‘Kunst gaat altijd over liefde’ – in gesprek met (levens)kunstenaar, schrijver en bodhisattva Louwrien Wijers
In een intiem gesprek met Louwrien Wijers merkt Lucette ter Borg op dat Louwriens leven ‘een soort sprookje is’. ‘Ja dat klopt. Ieder leven is een sprookje. Als je het leven leeft hoe het je aangegeven wordt, dan is het een sprookje. Zo is mijn leven – echt waar.’
Laten we het over getallen hebben, want daar is kunstenaar en schrijver Louwrien Wijers (1941) in geïnteresseerd. Zodra ik neerplof aan haar tafel in het Noord-Friese Ferwert, na een wat onzekere tocht in een haperende auto over de Afsluitdijk, haalt ze haar notitieblok tevoorschijn. Ze wil weten wie er tegenover haar zit.
Wanneer ik ben geboren? Op 9 mei? “Nee, dat kan niet,” zegt ze. “Je bent vast een uur of meer voor zonsopgang geboren. Je hebt helemaal niet het gezicht van een 9. Een 9 heeft een bol gezicht met vaak één roodgekleurde wang. Waarschijnlijk ben je een 8: een 8 maakt het onmogelijke mogelijk. Een 9 is een Nee-zegger. Jij zegt geen nee – dat zie ik meteen.” Zelf is ze ook een 8. “We hadden onmiddellijke herkenning”, zegt ze. “Voelde je dat?”
En dat klopt. De eerste keer dat ik Louwrien Wijers ontmoet, is voordat ze in het Fries Museum in november vorig jaar de Gerrit Benner Prijs krijgt uitgereikt voor haar werk. We omhelzen elkaar spontaan. Ik zie daar haar eerste museale solo van haar best lange leven – vol tekstwerken, metalen sculpturen en de complete videoregistratie van het roemruchte, vijfdaagse symposium ‘Art meets Science and Spirituality in a changing Economy’ in 1990 in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Vijf dagen lang was het Stedelijk in 1990 het zenuwcentrum van de wereld, waar (nobelprijs)wetenschappers als Ilya Prigogine, David Bohm en Fritjov Capra samenkwamen met spirituele leiders zoals de Dalai Lama, Sogyal Rinpoche, Huston Smith en Raimon Panikkar, en kunstenaars als John Cage, Robert Rauschenberg, JCJ Van der Heyden, Lawrence Weiner en Marina Abramovic. Samen onderzochten ze hoe een nieuwe wereldorde eruit zou kunnen zien, die gebaseerd is op kunst en creativiteit, niet-kapitalistische, democratische denkbeelden en spiritualiteit.
Het symposium van toen, waar ze tien jaar aan werkte, eerst alleen en vanaf 1986 met haar man, kok en kunstenaar Egon Hanfstingl, beschouwt ze als de grootste ‘mentale sculptuur’ die ze ooit heeft gemaakt. Ze put nog dagelijks uit het symposium en verbeeldt de belangrijkste citaten vaak in zorgvuldig door Irma Boom vormgegeven tekstwerken en boeken, die ook op de tentoonstelling in het Fries Museum te zien zijn.
Die eerste kennismaking voelt alsof ik een dierbare, altijd opgewekte vriendin ontmoet. Ik stuur haar na afloop onbekommerd foto’s van mijn kat Rosie, soezend op één van haar papieren tekstwerken. “Heerlijk”, appt ze terug. Mijn bejaarde hond Vera is “natuurlijk” welkom bij ons gesprek in haar atelier en al snel laat ze me de foto op het beginscherm van haar mobiele telefoon zien. Dat is Poppy, haar laatste geitje. Ze heeft samengeleefd met tachtig dieren, en nu lopen er tien katten rond in haar huisje in Hallum. In dat huisje, zes kilometer verderop, leven zij en haar man zonder gas, water en licht.
Ik noem Louwrien in dit gesprek ‘Louwrien’. Dat voelt passender dan het formele ‘Wijers’.
Strobalen zijn mijn vrienden
Aan de muur boven de tafel hangt een grote tekst.
‘Niet liegen / Niet stelen / Niet doden
Bonen / Granen / Groenten.’
Lucette ter Borg
Je liet deze tekst in 2011 zien bij galerie Van Gelder in Amsterdam. Was dat voor het eerst?
Louwrien Wijers
Jazeker. Galeriehouder Kees van Gelder zei dat hij aan een tentoonstelling dacht met mijn werk. Ik gaf hem een paar spullen. Hij trok dit eruit.
