Jesse Lemmens & Máté Kohout

Hoe een succesvolle kunstenaar te zijn, zonder succesvol te zijn?

Essay
16 maart 2021

*English version below

In het kader van @all_inn_graduates publiceert Mister Motley de komende weken een aantal artikelen van afgestudeerde kunstenaars uit heel Nederland, de delegatie van 2020. Zij studeerden af in het befaamde Covid-19 jaar en stapten bedeesd, maar vol goede moed een vertraagde kunstwereld binnen. Ieder artikel vertrekt vanuit een vraag gesteld door deze kunstenaars en beschrijft de persoonlijke ervaringen van hun jonge praktijk. Deze acht stukken vormen uiteindelijk een uitnodiging om de tentoonstelling ALL INN – tot twee keer toe verschoven – in een ander licht te zien. We publiceren vandaag een essay van de pas afgestudeerde kunstenaar Máté Kohout die zichzelf de vragen stelt: Wat beschouwt men als een succesvolle kunstpraktijk? Wat maakt een kunstenaar/maker succesvol en waar trekt men de lijn tussen werk en een praktijk?

Vertaling door Jesse Lemmens

Rond februari 2020 las ik, zittend in mijn studio op school, een citaat van Laurie Parsons: “Ik vind het essentieel dat ik de galerie zelf beschouw, in plaats van deze zonder enige twijfel als context te blijven gebruiken. Met zijn fysieke ruimte en ingewikkelde sociale organisatie is het echt en net zo betekenisvol als het kunstwerk dat het herbergt en commercialiseert.” Ze zei dit na het presenteren op Laurence-Monk: een opnieuw geschilderde, lege galerie voor haar solo-show in 1990. In eerste instantie was ik er niet zeker van of ik begreep waarom iemand een opnieuw geschilderde, lege galerie als kunstwerk zou presenteren. Later, toen ik meer over haar las en ik leerde dat Parsons de kunstwereld verliet, begreep ik dit gebaar als voorloper van haar terugtrekking. Met elke show begon ze langzaam het object en de vorm in haar praktijk te verliezen en stapje voor stapje haarzelf van de kunstscene te verwijderen – haar geloof aankondigend dat “kunst zich moet verspreiden in andere omgevingen”. Kort daarna werd ze sociaal werker.

Hoe dan ook, voordat ik van Parsons op de hoogte was presenteerde ik ook muren aan de academie, hoewel ik er nooit echt een beschilderd heb. Ik bouwde ze soms, maakte ze klaar om geschilderd te worden, vulde gaten die achterbleven van eerdere presentaties, maakte ze schoon; deed al het grondwerk voor het schilderwerk, zonder de daad van het schilderen zelf. Mijn onderwerp was vaak de gegeven ruimte, inclusief het interieur en de faciliteiten, waar ik kies mij mee te bemoeien, door (her)plaatsing of (her)presentatie, te kaderen en bevragen. Eens stuurde ik zelfs een voorstel naar het Stedelijk Museum om een van hun muren te beschilderen met hun gereedschappen en materialen, want ik zag dat deze vies was tijdens een eerder bezoek. (Het voorstel werd afgewezen, omdat de muur al opnieuw geschilderd zou worden.) Later, gedurende mijn laatste jaren aan de academie, begon ik de aanwezigheid van een studio (of galerie) te onderzoeken en te bevragen. Ik stelde vragen bij mijn rol daarbinnen en hun rol in mijn artistieke praktijk.

Naast het bevragen van de ruimte zelf begon ik me te concentreren op mijn handelingen en gebaren – en die van mijn publiek -, die binnen worden uitgevoerd. Ik begon werken te produceren die wezen op processen die verband houden met de structuur en institutionele samenstelling van de academie, of misschien eender welke kunstinstelling. Op de academie was het voortdurend voorbereiden het enige wat ik in mijn atelier deed: door mijn materialen daar op te slaan, muren te bouwen, te schikken en te schilderen; om het er eigenlijk als één uit te laten zien. Na een tijdje genoot ik in mijn studio voornamelijk van het simpelweg hebben en onderhouden, maar niet het gebruiken – alleen het bevragen. Ik begon de studio en de hele academie te benaderen als een object: een constant, voortdurend veranderend werk, een plaats van de praktijk, de potentiële drager van alle ideeën die zich wel of niet manifesteren. Ik besefte dat het maken van kunst in deze ruimtes moeilijk, bijna onmogelijk, werd. En toen, na de eerste lockdown, werden onze studio’s en hun praktijk een ver idee, een structuur van naakte scheidingswanden, verlaten op school, ontoegankelijk; bedekt met witte verf, een glanzende, bijna lege oppervlakte – een whiteboard.

