Er moet eerst een beetje gesnuffeld worden – over What’s Left Speaks
Vanavond opent bij Das Leben am Haverkamp in Den Haag de tentoonstelling What’s Left Speaks van Gaia D’Arrigo, Felix Bell en Nuno Lobo. Wietske Flederus sprak met de kunstenaars en schreef een essay naar aanleiding van de kennismaking die ze had met de wereld die Lobo, Bell en D’Arrigo gecreëerd hebben.
Ik dompel me onder, en raad je aan hetzelfde te doen. Ik weet niet zeker hoe ik hier terecht ben gekomen. Ik ben erin gesprongen en vind de uitgang niet meer terug. De wereld buiten ver weg. Ik vraag me af hoe lang ze hier al zijn. Hoe lang ben ik hier al?
Het Portugese archief waar componist Nuno Lobo me over vertelt klinkt als een droombestemming. Een plek om je onder te dompelen. Het archief is gevuld met folkloristische liederen en bestaat uit een website die middels een wereldkaart de herkomst van deze muziek weergeeft. ‘Ik kan me hier uren in verliezen’, vertelt hij. Ik beweeg van een open plek waar een man met een gitaar een lied zingt naast een boom, naar een woonkamer waar drie mensen zitten op banken en ook zingen. De ruimte vult zich met stemmen vol van folklore. Ik wil meezingen. Ik versta het niet maar voel het wel.
Volksmuziek, of folklore, is belangrijk voor Gaia D’Arrigo, Felix Bell en Nuno Lobo, de drie makers van de tentoonstelling What’s Left Speaks. Samen verkennen ze in deze tentoonstelling een fictief, post-humaan toekomstscenario. Een wereld ver voorbij het menselijk leven.
Ieder van hen heeft een eigen praktijk. Voor een werkperiode bij Das Leben am Haverkamp brengen ze deze samen. De kunstenaar, ontwerper en componist bouwen hier samen een dystopische toekomst die even verontrustend als aantrekkelijk is. Dystopische scenario’s hebben iets weg van de spanning van enge films. Je durft niet te kijken maar wilt ook niks missen. Het is sensationeel en vrijblijvend tegelijk.
De tentoonstelling is zoals Felix het beschrijft een ‘totaal scenografie’. Een ruimte die je helemaal omhult. Voor ik de tentoonstelling in kom, wordt er een wereld verbeeld middels een door hun geschreven tekst. Wanneer ik na het lezen binnenstap, wordt deze wereld tastbaar en sta ik er middenin. De ruimte heeft iets mysterieus. Er staan een aantal gestalten opgesteld. Je kan er omheen lopen of bij eentje in de buurt plaatsnemen. Ze hebben iets weg van gemuteerde speakers en lijken tegen elkaar te willen praten. Deze wezens hebben zich hier in de afgelopen decennia thuis gemaakt. Ik sta in een wereld die via haar nieuwe bewoners een blik werpt op menselijkheid.
What’s Left Speaks laat me onderdompelen. Kopje onder gaan in een verhaal zorgt ervoor dat ik me er emotioneel mee verbind. Ik geef me over en stel me open. Verhalen en mythes zijn belangrijk voor de drie makers. ‘Jezelf verhouden tot een andere realiteit geeft je de mogelijkheid jezelf te plaatsen in de wereld’, licht Felix toe. Je verliezen in een andere wereld heeft niet alleen iets weg van vluchten. Het verdwijnen kan je in staat stellen een dagelijkse realiteit anders te verbeelden.
Eenmaal in de ruimte mag er intuïtief verkend worden. Ik begroet de aanwezige gestalten alsof ik een ander dier ontmoet. Er moet eerst een beetje gesnuffeld worden. Een wederzijds aftasten of de ander jou ook aardig vindt, legt Felix uit. Er zijn niet zoveel plekken meer op aarde waar de mens niet huishoudt. Waar je voelt dat je op bezoek bent bij een anders-dan-menselijk-leven.
Oké, opnieuw kopje onder.
