Ananda Serné

IJsberenprotocol

19 mei 2026

Vandaag plaatsen we een voorpublicatie van een fragment uit IJsberenprotocol, de nieuwe roman van schrijver en beeldend kunstenaar Ananda Serné die op 28 mei aanstaande verschijnt bij Uitgeverij Cossee. In IJsberenprotocol verblijft protagonist Eira als writer in residence in een onderzoeksdorp op Spitsbergen. De roman is een meerstemmig verhaal over hoe een huis wordt aangetast door dooiende permafrost, een individu door haar gedachten en een kleine gemeenschap door sociale controle.

Een ijsbeer kijkt me vanaf de bagageband vriendelijk aan. Alsof hij me moed probeert in te spreken. Naïeve stakker. Hij is ooit neergeschoten met die gemoedelijke uitdrukking op zijn gezicht. Dat denk ik tenminste. Of zouden taxidermisten de gezichtsuitdrukking van een dier na zijn dood veranderen? Ze moeten dan wel snel zijn, hun werk doen voordat lijkstijfheid intreedt. Rigor mortis begint bij de oogleden, kaak en nek en breidt zich binnen een paar uur langzaam uit naar andere lichaamsdelen. In warm weer gaat zoiets sneller dan in de kou. Dat geeft de ijsbeerdoder extra tijd.

IJsberenprotocol. Foto: Ananda Serné.

Ik laat mijn blik door de hal glijden, de grote wijzer van de klok beweegt. Nog drie uur tot de volgende vlucht, al is het onduidelijk of die wel kan vertrekken met deze wind. Ik ga op een van de zwartleren banken zitten en kijk door de hoge ramen naar buiten, de sneeuw die tegen het glas wordt geblazen veegt het uitzicht weg. Ik open mijn rugzak en haal Een vrouw in de poolnacht tevoorschijn, een klassieker uit de arctische literatuur van de Oostenrijkse Christiane Ritter. Het boek beschrijft Ritters verblijf in een hut op Spitsbergen in 1934-35. Ritter ziet het aanvankelijk helemaal niet zitten om haar man te vergezellen tijdens de donkere wintermaanden in het poolgebied. Wanneer ze arriveert is de plek nog verlatener dan verwacht. Ze beschrijft de koude woestenij zonder bomen of struiken als troosteloos, golven slaan bijvoorbeeld kil en onverschillig op een rotsig strand. Ze kan de schoonheid die haar man in het landschap ziet niet bespeuren.
Ik heb het boek bijna uit. Ritter herziet gaandeweg haar mening over Spitsbergen. Terwijl de mannen jagen en soms dagen van huis zijn, houdt zij de boel draaiende en probeert ze in de donkere winter ritme en gezelligheid te creëren. Het noordpoolgebied als een plek waar ook vrouwen kunnen gedijen vond weinig weerklank in Ritters tijd. Tussen 1898 en 1941 verbleven ongeveer driehonderdvijftig mensen tijdens de winter op Spitsbergen, waarvan zevenentwintig vrouwen. Over het algemeen reisden de vrouwen in gezelschap van een man.