Wat betekenen die woorden voor je?
Niet liegen, niet stelen, niet doden doe ik al mijn leven lang. Jij kunt waarschijnlijk ook niet doden?
Ik heb weleens een enge spin doodgeslagen.
Ja, maar dat gaat je dus aan het hart. Ik geloof dat ik één keer in mijn leven heb gelogen. Toen vond ik mezelf zo stupide. Ik weet niet meer waarover die leugen ging, maar ik weet nog wel dat ik er dagen van in de war was. Dus niet liegen, niet stelen, niet doden – dat lijkt me heel logisch. Als je in het boeddhisme terechtkomt, krijg je tien leefregels. Maar deze drie vind ik voldoende.
Deze drie vormen je ‘innerlijke bankrekening’ – een begrip van Joseph Beuys. Je innerlijke bankrekening is veel belangrijker dan je uiterlijke bankrekening. De innerlijke bankrekening telt de positiviteit die je in mensen, dieren, gedachten en planten stopt. Met negativiteit gaat het ‘bedrag’ naar beneden. Als je straks sterft, is die rekening belangrijk. Die bepaalt waar je naartoe wordt geleid.
Want daar geloof je in? Dat je na je dood ergens naartoe gaat?
Het is geen geloof. De boeddhisten zeggen: hoe kun je bewijzen dat er niets is na de dood? Ik heb veel lessen gevolgd bij Tibetaanse boeddhisten uit de school van de Dalai Lama. Dat is een aparte school, waar de alleroudste, spirituele kennis wordt onderwezen. Die kennis heeft Gautama Boeddha vijfhonderd jaar voor Christus al overgedragen. (Op de leer van Gautama Boeddha is het boeddhisme gebaseerd – LtB). Je mag pas vertrekken als je alle kennis hebt en kunt overdragen.
Granen / Groenten / Bonen is de basis van de macrobiotiek.
De macrobiotiek kwam ik op een dag in 1967 tegen. Ik ben er nooit meer van afgestapt.
Net als componist John Cage die er zo mooi in zijn paddenstoelendagboeken over schrijft.
Ja, iedereen die volgens macrobiotische principes eet, wordt gezonder en helderder van geest. Cage ook.
Bij galerie Van Gelder had je van je tekstwerken een installatie gemaakt: in de ruimte lagen ook strobalen. Waarom stro?
Stro is eigenlijk graan. We hebben als mens door de eeuwen heen ontzettend veel granen bewerkt en gegeten.
Stro voelt warm, beschermend, ruikt lekker en als kind bouwde ik er hutten in.
Ik ook. Ik kom uit de Achterhoek, mijn ouders hadden een banketbakkerij en verzorgden diners. Ik ken het gewone leven.
Kunstenaar Anselm Kiefer plamuurt stro in zijn schilderijen als symbool van het nationaalsocialisme. Het kindje Jezus ligt in een kribbe op stro. Heeft stro voor jou een speciale betekenis?
Strobalen zijn mijn vrienden.
Het is altijd de ander die sterft
Je hebt weleens gezegd: ‘De mens is goed, maar dé mensen zijn slecht.’ Wat bedoel je daarmee?
Gut, dat kan ik me helemaal niet herinneren. Egon weet dat wel, hij weet alles precies. Hij komt straks op zijn fiets met de boodschappen, want hij gaat iets voor ons koken.
Ik denk dat we als mens in principe perfecte wezens zijn. We kunnen ons geweldig goed ontwikkelen. Maar deze tijd is idioot, met zijn noodpakketten en oorlogsgeweld. Poetin, Trump, Netanyahu: er komt vanzelf een moment dat ze vertrekken. We moeten vooral niet bang zijn. Ik ben nooit bang. Voor niemand.
Ilya Prigogine, de Nobelprijswinnaar Chemie, schrijft daarover: angstcultuur en bureaucratie ondermijnen elke creativiteit. En op dit ogenblik zijn er zoveel mensen die angstig zijn, die alleen maar zwarte kanten zien en die geloven in geld, wapens en macht. Maar Prigogine benadrukt: je kunt niet alleen maar lineair denken. Maak je leven weer creatief. Want in creativiteit zit de toekomst. Als je creatief werkt, dan zit je hier in je hoofd.” Louwrien wijst op haar voorhoofd en naar het puntje van haar kruin. “Het gaat erom dat je daar bent waar geen ego is, waar het beeld breed wordt. Dat noem je de absolute werkelijkheid.