Nuno begint over bergen. Een resultaat van chaos, zegt hij. Zo ziet hij ook dit werk voor de tentoonstelling. Een reeks gebeurtenissen buiten de aanwezigheid van mij als bezoeker leidde tot deze post-apocalyptische ruimte. Zoals Nuno begint over bergen, vertelt Felix me over rotsen in donkere grotten en laat Gaia me stenen zien. Tijdens mijn bezoek aan haar studio haalt ze een plastic bakje tevoorschijn met daarin een zwart materiaal. Vulkaansteen denk ik. Metaal overschot blijkt het. ‘Als je het aanraakt, misschien toch even niet in je ogen wrijven daarna’, raadt ze me aan. Deze ‘steen’ heeft niet zo eindeloos veel meegemaakt als de rotsen of bomen waar ik samen met Felix over fantaseer. In de koffiezaak waar ik hem ontmoet vragen we ons af wat de boom op het stadsplein waar we op uitkijken al die tijd moet hebben gezien en meegemaakt. Rennende kinderen over de markt, een eerste zoen, een oorlog, een gevallen boodschappentas, dronken vrienden, onkruid tussen de tegels. Waar de boom van Felix een niet-menselijke toeschouwer is van eeuwen aan menselijk komen en gaan, is Gaia’s nieuwe steen juist het product van giftig menselijk handelen. Een recent ontwikkeld souvenir (of fossiel?) van onze tijd. Nog niet zoveel meegemaakt.
Ik weet niet waardoor we er niet meer zijn. Niemand weet het en ik kan het ook niet meer vragen. Kopje onder. Ik ben (in een verzonnen verhaal mag je kiezen wat je bent) een kakkerlak. Best onverwoestbaar denk ik. Ik ben een kakkerlak en een archeoloog. Dat laatste wist ik nog niet, ik was nog nergens naar op zoek.
Ik stuit op deze ruimte als bezoeker, net als jij. Net als de bomen op het plein, staan de wezens in deze ruimte stil terwijl de wereld om hen heen beweegt. Ooit zijn ze ontstaan, maar net als de bergen is het gebeurd zonder dat je het zag. Sommige van de wezens zijn rechtopstaand, anderen liggen op de grond of hangen aan het plafond. De wezens hebben zich gedurende de jaren gevormd.
De lichaamsdelen van de gestalten lijken op skeletten en organen, aderen en tanden. Lichaamsdelen die ik herken van mijn eigen lijf. Een aantal heeft haar, sommige een plakkerige latex huid. De herkenbare speaker onderdelen geven de wezens hoornachtige monden met een rij scherpe, ontblote tanden. Deze wijd opengesperde monden hebben een geglazuurde buitenkant. Deze glanzende laag komt net als de gehele tentoonstelling met een dubbelzinnigheid. Aantrekkelijk om naar te kijken, gemaakt van het giftige metaaloverschot. Gaia werkt samen met keramist Benadetta Pompili aan het transformeren van de ‘stenen’ tot dit glazuur om de wezens van een huid te voorzien. Passend vindt de kunstenaar, want als onze soort uitsterft zullen we zeker giftige materialen (en andere troep) achterlaten in de wereld.
Ik dompel me in What’s Left Speaks onder in een archief. Niet van een geordende verzameling, maar van een uitkomst van jaren aan doorgegeven geluid. Het koor wordt gevormd door deze gestalten die verspreid staan door de ruimte. Vanachter de rij puntige tanden komt gezang. Een aantal karakters is zacht en laag van toon. Deze worden aangevuld met aanwezige, verspringende stemmen. Aftasten, niet vergeten. De diverse karakters klinken elektronisch en organisch tegelijk. We moeten wennen aan elkaar. Ik begrijp niet waar ze over zingen, maar herken iets van mijn eigen stemgeluid. Door de jaren heen hebben hun stemmen, net als wat ze zingen, zich gevormd. Het is een uitvergroot fluisterspel. Zoals al eeuwenlang, zijn ook hier eindeloos lang verhalen doorverteld en bezongen.
‘We stellen ons voor dat ze ooit zijn begonnen met het imiteren van mensen en machines’, vertelt Nuno. Hoe begint een fluisterspel van dit formaat eigenlijk? In ons soms dystopische heden, vraag ik me af waar deze toekomstige folklore over gaat. Zingen deze wezens over onderwerpen waar ik me in herken? Liefde, verdriet, vreugde?
