‘Hoe ik zelf in de wereld wil staan’ – op atelierbezoek bij Laurien Renckens
Laurien Renckens combineert traditionele volkskunst met een abstracte beeldtaal en komt zo tot een universele vorm voor een esthetische beleving van een levensbeschouwelijk inzicht. ‘Het speels aandoende werk dat iets van een trekpop heeft, blijft als beeldende compositie sterk overeind en stemt niet alleen vrolijk, maar ook tot nadenken,’ schrijft Alex de Vries nadat hij het atelier van Renckens bezocht.
Op haar 25ste had Laurien Renckens (Nijmegen, 1966) al vier jaar een eigen praktijk als logopediste en stortte ze in. Die burn-out op jonge leeftijd kwam ze te boven door terug te keren naar wat ze altijd al graag deed: tekenen en schilderen. Al gauw werd haar werk in lokale kring opgemerkt en gewaardeerd. Na de eerste verkopen kwam het besef: ‘Ik ben een kunstenaar’. Als autodidact bouwde ze een professionele beroepspraktijk op in binnen- en buitenland die nu, 35 jaar later, floreert als nooit tevoren.
Aan de rand van Nijmegen tussen de bomen ligt achter haar huis haar zelfgebouwde atelier, een ideale werkplek qua ruimte en licht om haar werk te maken. Ze begon in 1991 te schilderen op haar zolderkamer en maakte abstracte schilderijen van monochrome ruimtes van verf die ze op een doek naast elkaar plaatste. Na consequent die manier van werken te hebben doorontwikkeld – ‘Het was een zoektocht naar vernieuwing en verdieping door steeds hetzelfde te blijven doen’ – verhuisde ze in 1997 naar een werkruimte in de Houtwerf aan de Hatertseweg, een dynamische plek voor creatieve ondernemers, ontwerpers en kunstenaars.
‘Daar had ik de ruimte, onder een hoge houten kap. Daardoor had ik meer afstand tot mijn werk en kon ik er anders naar kijken. Ik werkte in lagen in een proces waarbij ik door steeds te mislukken uiteindelijk tot een goed resultaat kwam. Wat me aan de Houtwerf beviel was dat ik echt naar mijn werk ging en dat het een broedplaats was zodat er veel uitwisseling met creatieve mensen was. In 2023 bouwde mijn man, Alwin Willems, voor mij in houtskeletbouw mijn eigen atelier, zodat ik veel geconcentreerder aan de ontwikkeling van mijn schilderijen kon werken. Gaandeweg ben ik minder in lagen gaan werken en probeerde ik door directe beweging diepte te bereiken, door los op het doek een of twee kleuren te plaatsen.’
Zonder het zelf direct te beseffen sloot haar werk daarmee aan bij de fundamentele schilderkunst: de betekenis van het aanbrengen van verf op een ondergrond met eenvoudige middelen en directe gebaren. Concentratie op de essentie van het schilderen stond voorop, een dualistisch proces van rationele overwegingen en gevoelsmatige beslissingen.
In het atelier staat een schilderij met twee losse kleurvlakken, links een blauw en rechts een geel kleurverloop op een witte ondergrond. Je kunt het als een puur abstracte kleurcompositie ervaren, maar ook als een weergave van water en zand. Het schilderij laat in het midden hoe je ernaar kunt kijken. Een ander doek laat links op het schilderij een vlak zien dat van boven naar onder verschuift van zwart naar wit en dat ongeveer driekwart van het oppervlak beslaat waardoor boven en rechts ernaast een lege ruimte overschiet dat als een landschap bij nacht aandoet. Het is zo’n doek dat zowel het eind van een periode is, als het begin van een nieuwe tijd, een kantelpunt in het schilderen.
Laurien Renckens was de kunst weliswaar nooit vreemd – ze is een volle nicht van de acht jaar oudere kunstenaar Mariës Hendriks – maar het lag niet voor de hand daar haar werk van te maken.