Kun je die absolute werkelijkheid vergelijken met een soort geluidloos neuriën vanbinnen? Dat voel ik namelijk als ik schrijf.
Ja, dat bedoel ik. De vreugde. De subtiele vormen van kleur, voelen en denken. Het volkomen opgaan in wat je maakt. En het gaat er niet om of het lukt of niet, als je maar in die absolute werkelijkheid bent en blijft. Zodra je naar beneden gaat, weg van de twee chakra’s bij je voorhoofd en je kruin, dan ga je dingen benoemen. En benoemen hoort bij de relatieve werkelijkheid. Alles in de relativiteit heeft een begin en een einde, maar in de absolute werkelijkheid is geen begin en geen einde.
Die oneindigheid heeft wel een einde: de dood.
Nee, nee. Het absolute bewustzijn gaat niet dood. Het is precies zoals Duchamp op zijn grafsteen liet zetten: ‘It’s always the other who dies’. Mijn lichaam mag op een gegeven moment niet meer bewegen, maar ik sterf niet.
Als ik naar je levensloop kijk, lijk je een toevalskind – alsof je hele leven en alle mensen die je ontmoette van toeval aan elkaar hing.
Ja, dat ben ik: een gelukkig toevalskind.
Je begon je loopbaan als negentienjarige leerling-journalist bij het Nieuwsblad van het Noorden. Waarom?
Ik wilde over kunst schrijven. Ik kwam vaak in het Stedelijk Museum in Amsterdam, waar een oom van me vlakbij woonde, en in het Kröller-Müller – ik was net zeventien geworden – zag ik een tentoonstelling over Mondriaan. Bij één schilderij begon ik spontaan te huilen. Ik was zo diep geraakt door Mondriaans vrijheid. Dat hij in 1917, de oprichting van De Stijl, helemaal abstract werd. Hij liet alles los wat driedimensionaal en bekend was. Dat heeft mij het diepste geraakt: Mondriaans enorme durf om zo’n sprong te wagen.
De dag dat ik begon in Groningen, kwam ik extra vroeg op de redactie – de dag begon daar om 7 uur. Ik vertelde de hoofdredacteur dat ik graag over kunst wilde schrijven. De man schreef zelf over kunst, maar dat wist ik niet. Hij antwoordde: ‘Over kunst schrijven is voor zeer weinigen weggelegd. Jij bent hier minder dan het vuil dat kleeft aan de schoenzool van de redacteur. Jij moet hier alles doen.’ Ik heb het er bijna drie jaar volgehouden.
In 1964 vertrok je op de bonnefooi naar Parijs en kwam je terecht in de internationale Fluxus-beweging.
Ik was nog nooit in Parijs geweest en liep rond. Mijn koffer had ik op het Gare du Nord laten staan. Toen zag ik een hotel, zo mooi, ik dacht: dáár wil ik wonen. Ik kon natuurlijk niet aan de buitenkant zien dat dit hotel vol zat met kunstenaars. Ik volgde mijn gevoel. Ik ging naar binnen en vroeg om een kamer. ‘Alles is vol’, zei de mevrouw aan de balie. De volgende dag kwam ik terug. ‘Is er al een kamer vrij?’ ‘Nee, alles nog steeds vol’. Dinsdag, woensdag, donderdag kwam ik terug. Iedere dag hetzelfde antwoord. Maar op vrijdag zei ze: ‘Je bent hier nu vijf keer geweest. Ik heb een kamer voor je.’
Waar stond dat hotel?
Aan de Rue Mouffetard, één van de oudste straten van het Quartier Latin. Nu is het daar één en al toeristen. Maar toen was het nog heel gewoon en afgetrapt. Ik woonde daar helemaal alleen. In dat hotel zat ook Daniel Spoerri – één van de belangrijkste vertegenwoordigers van Fluxus. Robert Filliou woonde vlakbij. Uit Zweden, Mexico, overal vandaan, woonden Fluxus-kunstenaars hier bij elkaar. Ze ontmoetten elkaar in de ochtend in een café aan de Place de la Contrescarpe, schuin tegenover mijn hotel. En ik ging bij ze zitten.
Wat deed je dan?
Luisteren! Ik luister. Ik wilde niet naar een kunstschool, want dat vond ik indoctrinatie. En in dat café dacht ik: Oh, dít is echte kunst. Dit is wat ik zocht. Helemaal openheid. Ik voelde me mens worden.
Tekende je die gesprekken op?
Nee. Ik verinnerlijkte de gesprekken. Fluxus gaat om immateriële kunst. Dat was voor mij de grote inspiratie.
