Het zoekende zelf – in gesprek met Taiyo Shimizu Larenas
Taiyo Shimizu Larenas is een van de zes winnaars van de Buning Brongers Prijzen 2026. Mister Motley interviewt dit jaar alle kunstenaars. Pelumi Adejumo spreekt Taiyo in zijn atelier. ‘Ik ben in mijn eerdere werk vastgelopen, omdat het steeds herhalender werd. Ik had bovendien een groot deel van mijn identiteit verbonden aan wat ik maakte en hoe ik dat maakte. Toen dat begon af te brokkelen, moest ik opnieuw zoeken. Nu werk ik veel opener. In plaats van vooraf een beeld te willen maken, ben ik op zoek naar een beeld.’
De naam van een kunstenaar kan al veel nieuwsgierigheid wekken, zoals de verschillende talen die iemand in zich draagt. Toen ik de eigenaardige schilderijen van Taiyo Shimizu Larenas zag, groeide die nieuwsgierigheid alleen maar. Waren het schedels, kale bebloede hoofden, of juist een man die lag te rusten? In zijn studio in De Ateliers spreken we elkaar voorzichtig. Er zijn stiltes, lange denkpauzes en momenten waarop we elkaar, hier en daar, herkennen.
Pelumi Adejumo
De schilderijen die ik van je heb gezien, lijken losgerukt van een vaste locatie of identiteit. Toch wil ik je vragen waar je bent opgegroeid en hoe dat landschap jou heeft gevormd.
Taiyo Shimizu Larenas
Ik ben in Nederland geboren, maar toen ik heel klein was verhuisden we naar Bolivia. Daar woonde ik tot mijn tweede. Vervolgens woonden we tot mijn vierde in Rome. Daarna gingen we terug naar Nederland en vanuit Nederland naar de Verenigde Staten. Vervolgens verhuisden we naar Peru.
Zijn je ouders diplomaten?
Nee, ze werken in de ontwikkelingshulp. Dat vele verhuizen heeft mij enorm beïnvloed. Het is natuurlijk een privilege om zoveel van de wereld te zien. Ik heb het altijd fascinerend gevonden hoe sterk plekken van elkaar verschillen. Tegelijkertijd was het ook moeilijk: telkens opnieuw vriendschappen moeten opbouwen en als kind niet goed begrijpen waarom je weer weg moet.
We hebben nooit in Japan gewoond, waar de hele Japanse kant van mijn familie woont. We gingen er wel iedere twee of drie jaar naartoe, maar door de grote tijdsprongen daartussen heb ik altijd een afstand tot mijn familie gevoeld. Het is ook een heel andere cultuur. Ik ben voornamelijk in westerse culturen opgegroeid. Ik spreek Japans, maar niet heel goed, waardoor er ook een communicatiekloof was. Tegelijkertijd was er altijd veel liefde.
Dat regelmatige verhuizen heeft ook verwarring veroorzaakt. Ik denk dat die lange tijd dominant was in mijn werk.
Hoe uitte die verwarring zich in je werk?
Er zat een existentiële ondertoon in wat ik op de academie maakte. Ik ben begonnen met fotografie. Ik denk dat dat me aantrok omdat het een gebeurtenis vastlegt, het is een soort vervanging van een herinnering. Omdat ons leven telkens veranderde, hebben herinneringen voor mij altijd een grote rol gespeeld. Van de ene op de andere dag kon iets geen deel meer uitmaken van mijn dagelijks leven.
Wanneer begon je met schilderen?
Ik heb drie jaar fotografie gestudeerd. Op een gegeven moment vond ik dat dat te veel ging over een externe realiteit, met de wereld zoals die zich voordoet. Ik was meer geïnteresseerd in een innerlijke wereld en schilderen leek daar directer toegang toe te geven.
Wel gebruik ik nog steeds foto’s als schetsen. Ik vind het ongrijpbare van fotografie fascinerend: de manier waarop je een sfeer kunt vastleggen en er later op terug kunt komen. Waarom trok een bepaald object, licht of gemoedstoestand mij aan? Mijn werk gaat sterk over sfeer, niet over iets concreets, maar juist over ambiguïteit.
Ik worstel nog met de vraag welke rol fotografie precies binnen mijn praktijk speelt. Is het een schets, of kan een foto ook op zichzelf staan?
In je oudere werk hield je je sterk bezig met het menselijk figuur.