Er is inmiddels een uur voorbij, de toeristen in waterafstotende kleding wisselen elkaar af. Heel anders dan toen Ritter hier was.
Ik vraag me af hoe oud de opgezette ijsbeer in de bagagehal is, hoelang hij daar al staat. In een poging om zijn verhaal te achterhalen typ ik Who killed the stuffed polar bear at Longyearbyen airport in een zoekmachine. Ik scrol naar beneden. De resultaten vertellen over een man die een paar jaar terug op de camping naast het vliegveld in zijn slaap door een ijsbeer werd verrast en om het leven kwam. Na de aanval werd de driejarige ijsbeer neergeschoten. Online kan ik niets vinden over de dood van de opgezette bagagebandbeer.
Buiten begint het op te klaren. De camping uit de nieuwsartikelen lijkt nog steeds te bestaan, onderaan de heuvel staan tenten op de permafrost. Daarachter het grijze water in de fjord en kale besneeuwde bergen. Ik knijp mijn ogen tot spleetjes, zouden daar ergens ijsberen zijn? Het smeltende landschap beïnvloedt het gedrag van de dieren. De afname van zee-ijs, waarvan ze afhankelijk zijn voor de jacht, drijft de dieren voor een langere periode aan land en brengt ze dichter bij de mens.
Op mijn telefoon popt het bericht op dat de vlucht naar het onderzoeksdorp op de geplande tijd zal vertrekken. Nu ik aan het dorp denk, heb ik weer dat gevoel boven in mijn maag, als vleugelslagen die voorbijtrekken. Een paar weken geleden leek deze reis een droom. Nu vraag ik me af wat ik hier doe, in het domein van de ijsbeer. Om me voor te bereiden op mijn verblijf begon ik met het lezen van de lokale krant, Svalbardposten. Regelmatig verschijnt er een column waarin iemand zich ergert aan de hoeveelheid toeristen in de hoofdstad. Ik ben eigenlijk geen haar beter dan de toeristen die hier met cruiseschepen arriveren. Misschien moeten we de poolgebieden met rust laten.
In tegenstelling tot andere plekken op Spitsbergen is het onderzoeksdorp niet vrij toegankelijk voor publiek. Dat is gelijk wat me zenuwachtig maakt. De plek is een van de meest noordelijke nederzettingen ter wereld. Verschillende landen onderhouden er een onderzoeksstation: Canada, China, Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië, India, Italië, Japan, Nederland, Noorwegen en Zuid-Korea. Er heerst radiostilte in het dorp, draadloze signalen verstoren het onderzoek en daarom is het voor bezoekers verplicht om al hun apparaten op vliegmodus te zetten. Ik word straks omringd door wetenschappers die elkaar vast al jaren kennen en zal in ongemakkelijke situaties niet eens op mijn telefoon kunnen kijken.
De afzondering heeft ook zijn voordelen, de inhoud van mijn koffer bestaat voor de helft uit boeken. Waarschijnlijk is er niet zo gek veel te doen in het dorp en dat zou goed zijn voor het schrijven. In Amsterdam raken de uren geïmpregneerd met sociale verplichtingen, verzadigd. Overdag werk ik in een winkel waar we keukengerei en huishoudartikelen verkopen. Ik heb leuke collega’s, daar niet van, mensen die aan de kunstacademie of het conservatorium hebben gestudeerd en net als ik de avonduren gebruiken om aan hun eigen projecten te werken. Ik probeer vooral veel te schrijven. Afgelopen zomer werkte ik aan een kort verhaal over een jonge wetenschapper die voor haar werk een tijdje op Spitsbergen verblijft en worstelt met prestatiedrang. Sinds ik me kan herinneren heb ik een fascinatie voor het Noordpoolgebied. Hoewel ik nooit op Spitsbergen ben geweest, weet ik er veel van: ik heb een hoop gelezen. Toen ik een paar maanden geleden een oproep van het Noors Poolinstituut tegenkwam was ik meteen enthousiast. Ze zochten beginnende Noorse kunstenaars of schrijvers die een periode in een wetenschapsdorp wilden verblijven om daar vervolgens een werk over te maken. Ik ben half Noors, maar heb nooit in het land gewoond. Toch besloot ik een gokje te wagen, zolang ik mijn mond dichthoud kan ik best voor Noors doorgaan, fake it till you become it. Toen ik op een stikhete zomerdag zonder klanten in de winkel achter de kassa stond, begon zich in mijn hoofd een plan te vormen. Ik zette een aantal steekwoorden op papier en die avond schreef ik een voorstel. In mijn ondergoed zat ik achter de computer, ik had alle ramen opengezet maar de lucht kwam niet naar binnen. Volgens mijn telefoon was het buiten nog steeds tweeëndertig graden. Online keek ik naar afbeeldingen van sneeuw en ijs, het bood verkoeling om mezelf in een sneeuwstorm voor te stellen. De motivatiebrief moest natuurlijk in het Noors, de taal van mijn moeder. Voor mijn korte verhaal had ik al gelezen over verschillende onderzoeken waar biologen op Spitsbergen mee bezig zijn. Ik stuitte op bepaalde micro-organismen die in het Noordpoolgebied in een sluimertoestand verzinken om de extreme omstandigheden zoals kou en lange donkere perioden te doorstaan. Als de kust veilig is, ontwaken ze weer. Dat wilde ik verder onderzoeken, schreef ik, het verwerken in een roman. Het combineren met een verhaal over het ritme en dagelijks leven van de biologen in het dorp. Tijdens het schrijven werd ik steeds enthousiaster. Mijn Noors was best goed, vond ik zelf. Afgezien van een aantal vakanties had ik niet veel tijd in Noorwegen doorgebracht, het zou leuk zijn om op dat Noorse poolstation de taal actiever te gebruiken. Voor de zekerheid stuurde ik de brief naar mijn moeder, wellicht was er hier en daar iets misgegaan met de grammatica. Een dag later kreeg ik het bestand terug. Het stond vol met rode doorhalingen, op elke zin had ze wel iets aan te merken. Wel leuk dat je het probeert, had ze erbij gezet. Dat weekend verzond ik de verbeterde versie, maar omdat ik wel vaker plannen verstuur die vervolgens worden geweigerd, durfde ik er niet te veel op te hopen.
Het eind van de zomer kwam in zicht en mijn verhaal over de poolbioloog werd gepubliceerd in een literair tijdschrift. Twee weken later ontving ik een e-mail van een uitgeverij met de vraag of ik al aan een roman werkte. Ik had nog geen manuscript voor een roman, nee, maar zodra ik iets had, zou ik het toesturen, schreef ik terug. De onderzoeksperiode op Spitsbergen was nu natuurlijk helemaal te mooi om waar te zijn. Nog steeds deed ik mijn best er niet op te hopen, alsof de selectiecommissie zou aanvoelen hoe graag ik dit wilde, en me daarom niet zou kiezen. Het leek me goed om een soort onverschilligheid uit te stralen, als een kat.
Toen ik half september een bericht kreeg van het Noors Poolinstituut met de vraag of ik in de lente acht weken in het wetenschapsdorp zou willen verblijven, moest ik de e-mail twee keer doorlezen. Ik kon het nauwelijks geloven. Er stond dat er in deze periode daadwerkelijk een paar
Noorse biologen in het dorp zullen zijn die met de slapende micro-organismen werken waarover ik wil schrijven. En dat ik samen met hen in een huis zal wonen. Ik werd er zenuwachtig van.
‘Zou ik komende lente acht weken verlof kunnen nemen?’ vroeg ik mijn baas voorzichtig.
‘Ga je op reis?’ antwoordde ze.
‘Ik ga naar het Noordpoolgebied,’ zei ik op een toon die naar ik hoopte niet klonk alsof ik aan het opscheppen was.
‘Goh, jij liever dan ik,’ zei ze.