Toch ging je weer terug naar Nederland.
Ja, mijn vader stierf. Na zijn dood dacht ik: wat moet ik in Aalten? Ik ga naar Amsterdam. Ik kwam bij het Parool terecht. Maar daar werd ik ontslagen, omdat ik meeliep in de eerste anti-Vietnamoorlog demonstratie. Ik was 24. De hoofdredacteur riep: ‘Hoe durf je? De Amerikanen zijn onze bevrijders’.
Vond je het erg dat je ontslagen werd?
Nee, dat was heerlijk. Ik dacht: als iemand mij vanwege mijn denkbeelden kan ontslaan, dan neem ik nooit meer een baan.
Rini Dippel (toen net conservator, later adjunct-directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam – LtB) geloofde haar oren niet toen ik haar vertelde over de Fluxus-kunstenaars met wie ik in Parijs dagelijks was omgegaan. Robert Filliou, Daniel Spoerri – dat waren toen al belangrijke namen binnen de hedendaagse kunst. Rini zei: ‘Schrijf over ze voor het Museumjournaal (een beroemd, inmiddels opgeheven tijdschrift voor hedendaagse beeldende kunst – LtB). Daarna vroeg Wout Woltz, later hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad, of ik voor het supplement over kunst wilde schrijven. Dat was in 1966. Ik schreef over alles wat gaande was.
Alles was liefdevol bij Rauschenberg
Hoe kwam je in New York terecht?
Sanne Sannes, de veel te vroeg (in 1967) overleden fotograaf die best bekend is geworden met erotische zwart-witfoto’s, zei tegen me: ‘Jij blijft niet in Amsterdam hangen hoor. Je gaat naar New York en je gaat kijken hoe het daar is, anders kom je nooit verder.’ Ik dacht: Sanne heeft helemaal gelijk. In januari 1968 heb ik een ticket geboekt – verdiend met stukjes schrijven – en ben naar New York gevlogen. Wim Beeren, toen hoofdconservator bij het Stedelijk Museum in Amsterdam, gaf me een brief mee. Die brief was voor Leo Castelli. (Leo Castelli opende zijn gelijknamige galerie in 1957 in New York en bezorgde kunstenaars als Robert Rauschenberg, Jasper Johns, Frank Stella, Roy Lichtenstein, Donald Judd en vele andere Amerikaanse kunstenaars wereldfaam – LtB). Ik moest Wim Beeren beloven dat ik die brief aan Leo Castelli zou afleveren, voordat ik iets anders in New York ging doen. ‘Dat beloof ik’, zei ik. Ik had geen idee waar die brief over ging. Ik ging naar de galerie met die brief, Leo Castelli las hem en zei toen tegen me: ‘Okee, je bent hier, ik ga nu afspraken voor je maken met alle kunstenaars uit mijn galerie.’ ’s Morgens, ’s middags, aan het eind van de middag, tijdens het ontbijt – ik zat alle dagen vol met studiobezoeken. Blijkbaar vond Wim Beeren dat ik Amerikaanse kunstenaars moest gaan interviewen.
Waarom uitgerekend jij?
Ik denk dat Wim Beeren vond dat ik dat kon.
Wie van die kunstenaars staat je het meeste bij?
De allerbelangrijkste was Robert Rauschenberg. Rauschenberg was een native American, tijdens de Tweede Wereldoorlog vocht hij mee in Europa. Vrij snel na de oorlog, in 1947, vertrok hij vanuit Amerika naar Parijs om kunstenaar te worden. Daar raakte hij bevriend met Willem Sandberg, de toenmalige directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Sandberg gaf hem tentoonstellingen in Amsterdam.
Rauschenberg was een Amerikaan en had een atelier in New York, maar hij dacht zoals wij in Europa denken over kunst: met liefde. Ik kan niet precies duiden waaruit die liefde sprak. Het was de manier waarop zijn studio functioneerde en hoe hij met zijn assistenten praatte. Hoe het werk eruitzag. Alles was liefdevol: ook de houding naar anderen. Bij hem in het atelier zag ik ineens hoezeer kunst met liefde te maken heeft.
Veel van de andere kunstenaars bij wie ik bij op bezoek kwam in New York, hadden dat niet. Ze hadden helemaal geen kunstgevoel. Ze waren in hun hoofd bezig met theater of succes. Bij Donald Judd was dat duidelijk. Toen ik in Judds studio binnenstapte, had ik het gevoel dat ik in een fabriek terechtkwam. Het ging helemaal niet over de magie van het maken, het mooie, dat wat je deelt, waarover je niet kunt praten, zo van: Oooooh, dat je even geen adem krijgt. Dat hadden de meeste kunstenaars die ik in Amerika ontmoette niet: ze waren materieel bezig.