Ja, vaak met vrij confronterende blikken. Toen ik onlangs binnen De Ateliers van studio verhuisde, zag ik al mijn oude werk weer. Een vriendin zei: “Ze kijken allemaal naar me.” Dat had ik doelbewust gedaan. Ik wilde directe, confronterende beelden maken die voortkwamen uit existentiële wanhoop, omdat ik me toen zo voelde.
Er waren ook slapende hoofden, die meer rust uitstraalden. Ik vond het destijds belangrijk dat mijn werk over grote thema’s van het bestaan ging. Ik was sterk geïnspireerd door existentiële literatuur. Als ik er nu naar kijk, begrijp ik dat het toen voor mij nodig was, maar ik zie ook hoeveel zelfmedelijden erin zat. Het leven is niet alleen maar zwaar.
Die werken gaan naar mijn idee ook over een existentiële worsteling met identiteit en ontworteling. Klopt dat?
Nee, juist niet. Ik probeerde de figuren zo min mogelijk identificatiekenmerken te geven. Het was eerder een poging om een soort geabstraheerde mens te maken, of een ziel of geest een vorm te geven. De figuren verkeerden in onrust en hoorden niet bij een specifieke plek.
Ik wilde daarmee bewust een emotionele intensiteit creëren, zonder een concreet verhaal te vertellen. Destijds was ik op zoek naar een soort universaliteit. Nu ben ik het daar absoluut niet meer mee eens. Wie ben ik om te bepalen wat universeel is? Dat was uiteindelijk mijn eigen gevoel, gevormd vanuit een heel westers referentiekader, met kunstenaars als Francis Bacon en Miriam Cahn.
Ik zie de verwantschap meteen. Grove beelden met geabstraheerde mensfiguren, veel zwart en felle kleuren die een scherp contrast vormen en veel uitingen van geweld. Nu werk je in een heel andere stijl. Hoe ontstond die verandering?
Ik hield hardnekkig vast aan één vorm van werken. Als ik terugkijk, zie ik veel variaties op hetzelfde idee. Het was meer een illustratie van een gevoel dan een zoektocht door het schilderen zelf. Dat laatste is waar mijn werk nu naartoe gaat.
Er zijn veel schilders die hun hele leven op zoek zijn naar hun signatuur. Ik vind het juist knap dat je die zo vroeg hebt gevonden. Hoe zou je je huidige werk omschrijven?
Ik ben in mijn eerdere werk vastgelopen, omdat het steeds herhalender werd. Ik had bovendien een groot deel van mijn identiteit verbonden aan wat ik maakte en hoe ik dat maakte. Toen dat begon af te brokkelen, moest ik opnieuw zoeken.
Nu werk ik veel opener. In plaats van vooraf een beeld te willen maken, ben ik op zoek naar een beeld. Daardoor ontstaat meer gelaagdheid. Ik schilder ook geen menselijke figuren meer. Er verschijnen objecten en andere vormen.
Hoewel ze nog steeds erg grijs en grauw zijn, zie ik meer stillevens en voel ik een bepaalde vertraging in de observaties. Kun je iets vertellen over dat huis, in het werk Ie?
Dat werk is gebaseerd op een foto die ik in de buurt van mijn grootouders in Japan heb gemaakt. Mijn oma is vorig jaar overleden. Zij was misschien wel de bijzonderste mens die ik ooit heb mogen kennen. Ze was een vrouw uit een generatie en cultuur waarin ze niet veel voor zichzelf kon kiezen. Toch was ze enorm liefdevol. Wat ik vooral bijzonder vind, is haar rust. Ik ben zelf heel rusteloos; ik raak dingen kwijt, begin iets en maak het niet af, of ben niet volledig aanwezig. Bij haar was dat totaal anders. Er was geen hiërarchie in hoe zij met dingen omging. De afwas, onkruid wieden, alles deed ze met dezelfde aandacht en liefde.
Hoe reageren mensen op je nieuwe werk in vergelijking met je oude werk?
Dat weet ik nog niet goed, omdat ik het nog nauwelijks buiten deze ateliers heb laten zien. Mijn oude werk trok vrij melancholische mensen aan, mensen die zelf een bepaalde pijn met zich meedroegen. Misschien gaf het herkennen van die pijn in mijn werk hen een soort rust.
Dat is ook waarom ik kunstenaars als Bacon zo interessant vond. Niet omdat ik een concreet gevoel herkende, maar omdat ik mezelf in het werk terugzag. Het gaf me het gevoel dat ik niet gek ben. Dat vind ik bijzonder aan kunst: ervaringen kunnen in verschillende vormen met elkaar rijmen.