‘Mijn moeder werkte als verpleegkundige op de röntgenafdeling van het ziekenhuis. Ze was serieuzer dan haar zus Greetje, de moeder van Mariës, die dat gekke, geestige karakter had. Daar kwam ik graag. Ik reed wel mee met tante Greetje als ze voor hun groente- en fruitwinkel bestellingen moest bezorgen. Dan scheurde ze met haar bestelauto links en rechts over de weg door Nijmegen. Mijn vader heeft altijd gedacht: ik ga heel hard werken en veel geld verdienen. Hij was ondernemer en had een exportbedrijf in bakstenen, de tussenhandel tussen fabrieken en architecten. Hij begon kunst te verzamelen. Dat begon met Schelfhout, schilderijen van bootjes en vergezichten, en hij richtte zich later op abstracte kunst. We hadden thuis ook een piano en er was veel klassieke muziek. Toen ik mijn burn-out had maakte ik een keuze: de piano ging de deur uit en ik ging schilderen.’
Na de minimalistische, monochrome doeken ontstond bij Laurien Renckens het verlangen om meer kleur in haar schilderen te gebruiken. Ze maakte kleine schilderijen van driehoeken met uiteenlopende kleuren in smalle banen tegen elkaar. Na een tijdje ging ze signaalkleuren gebruiken, waardoor de noodzaak van die compositie een stelliger uitdrukkingsvorm kreeg.
‘Het monochrome minimalisme vervulde me niet meer. Er was te veel leegte. Ik wilde een vorm waarin meer gebeurde en die vond ik eerst in die gekleurde driehoeken. Tijdens de pandemie begon ik me meer en meer af te vragen wat ervoor mij in het bestaan toe doet.
In 2021 ging ik met mijn man mee op reis die voor zijn werk naar een atletiek trainingskamp in Kenia ging. Hij werkt voor het managementbedrijf voor atleten van Jos Hermens en ontwikkelt nieuwe technologie zoals de wavelight, een elektronisch gangmakerssysteem met ledlampjes aan de binnenkant van een atletiekbaan dat het precieze tempo aangeeft voor lopers. Het was mijn eerste reis buiten Europa en ik werd verrast door de totaal andere manier van leven in deze Afrikaanse gemeenschap. De levensinstelling is volkomen tegengesteld aan die van ons. Je neemt genoegen met wat de dag je brengt, in alle eenvoud en in gezamenlijk verband. Ik had een gesprek met een Keniaanse atlete en mijn vraagstelling was helemaal gedacht vanuit de westerse bril waarmee ik keek. Door haar antwoorden voelde ik me zo onnozel. Het aardige van het bezoek aan die trainingskampen is dat je er alleen met plaatselijke Kenianen te maken hebt en niet met toeristische attracties. De faciliteiten voor de sporters zijn erg eenvoudig en basaal. Daardoor kreeg ik een goed inzicht in de dagelijkse manier van leven. Vanuit ons perspectief vinden we van alles waar Kenianen zich helemaal niet druk over maken. Het leven is kleurrijk en wordt beleefd vanuit blijdschap die je met elkaar deelt. En ook onder moeilijke omstandigheden is iedereen er voor elkaar, meer dan dat er voor het eigenbelang wordt gekozen. Aan die manier van leven wilde ik een ode brengen. Ik zag dat er in Kenia vaak kleurrijke amuletten worden gedragen die we kennen als talisman, een symbolisch voorwerp dat de drager ervan geluk brengt. Ik ben me daarin gaan verdiepen en ontdekte dat het woord talisman is afgeleid van het Oudgriekse telesma – een woord dat ik beter vind dan de masculiene talisman – en besloot mijn versie ervan te gaan maken. Ik wilde daarvoor gebruik maken van simpele gebruiksvoorwerpen en ontdekte dat als ik een kartonnen verpakking van koffie – zogenaamde espresso sleeves – uit elkaar vouwde een typische, aansprekende figuur kreeg. Ik ben die uitgevouwen kartonnen doosjes in eindeloze variaties met kleurpatronen gaan beschilderen.