Toch ben je nog regelmatig teruggekeerd naar New York.
Ja, New York – en Parijs en Londen trouwens ook – zijn zoveel leuker dan Amsterdam. Wat ik in Amsterdam heb meegemaakt – nee, dat gebeurde niet in andere steden.
Wat gebeurde dan in Amsterdam?
In Amsterdam werd in de jaren zestig en zeventig elk nieuw meisje in de stad als prostituee bekeken: iets dat je kon doorgeven nadat je haar in bed had geprobeerd. Het was een verschrikking. Ik heb nooit meer zo’n vernedering ondergaan als vrouw.
Hoe werkte dat? Werd je verliefd, werd je in de steek gelaten, bedonderd?
(gedecideerd) “Ik ben nooit verliefd. Maar ik lag binnen de kortste keren bij Harry Mulisch in bed en bij Han Lammers. De boodschap was: en nu jij. Ik werd als ding doorgegeven. Ik vind het schurken en schoften. Harry Mulisch was de ergste. Ik ben boos weggelopen. ‘Jij bent een schande’, zei ik tegen hem. ‘Ik lees nooit meer een boek van jou.’
In New York woonde je in het Chelsea Hotel – een broedplaats van kunstenaars, schrijvers en journalisten.
Ja, dan denk je: daar gebeurt van alles. Andy Warhol zat er en racete de hele dag door het pand heen. Die kon geen minuut stil zitten. Jan Cremer zat er ook. Het was alleen maar leuk. Ik ben nooit eenzaam geweest. Iedereen was alleen maar bezig met: hee, wat ben jij voor een persoon? En zullen we een project samendoen?
De schoonheid van absolute stilte
De belangrijkste ontmoeting tot nu toe is die met Joseph Beuys geweest. Hoe leerde je hem kennen?
Ik ging in de zomer van 1968 naar de Documenta in Kassel. Daar waren allemaal kunstenaars bij elkaar die ik al in Amerika had ontmoet. Ik dacht: hè bah, die mensen ken ik allemaal al. Maar op zeker moment kwam ik in een tentoonstellingsplek – ik kende Beuys toen nog helemaal niet – maar er was iets zo boeiends in het werk, dat ik er iedere dag naar terugging. Een rij ijzeren balken was schuin tegen de muur gevallen: zoals de overblijfselen van een huis doen na een bombardement. Ik voelde een absolute stilte in de ruimte. Het werk deed me denken aan ons huis in Aalten dat eind maart 1945 door de geallieerden werd gebombardeerd. Ik lag toen in bed voor mijn middagslaapje en raakte bedolven onder glas. Alles was kapot. En als alles stuk is, ontstaat totale stilte en rust. Dat is iets moois en echts. Alles hangt in zijn eigen gewicht, er bestaat geen spanning meer. Dat herkende ik in het werk van Beuys.
Op een dag stond Beuys in de deuropening. Ik zei tegen hem: ‘Dit vind ik zó mooi.’ Waarop Beuys naar me toe liep, zijn arm om me heen sloeg en zei: ‘Kom mee, we gaan kijken naar de film van mijn Aktion Eurasienstab hier vlakbij. Die film werd vertoond in een ruimte die Anny de Decker (van de legendarische Antwerpse avantgarde-galerie Wide White Space – LtB) had afgehuurd en was net zo indringend als die grote zwarte balken, die vielen.
Je noemt jezelf een Beuysiaan – waarom?
Ja, dat was ik vanaf dat ogenblik. Ik heb achttien jaar met Beuys gewerkt. Er was meteen een totale verstandhouding. Beuys’ ideeën over directe democratie, waarbij burgers zelf bepalen waarover ze willen stemmen, zijn gedachten over het basisinkomen, dat als een bloedsomloop door de samenleving vloeit, dat ervoor zorgt dat mensen hun creatieve potentieel weer kunnen aanwakkeren en gebruiken: ik geloof er nog steeds in. Er zijn geweldige wetenschappers, zoals de Taiwanese Audrey Tang (1981) (tussen 2022 en 2024 in Taiwan minister van Digitale Zaken – LtB) die burgerparticipatieplatforms heeft vormgegeven, waarin Beuys’ ideeën praktijk werden.