Mijn huidige werk is misschien nog steeds melancholisch. Toen ik na de figuren niet meer wist wat ik moest schilderen, zei een tutor iets belangrijks: “Je hoeft gevoel niet per se uit te drukken in een menselijk figuur. Je kunt het ook laten ontstaan vanuit de manier waarop je naar iets kijkt.” Dat vind ik veel interessanter: niet zeggen “ik ga nu pijn laten zien”, maar onderzoeken hoe een beeld ontstaat. Dat geeft ruimte voor twijfel en verandering.
Zijn er kunstenaars, schrijvers of muzikanten die nu belangrijk voor je zijn?
Mijn muzieksmaak is veranderd. Ik luister nu veel naar Milo J en Lucio Battisti. Qua literatuur las ik vroeger vooral Dostojevski. Het toneelstuk Wachten op Godot van Samuel Beckett vind ik nog steeds bijzonder. Het eindeloze wachten op iets wat niet komt, maar tegelijkertijd met humor. Je kunt erom lachen en huilen. Onlangs heb ik Huis voor de dag, huis voor de nacht van Olga Tokarczuk gelezen. En Palomar van Italo Calvino.
Hoe kijk je naar het huidige kunstlandschap?
Het is makkelijk om principieel te zijn vanuit een geprivilegieerde positie. Ik zit nu bij De Ateliers, een geweldig instituut, en hoef me twee jaar geen zorgen te maken over inkomen, studioruimte of huisvesting. Dat is een enorm privilege.
Toch heb ik moeite met de manier waarop sociale media en de kunstwereld steeds meer met elkaar verweven zijn. Ik had ooit Instagram, maar ik merkte dat het platform mijn manier van kijken naar mijn eigen werk begon te beïnvloeden. Als ik meer likes kreeg, werd dat een vorm van validatie.
Sociale media bieden natuurlijk ook kansen. Tegelijkertijd lijkt de kunstwereld steeds transactioneler te worden: wie kent wie, wie volgt wie, wie stuurt wie een DM? Dat staat voor mij haaks op waar kunst over gaat. We leven in een digitale, kapitalistische samenleving waarin efficiëntie centraal staat, terwijl kunst juist interessant is omdat ze niet efficiënt of pragmatisch hoeft te zijn. Kunst werkt subtieler en is niet altijd concreet.
Ik zie ook een soort fetisjisme rond ‘jong’ en ‘nieuw’. Er moet voortdurend iets nieuws komen. Sommige kunstenaars lijken steeds hetzelfde werk te produceren, waardoor je een productiemachine wordt in plaats van dat je blijft zoeken.
Natuurlijk verschilt dat per kunstenaar. Een kleine verschuiving in materiaal of kleur kan al heel experimenteel voelen. Maar ik heb het idee dat er soms iets van de ziel uit het werk wordt getrokken, doordat we ons allemaal aanpassen aan dat systeem.
Tegelijkertijd moet ik voorzichtig zijn met die kritiek. Het is makkelijk om daar nu een mening over te hebben, omdat ik het op dit moment niet nodig heb. Misschien verandert dat ooit. Maar voorlopig wil ik vooral blijven zoeken.
Over de Buning Brongers Prijzen
De Buning Brongers Prijs is een Nederlandse kunstprijs voor jonge beeldend kunstenaars. De prijzen worden eens in de twee jaar uitgereikt door de Buning Brongers Stichting uit de nalatenschap van Johan Buning en zijn familie. De prijs bestaat dit jaar 60 jaar en is sinds 1966 uitgereikt aan 174 kunstenaars. Aan de prijs is een geldbedrag verbonden van € 4.500 per winnaar. De kandidaten voor de prijs zijn de afgelopen twee jaar afgestudeerd aan kunstacademies in Nederland en voorgedragen door hun academie. De prijsuitreiking en opening van de tentoonstelling van de zes winnaars vinden plaats op vrijdag 13 november in Arti et Amicitiae te Amsterdam. Je bent van harte uitgenodigd hierbij aanwezig te zijn.
Een gesprek over kunst en kwaliteit in Spui 25
Voorafgaand aan de prijsuitreiking in Arti et Amicitiae organiseert de stichting een gesprek over kunst en kwaliteit in Spui 25. Hans den Hartog Jager en Heske ten Cate geven elk een presentatie waarin ze dieper ingaan op hun persoonlijke ervaringen en inzichten. Aansluitend gaan Dineke Blom, Ricardo van Eyk en Robert Zandvliet met elkaar in gesprek. Je bent ook hier van harte welkom!