Wat is een atelier en een atelierpraktijk überhaupt?! Heb ik er ooit een gehad, heb ik er ooit echt van gebruik gemaakt? Wat is het dat ik binnen die muren geleerd heb en wat is het enige dat nog over zou kunnen blijven: een idee, een concept, of gewoon het verlangen om er een te hebben en onderhouden?

Een studio (of galerie) biedt ruimte voor actie, kansen en als er de juiste blik op valt, kunnen ze ook als kunstwerken op zichzelf worden gezien. Werken die – zowel fysiek als theoretisch – de mogelijkheid bevatten, zowel de tussenliggende als de vervulde en onvervulde ideeën: de absolute, onvoorziene gebeurtenissen. De studio (of galerie) kan dan ook als het enige werk worden gezien. Omdat ze door hun duidelijke en solide structuur de macht hebben om ieder werk als Kunst aan te wijzen, kunnen ze door deze macht ook op zichzelf staan. Deze ruimtes presenteren overwegend hoe kunst is of zou moeten zijn. Zonder hen is er traditioneel gezien geen ander werk, zonder hen is er geen succes, geen erkenning.


 

Máté Kohout

Aangezien kunstruimtes bedoeld zijn om kunstwerken te accommoderen, zal wat ze ook presenteren – of het nu gaat om een schilderij, een vlek, een beeldhouwwerk of een schroefgat, een tv-scherm of afplaktape – een kunstwerk worden; of iemand ze nu opmerkt of niet. Daarom moet je heel bewust en specifiek zijn over wat je naar binnen moet brengen en waarom. Net zoals binnen deze ruimtes, binnen het maken van kunst, kom ik meestal zo veel twijfel, vragen, analyses, evaluatie en de kwestie van smaak tegen, dat ik niet in staat ben tot (betekenisvolle) schepping. Als kunststudent bereikte ik een niveau, waarop ik geen betekenis meer kon ontleven of geven aan mijn werk. Vandaar dat wanneer ik me verloren voelde in mijn zoektocht naar concepten, onder druk gezet door de blik en de vragen die op mijn werk zouden kunnen vallen, ik opgeluchte vreugde en pure zingeving vond in het simpelweg voorbereiden en onderhouden van deze ruimtes. Alle voorbereiding, alle processen, elke stap die men voor en tijdens het schilderen zou zetten – van een stuk van een muur of een muur, of het maken van eender welk voorwerp – zet ik ook en zet ik steeds opnieuw. Toen ik een muur schilderde voor een tentoonstelling of presentatie – voor of na – voelde ik niet meer de druk, die vanuit de toeschouwer zou kunnen optreden. Dat is het moment dat ik betekenis vond; toen ik voldoening vond in mijn artistieke praktijk, die ligt in de voorbereiding, in het lopende proces, in het maken.

Wat is dan het verschil tussen het schilderen van een muur in een studio (of galerie) of thuis? Ben ik schilder? En waarom schilder ik; waarom schilder ik wat ik schilder, waarom schilder ik muren? Hoe en waar kan ik mijn artistieke praktijk buiten de muren van de academie onderhouden?

