staat in witte letters ‘TUKKER’. Dertig jaar na haar vertrek uit Twente komt ze nog steeds met een ontspannen gevoel van trots uit voor haar afkomst.
Als ik haar vraag wat voor kind ze was, versta ik dat ze zegt dat ze een ‘branderig’ kind was, maar ze zei ‘dromerig’. Ze geeft toe: ‘Ook wel branderig. Mijn vader was loodgieter en mijn moeder ging na een loopbaan als kleuterleidster zorgen voor mensen op leeftijd met dementie. Ze zijn echte Tukkers en dat ben ik ook. We spreken onderling de streektaal. Dat was wel meteen een probleem toen ik naar school ging, want je mocht geen dialect spreken. Ik ging naar het atheneum, maar ik zakte voor mijn eindexamen en zat opeens thuis en overwoog of ik de vakken die ik nog in moest halen op een avondschool zou doen, totdat mijn moeder zei: Waarom ga je niet bij de brandweer? Die opmerking opende opeens perspectieven. Als je op het atheneum zit, denk je dat je naar de universiteit gaat, een taal studeren of iets anders. De brandweer! Dat het mogelijk was, daar had ik nooit bij stilgestaan. Ik liet dat op me inwerken en mijn moeder zei: Je kunt ook een cursus gaan doen; je tekent toch zo graag.
Ik ben toen in Overdinkel een tekencursus gaan volgen en de vrouw die me begeleidde zei na tien lessen dat ik talent had en gaf me opdrachten waarmee ik toelating zou kunnen doen op een academie. Ik tekende vooral veel bloemen en daarmee ging ik in 1991 naar de AKI in Enschede. De toelatingsdocent, beeldhouwer Ernst Varkevisser, bekeek mijn werk waar ik overal nog niet af had opgeschreven.
Wat moeten we nou met jou, verzuchtte hij.
Je moet me gewoon aannemen, zei ik en dat is zo gegaan. Ik wist weinig van kunst, had nauwelijks boeken gelezen en geen films gezien. Mijn vader had een radiopiratenzender en muziek was de enige culturele referentie die ik had: Roy Orbison, Elvis Presley en countrymuziek.’

Chantal Spit – Next Move, 110 x 200 cm., olieverf op canvas, 2021.

Op de AKI voelde ze zich als een vis in het water. In het oriënterende jaar bleek ze een echte schilder. ‘De directheid ervan past bij me. Dat is het eerste waar ik naar grijp.
Ik had les van Kees Smits, Arno Kramer, Klaus Versteegen, Kars Persoon, Martin van Vreden en Joris Geurts. Ja, allemaal mannen. Het was geen ambachtelijke school. Het ging eerder over ideeën. Pas in het vierde jaar, toen ik een groot schilderlokaal in het oude schoolgebouwtje in Twekkelo deelde met Toon Berghahn ging ik met olieverf werken. Het was begin jaren negentig, een inspirerende tijd, ook heel romantisch met die grunge muziek, de arthouse films en elke dag op de fiets naar Twekkelo.
Met Toon kreeg ik in het eindexamenjaar een relatie en we zijn samen naar Amsterdam verhuisd. We vonden allebei een atelier in de voormalige gevangenis die nu het Lloyd Hotel is, Toon in een oude cel en ik op de zolder waar de wind door de dakpannen waaide en waar ik ’s winters met een dikke jas aan werkte. Ik was in 1996 in Enschede afgestudeerd met een aantal portretten en kreeg een startstipendium, maar ik wist niet hoe ik een professionele beroepspraktijk moest vormgeven. Ik schilderde maar er was niemand die zag wat ik deed. Ik meldde me aan voor de Ateliers en de Rijksakademie. Bij de Ateliers werd ik afgewezen en op de Rijks vonden ze me nog te jong: Kom volgend jaar nog maar eens terug.
Dat deed ik en Luc Tuymans en Rob van Koningsbruggen keken naar mijn schilderijen. Werk je met projectie, vroeg Tuymans. Nee, zei ik en dat vond hij ongelooflijk. Ik heb het talent om verhoudingen meteen goed te tekenen of te schilderen. Ik liet een schilderij zien van een vrouw met een kind in het water, maar dat water had ik niet goed geschilderd. Dat zei Luc Tuymans dan ook. Het is inderdaad niet goed, zei ik, maar dat wil ik hier leren. Zo kwam ik op de Rijksakademie in 2001. Dan kom je uit Losser en dan ben je opeens een van de dertig kunstenaars die uit duizend aanmeldingen is geselecteerd. Ik ben dan wel heel nuchter, maar dat kon ik moeilijk bevatten.’