Ik had er 87 toen ik in contact kwam met Mart Warmerdam en Riëlle Boerland van 99Uitgevers in Haarlem die met mij een boek wilden maken. Toen lag het voor de hand om er 99 te maken. Het boek is in 2024 verschenen in samenwerking met mijn galerie Project 2.0 Gallery in Den Haag. Ik werk overigens ook samen met The Frozen Fountain in Amsterdam. Al doende ontdekte ik in de beperking die ik had gekozen steeds meer mogelijkheden. De uitgevouwen figuur is zowel man als vrouw en ik heb de telesma naar grotere doeken en tapijt vertaald van 200×270 centimeter. Deze serie heet Birds of Paradise.’
Opmerkelijk is dat Laurien Renckens in de combinatie van traditionele volkskunst met de beeldtaal van de abstracte beeldende kunst een universele vorm heeft gevonden voor een esthetische beleving van een levensbeschouwelijk inzicht. Het speels aandoende werk dat iets van een trekpop heeft, blijft als beeldende compositie sterk overeind en stemt niet alleen vrolijk, maar ook tot nadenken.
Na de telesma-serie begon ze aan kleinere werkjes die ze Wonderlings noemt, figuurtjes die als zodanig niet helemaal kloppen en die ze door kleurverhoudingen een geloofwaardig aanzien geeft. ‘Voor mij staan ze voor de verwondering over het onbekende, de verrassing dat je iets niet weet over een mens, een idee, of politiek. De kennismaking ermee geef ik weer. Ik zag ze eerst als aliens, totdat ik besefte dat het erover gaat hoe ik zelf in de wereld wil staan.’
In november 1925 overleed de vader van Laurien Renckens en de manier waarop hij stierf, via passieve euthanasie, stelde haar gerust. ‘Rouwen is niet iets wat je doet, maar wat je gebeurt. Mijn vader was een goeroe op zijn sterfbed vanuit de gedachte “het is goed als ik ga”. Dat stelde me gerust. Maar er was ook het besef dat er geen nieuwe herinneringen meer met mijn vader worden gemaakt en daar wil ik uiting aan geven.
Ik ben op 1 januari 2026 aan een dagelijkse reeks begonnen die in ieder geval dit hele jaar beslaat en daarom uit 365 tekeningen zal bestaan. Iedere dag tekenen ik in een blocnote met ecoline een ronde vorm, steeds in andere variaties. In dat rondje van 5,8 centimeter zie ik het kleinste en het grootste van het menselijk bestaan. Door het dagelijks te doen is het een ritueel dat me verzoent met het sterven van mijn vader.’
Vanaf het allereerste begin is kunst voor Laurien Renckens een manier geweest om met zichzelf in het reine te komen. Dat is de laatste jaren verrijkt met de idee om ook in het leven met anderen vrede te vinden en plezier te hebben in uitwisseling en overgave. Inmiddels heeft ze meerdere reizen naar Kenia en Oeganda gemaakt om in plaatselijke omstandigheden te ontdekken waar de kern van haar werk ligt.
In Afrika deed ze een project met kinderen door met op straat gevonden afval – van lege medicijnstrips tot plastic draadjes – menselijke figuurtjes te vormen en zo iets tot stand te brengen dat waardevol oogt. In haar atelier staan twee uit klei gevormde geometrisch aandoende kniehoge mensfiguren, proefondervindelijke beeldjes die ze graag wil vervolmaken als keramiek waarvoor ze de ambachtelijke kennis nog ontbeert.
‘De noodzaak om dingen te maken vind ik in de periode die voorafgaat aan het moment dat je weet wat het wordt. Ik verzet me tegen onverschilligheid en balorigheid van de wegwerpmaatschappij en vind het waardevolle in wat we veronachtzamen.
Het gaat er niet om of je beter of slechter bent dan een ander, maar dat je je onderscheidt van de massa. Ik anticipeer op wat iets kan worden en wil alle mogelijkheden uitputten om ergens op uit te komen. Het stopt bij mij niet met de wil om iets te ontdekken. Ik wil er na het maken een naam aan geven die klopt door het plezier te benoemen van wat ik heb gedaan.’