Het is nu januari 2021 en ik heb recentelijk zes muren geschilderd: een voor mijn diploma, een in de Appel voor een aanstaande tentoonstelling, een in de nieuwe studio van mijn vriend en een in mijn nieuwe kamer. En nog eens twee muren in een nieuwe printworkshop, die binnenkort zal worden geopend. Geen van deze muren werd aan het publiek gepresenteerd, geen van deze muren moest als kunstwerken worden gezien – maar had dat wel kunnen zijn. Ik zou schilder kunnen zijn, ik gebruik technieken die bijna alle schilders gebruiken. Wanneer ik schilder, schilder ik omdat dat deel uitmaakt van mijn proces en ik schilder omwille van het in leven houden van deze praktijk. Op de academie verloor ik alle vorm en al het beeld, ik liet mezelf met (èn zonder) concept achter. Het is het proces dat overblijft en telt, niet het resultaat, noch het idee; de muur werd de essentie, niet het schilderij of de andere kunstwerken die het zal dragen.
Ik dacht dat het mijn praktijk ten goede zou komen om na het afstuderen een studio te hebben, maar ik heb er geen. Toch houd ik mijn praktijk in stand, kan ik kunstenaar zijn. Ik heb net mijn diploma behaald. Maar nu wil ik niet in een galerie, of in vele galeries, komen en mijn werk laten zien en verkopen. Ik wil in een galerie, of vele galeries, komen en die op hun komende tentoonstellingen voorbereiden, hun voorgaande tentoonstellingen afbreken, hun ruimten en vertoningen in stand houden, hun potentieel onderhouden; hun beeldhouwer zijn. Ik schilder vanwege de daad van het schilderen en ik schilder muren omdat ze vooralsnog mijn doeken zijn. Ik hou er ook van om de afplaktape te scheuren en alles te bedekken wat ik niet wil schilderen. Ik vind het leuk om alle verlaten gaten en plekken die eerdere presentaties hebben achtergelaten op te vullen en te schuren, en ik vind het zeker leuk ook de vloer te bedekken, zodat die niet bevlekt zal raken: dit is mijn installatieperspectief. Ik wil muren schilderen, – net als Dieter Roth deed in zijn Solo-series, wens ik dezelfde aandacht, dezelfde passie voor elk van mijn werken, te behouden.
Elke muur die ik schilder is anders, elke verdieping is anders. Ieder materiaal is hetzelfde, maar de toepassing ervan verschilt altijd: In grootte, kwantiteit, precisie en waarde. Het doet er niet echt meer toe welke muur ik schilder, ik doe het met hetzelfde gebaar, dezelfde opwinding. Ik hoef niet op een specifieke plek te zijn, ik kan overal produceren. Voor mijn werk is het niet noodzakelijk om te worden begrepen door het publiek als kunstwerk, nergens moet het in meer of mindere mate gezien worden als de pure daad, maar ik beschouw dit gebaar als mijn streven en mijn betekenis om te scheppen, mijn praktijk, de bron van mijn artistiek succes.


 

Máté Kohout

How to be a successful artist without being successful?
by Máté Kohout

Within the framework of @all_inn_graduates, the upcoming weeks Mister Motley will publish a series of articles written by artists graduated in 2020 from all over the Netherlands. These artists graduated in the infamous Covid-19- year and timidly but in good spirits entered a slowed down art world. Each article departs from a question that occupies these artists and describes personal experiences from their young practice. Eight articles will be published in total. Together they form an invitation to see the exhibition ALL INN – postponed twice – in another daylight.

Around February of 2020, sitting in my studio at school, I read a quote from Laurie Parsons: I feel it essential that I consider the gallery itself, rather than continue to unquestioningly use it as a context. With its physical space and intricate social organization, it is real, and as meaningful, as the artwork it houses and markets.” She said this after presenting at Laurence-Monk: a re-painted, empty gallery for her solo-show in 1990. At first I wasn’t sure if I understood why would someone present a re-painted, empty gallery as an artwork. Later when I read more about her, and I learned that Parsons left the art world, I understood this gesture as a precursor for her withdrawal. By each show she slowly started loosing the object and form within her practice and step by step started to remove herself from the scene – announcing her belief, that art must spread into other realms”. Shortly after she became a social worker.

Anyway, before I knew about Parsons I also presented walls at the academy, although I never really painted one. I sometimes built them, prepared them to be painted, filled up holes that were left from previous presentations, cleaned them; made all the groundwork for painting, without the act of painting itself. My subject was often the given space, including its interior and facilities, which I choose to interfere with, by (re)placement or (re)presentation in order to frame and question it. Once I even sent a proposal to the Stedelijk Museum to paint one of their walls with their tools and materials, because when I was there before I saw it was dirty. (The proposal got denied, as the wall was already meant to be re-painted.) Later, during my final years at the academy, I started to examine and question the presence of a studio (or gallery). I was questioning my role within it, and their role in my artistic practice.

However, besides questioning the space itself, I started focusing on my – and my audience’s – acts and gestures performed within. I started to produce works that pointed to processes relating to the structure and institutional make-up of the academy, or perhaps any art-institution. At the academy all I did in my studio was to constantly prepare it: to store my materials there, to build walls, to arrange and paint it; to basically make it look like one. Then after a while, all I mainly enjoyed about my studio, was just having and maintaining, but not using – only questioning it. I began to approach the studio and the whole academy as an object: a constant, ever-changing work, a place of practise, the potential carrier of all ideas to happen or not-happen. I realised that making art within these spaces became difficult, almost impossible. Then once and for all, after the first lockdown our studios and their practice became a distant idea, a structure of naked partition walls, deserted at school, impossible to access; covered with white paint, a shiny, neat empty surface – a whiteboard.