De maanden erna vroeg ik me af welke kleding ik moest meenemen. In het onderzoeksdorp zijn geen winkels en ik kende niemand met poolervaring om advies te vragen. Wat voor schoenen zou ik moeten dragen? Zouden mijn voeten nat worden in de diepe sneeuw? En hoe voorkom je een vrieswond of een bevroren vinger? Op een Noorse website las ik dat je in laagjes moet denken. Dan kun je een laagje uittrekken als het te warm wordt. Merinowol als basislaag op de huid, dat absorbeert vocht. Ik las uitgebreid over midden- en buitenlagen. Ik kocht lang wollen ondergoed (basislaag) een paar gebreide truien (middenlaag) en een donsjas tot op mijn knieën (buitenlaag). Voor de zekerheid kocht ik naast de muts, dikke sokken en handschoenen die ik al had, ook een dunnere basislaagmuts, basislaagsokken en basislaaghandschoenen.

Omslag IJsberenprotocol Ananda Serné, Uitgeverij Cossee.

De roman van Ananda Serné verschijnt op 28 mei 2026 bij Uitgeverij Cossee. Bovenstaand fragment en beelden ©2026 Ananda Serné en Uitgeverij Cossee bv, Amsterdam.

Advertenties

Ook adverteren op mistermotley.nl? Stuur dan een mail naar advertenties@mistermotley.nl

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

* verplicht