Waar gaat het nou om in de kunst? Dat was de vraag die in haar jaren op de Rijksakademie centraal stond. Chantal Spit ontdekte dat ze daar alleen antwoord op kan geven als ze haar atelier binnenstapt. Alles wat daarbuiten gebeurt, neemt ze in zich op, maar pas in het atelier kan ze daar iets mee doen. Het gaat haar echt om het maken van het schilderij. Tijdens het schilderen blijkt pas wat ze met het onderwerp kan en hoe ze dat weet te verbeelden.
‘Je kunt als kunstenaar niet aan jezelf ontsnappen. In een schilderij moet ik voelen dat ik er ben. Het maken is voor mij belangrijker dan het resultaat als zodanig. Daarom voel ik me ook altijd ongemakkelijk bij de openingen van mijn exposities. Dan sta ik naast mijn werk, maar het staat dan buiten bij. Als ik het maak, ben ik het zelf. Het gaat me niet om de esthetiek en als ik portretten schilder dan gaat het mij ook niet per se om de persoon. Ik streef wel naar gelijkenis maar het gaat me om de vorm, de verf en het licht zodat je het schilderij anders gaat beleven dan een persoon in werkelijkheid.’

Chantal Spit – Hiatus, 117 x 199 cm., olieverf op canvas, 2026.

Een schilderij van drie boerenjongens dat ze maakte naar aanleiding van een gevonden foto laat zien waar ze op uit is. Zoals veel van haar schilderen is het onderwerp van heel nabij geschilderd, alsof ze tussen die drie jongens in hun overalls in staat. Het flesje dat de middelste jongen vasthoudt heeft ze hem als het ware in de handen gedrukt. De vegetatie om de figuren heen is met grote kwaststreken op het doek geveegd. Haar figuratieve realisme is niet dat van de fijnschilder. Ze werkte met grote kwasten en in een trefzekere stijl waarin iedere streek raak is en de kleuren fauvistisch zijn en geloofwaardig in hun sferische karakter. Dat in de gezichten van de boerenjongens groene schaduwen hun uiterlijk betrouwbaar weergeven is nauwelijks te geloven, maar het werkt wonderbaarlijk.

‘Ik geef me tijdens het schilderen over aan wat me op dat moment fascineert. Als ik een boek van Paul Auster lees, vraag ik me af hoe hij eruitziet en dan ga ik hem tekenen en schilderen om daar achter te komen. Wat is de essentie van zijn uiterlijk? Die vergroot ik uit, bijna zoals je een spotprent maakt, maar ik wil geen karikatuur maar door overdrijving en weglating de herkenbaarheid oproepen. Ik bewonder ook de manier waarop kunstenaars als Toon Teeken en Emo Verkerk portretten maken. Daarom heb ik zelf een portret van Emo geschilderd en via Joris Geurts aan hem gegeven. Ik wil een connectie met mensen hebben en door ze te schilderen basale gevoelens van menselijkheid recht doen. Ik doe dat in de beslotenheid van mijn atelier, ongezien en onbespied, zonder zorgen, in een natuurlijk gebaar. Een schilderij hoeft niet goed te zijn in absolute zin en kan ontregelend zijn in zijn knulligheid. Het moet niet blijven hangen in een plaatje. Zo kan ik het meest mezelf zijn. Het gaat erom dat je jezelf schildert, ook al schilder je jezelf niet.’

Chantal Spit – Emo, 29,7 x 21 cm., acrylverf op papier, 2026.
Chantal Spit – selectie uit serie _Top Boy_, acrylverf op canvas, 2020.
Chantal Spit – selectie potloodtekeningen, 29,7 x 21 cm., 2026.

Na de Rijksakademie had Chantal Spit succes met haar werk bij de galeries Reflex en Roger Katwijk, maar inmiddels heeft ze al jaren geen vaste galerie meer en is ze zelf verantwoordelijk voor de verkoop van haar werk. Ze heeft een basisinkomen door als docent twee dagen per week te werken op de afdelingen Fine Art en Fashion Design van de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht waar ze veel voldoening aan beleeft.
‘In 2018 gaf ik een workshop in het Van Gogh Museum aan kinderen. Ik leerde ze zelfportretten maken. Een jongen tekende een zak patat en zei daarover: Ik voel me vandaag een Happy Meal. Die vrijheid van verbeelding is ontwapenend. Ik ging tekenlessen geven aan de Volksuniversiteit in Amstelveen en deed zelf mee tijdens de lessen. Daar ontdekte ik het werken met kleurpotlood. Met olieverf kon ik eindeloos poetsen wat met kleurpotlood niet gaat. Ik leerde er raker door te schilderen. Ik heb ook een serie tekeningen gemaakt van de haardracht van mensen van achter gezien. Hoewel je geen gezichten ziet, zijn het portretten. Ik kan er niets in verbloemen. Elke lijn telt.’

Chantal Spit – selectie uit serie _tot in de puntjes_, potloodtekeningen op papier, 29,7 x 21 cm, 2026.
Advertenties

Ook adverteren op mistermotley.nl? Stuur dan een mail naar advertenties@mistermotley.nl

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

* verplicht