 

Máté Kohout

What is a studio and a studio practice anyway?! Did I ever have one, did I ever really make use of one? What is that I learned within those walls and what is the only thing that could still remain: an idea, a concept, or simply the desire to have and maintain one?

A studio (or gallery) gives space for action, opportunity and if the right gaze falls upon them, they can also be seen as artworks on their own. They are the work that – both physically and theoretically – hold the possibility, the in-between as well as the fulfilled and unfulfilled ideas: the absolute contingency. The studio (or gallery) can then also be seen as the only work. Since through their plain and solid structure they have the power to assign any work as Art, through this power they can also stand on their own. Majorly these spaces present how art is or should be, traditionally without them there is no other work, without them there is no success, recognition.

As art-spaces are meant to host works of art: whatever they present – whether thats a painting, a stain, sculpture or a screw-hole, tv-screen or masking tape – will become pieces of art; whether someone notices them or not. Therefore one has to be very conscious and specific about what  to bring inside and why. Just as within these spaces, within the making of art, I usually meet so much doubt, question, analysis, evaluation and the matter of taste, that I find myself incapable of (meaning)making. As an art student I reached a level, where I could no longer explain or develop meaning with my work. Hence, whenever I felt lost between my search for concepts, pressured by the gaze and question that might fall on my work, I found relieved joy and pure sense in simply preparing for and maintaining these spaces. All the preparation, all the process, every step one would do before and during painting – a piece or a wall, or making any object – I do as well and I do so over and over. When I painted a wall for an exhibition or presentation – either before or after – I didn’t feel the pressure anymore that might occur from the spectator’s side. That’s when I realised meaning, when I found satisfaction in my artistic practice, which lays in the preparation, in the ongoing process, in the making. 


 

Máté Kohout

What is then the difference between painting a wall in a studio (or gallery) or at home? Am I a painter, and why do I paint, why do I paint what I paint, why do I paint walls? How and where can I sustain my artistic-practice outside of the academy walls?

It is now January, 2021 and I’ve recently painted 6 walls: one for my diploma, one in the Appel for an upcoming exhibition, one at my friends new studio, and another one in my new room. And another 2 in a new print-workshop that is about to open soon. None of these walls were presented to the public, none of them had to be seen as artworks – but could have been. I could be a painter, I am using techniques that almost all painters do. When I paint, I paint because that is part of my process, and I paint for the sake of keeping this practice alive. At the academy I lost all the form and all the image, I left myself with(out) concept. It’s the process that remains and matters, not the result, nor the idea; the wall became the essence, not the painting or other works of art it will carry. I thought it would benefit my practice to have a studio after graduating, however, I don’t have one. Yet, I sustain my practice, I can be an artist, I just received my diploma. But now I do not wish to get into a gallery or many galleries and show and sell my work. I wish to get into a gallery or many galleries and prepare those for their coming exhibitions, break down their previous shows, maintain their spaces and displays, maintain their potential; to be of their sculptor. I paint for the act of painting and I paint walls because they are my canvases for now. I also like ripping the masking tape and to cover everything I wish not to paint. I enjoy filling up and sanding all the deserted holes and marks previous presentations left behind and I definitely like to cover the floor too, so it won’t get stained: this is my installation view. I wish to paint walls, – like Dieter Roth did, in his Solo series, I wish to maintain the same attention, the same passion for each of my work.
Each and every wall I paint is different, each and every floor is distinct. Every material is the same, but their application always differs: in size, quantity, precision and value. It does not truly matter anymore which wall I paint, I do it with the same gesture, same excitement. I don’t have to be anywhere specific, I can produce anywhere. For my work, it is not necessary to be realized as art-work by the public, nowhere it has to be seen less or more as the pure act, but I consider this gesture as my drive and my meaning to create, my practice, the source of my artistic success.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

* verplicht

Meer Mister Motley?

Draag bij aan onze toekomstige verhalen en laat ons hedendaags kunst van haar sokkel stoten

Nu niet, maar wellicht later