Door het werk van Gaia, Felix en Nuno vraag ik me af welke verhalen we kiezen (door) te vertellen en welke te bewaren. Stemgeluid kan worden vastgelegd, opgeslagen en teruggeluisterd, maar het weefsel waar een stem deel van uitmaakt (het gevoel, het mystieke, het gezamenlijke) laat zich niet makkelijk archiveren. Ditzelfde weefsel zorgt ervoor dat mijn lichaam niet louter een vehikel is voor mijn stem, maar een samensmelting van beide. Evenmin is de speaker een lege huls waar het geluid in landt en uit vertrekt. Felix, speakerontwerper, ziet gezichten in speakers. Ze hebben iets lichamelijks, vindt hij. Hij heeft zich het ambacht van het ontwerpen en bouwen van speakers eigen gemaakt en ziet het als een onmisbaar onderdeel van het bouwen aan deze fictieve wereld. De techniek (lichaam) van de speaker valt naadloos samen met het geluid van de stemmen. Ik ben evenveel een lichaam als dat zij dat zijn.
Teug adem, kopje onder.
Componist Nuno vertelt over zijn verlangen naar dat mensen dagelijks spontaan in zang zouden uitbarsten. Hollywood heeft me verpest. Ik haat musicals en stoor me juist aan dat iedereen spontaan begint te zingen over banale dingen. Maar wat Nuno wil, wil ik toch ook. Hij beschrijft werklieden die samen zingen en de kracht die zang heeft om mensen samen te brengen. Als componist werkt hij veel samen met koren. Een ultieme vorm van samenzijn in het moment, zegt hij. Het voelt echt voor hem, om zonder instrument naast elkaar te staan en alleen je stemgeluid gebruiken. Weefsel, denk ik. Ik vraag me af of deze ‘echtheid’ te maken heeft met expressie. Waarbij stemgeluid een uiting is van het menszijn in het hier en nu. Een geleefde ervaring. Wanneer voelt een gebeurtenis onecht?
Als toekomstige archeologen komen we deze stemmen tegen. Nu de mensheid is uitgestorven doet de stem aan als een artefact. Misschien verandert de stem ergens halverwege het fluisterspel van expressie naar artefact.
Misschien bewegen we ons vaker in en uit koren zonder dat we het doorhebben. Een protest op straat als koor, een ruziënde dinertafel als koor, een collectief mantra in de yogales als koor. Het protest op straat komt, naast een collectief stemgeluid, met de nodige choreografie kom ik met Felix achter. In zijn eigen zoektocht naar hoe activisme vorm krijgt in zijn leven, brengt het idee van een koor de nodige verlichting. Non-stop een andere wereld verbeelden kost energie. Als je stem op is, kun je een stapje terug doen, het koor draagt het geluid. Opgeladen kan je weer meezingen en is er ruimte voor een andere stem om rust te nemen. Uitputting kan ook doen uitsterven.
Ik hoop dat als alles wegvalt, we samenkomen (in koor). ‘Ze proberen elkaar in het donker te vinden.’ Wat Felix beschrijft over de wezens heeft net zozeer betrekking op deze dystopische toekomst als op onze huidige samenleving. Het verliezen lijkt ons alleen nader te staan dan het vinden. We zijn samengeklonterde eilanden die drijven op het water en maar weinig kopje onder gaan in verhalen die ertoe doen.
What’s Left Speaks spreekt me aan op mijn verantwoordelijkheid. Als dit de toekomst is, welke folkloristische liederen zijn hier te horen? Welke verhalen zijn er doorgefluisterd? Met de stem als artefact van de mens denk ik aan alle stemmen die we niet te horen krijgen. Die de mond worden gesnoerd, worden onderdrukt of worden uitgewist. De diepgewortelde behoefte aan folklore wordt pijnlijk relevant in tijden van haat en uitsluiting.
De drie makers zijn het eens: verhalen moeten worden doorverteld en liederen doorgezongen. Verhalen die voortkomen uit onze geleefde ervaring. Verhalen bieden de mogelijkheid jezelf te positioneren, in de wereld te plaatsen. De dystopische wereld van What’s Left Speaks voelt als een oefenruimte voor de toekomst, waarin we ons beseffen wat ons stemgeluid waard is.
Ik wil bij het koor. Mijn mond wijd open, al mijn tanden laten zien.
–
What left speaks is tot en met 12 april 2026 te zien bij Das Leben am Haverkamp in Den Haag.