Je maakte een interviewboek met Beuys?
Ja, ik interviewde Beuys in 1978. Dat gebeurde bij toeval. Kunstkenner Jan Brand was met mij meegegaan naar Beuys in Düsseldorf en vroeg Beuys of hij wilde meedoen aan het performance-festival ‘Behaviour Workshop’ in Arnhem: vijf dagen performances in september. Ik interviewde alle kunstenaars van tevoren en beschreef tijdens hun performance wat ze deden. Onder hen Beuys, Ulay & Abramovic en in principe Ben d’Armagnac.
Met Ben d’Armagnac had je een diepe vriendschap. Je leefde begin jaren zeventig zelfs met hem en zijn vrouw samen in Zeeland?
Ja zeker. Maar eerst even dit.
De dag voordat Ben d’Armagnac zijn performance zou doen, belde hij. Kon hij een dag later komen? Hij had nog een dag extra nodig om zijn performance voor te bereiden. Op de dag dat hij zou komen kregen we in Arnhem om tien uur een telefoontje dat Ben die nacht in de Brouwersgracht was verdronken: hij was uitgegleden op het dek van zijn woonbootje, had zijn hoofd gestoten en was in het water gevallen. De dag voor zijn dood had Ben met zijn vrouw Johanna veel over sterven gesproken – daar zou zijn performance over gaan.
In de vroege ochtend kwam Johanna terug van boodschappen doen en zag een opstootje bij het Melkmeisjesbruggetje over de Brouwersgracht. Zij keek in het water en zag Ben dobberen. Oh, dat is de performance die hij wilde maken, dacht ze.
Beuys was erg gesteld op Ben. Ik denk dat hij begreep hoe diep het verdrinken van Ben mij raakte. Ons gesprek werd langer en langer en uiteindelijk stelde Jan Brand voor van mijn gesprek met Beuys een boek van te maken. Het boek was binnen een maand uitverkocht.
Toen zei Beuys: ‘Deze vragen moet je ook aan mijn vriend Andy Warhol stellen. Ik regel een introductie.’ Zo gebeurde. Warhol was in juni 1980 in Genève. Daar sprak ik met hem af. Warhol deed nooit lange interviews, maar nu nam hij anderhalf uur de tijd voor ons gesprek. Warhol was een kunstenaar die meer gaf dan dat hij vroeg. Na afloop zei hij tegen me: ‘Deze vragen moet je ook aan de Dalai Lama stellen.’ Ik schreef een brief aan de Dalai Lama naar zijn Office of the Dalai Lama in Dharamsala in India.
Slapen in een voerbak
(Verheugd) “Oh kijk eens – daar is Egon op de fiets. Hij komt iets te eten maken voor ons.”
Egon Hanfstingl is Louwriens vraagbaak en wandelend archief. Terwijl hij in de keuken met pannen rammelt en groente schoonmaakt, vult hij Louwrien aan, verbetert haar soms met een precieze datum.
Wat me opvalt is dat je nooit vrouwelijke kunstenaars interviewde. Waarom niet?
Ze waren er niet!
Nou dat valt toch wel mee? Rebecca Horn, Louise Bourgeois, Hanne Darboven, Agnes Martin. De Tweede Feministische Golf bruiste overal om je heen.
Rebecca Horn zou deelnemen aan ons symposium in het Stedelijk, maar Marina Abramovic heeft wekenlang op Rebecca ingepraat om haar plaats aan haar af te staan. Hanne Darboven ken ik goed. Zij leefde en werkte in haar ouderlijk huis in Hamburg. Ik heb een keer een dag of vijf bij haar gelogeerd. Maar ja, Hanne, die leeft alleen maar ’s nachts. Pas als iedereen gaat slapen, gaat zij aan de slag. En overdag zie je haar niet. Er is geen echt gesprek mogelijk. Ik heb wel een verhaal over haar geschreven, want ik was benieuwd: wie is nu Hanne Darboven?
In Aalten, de Achterhoek, waren je moeder en grootmoeder heel vormend voor je. Waarom kies je dan juist die grote mannen om mee te spreken?
Ik heb ze niet gekozen. Ze kwamen op mij af.
Waarom wilden ze met jou spreken?
Ik ga door. Ik ken geen einde. Ik ken geen te veel. Misschien zagen ze een talent in me. Ik ben erg gestimuleerd door die mensen. Daar ben ik dankbaar voor. Dat moeten we meer met elkaar doen: elkaar aanmoedigen, met elkaar in gesprek gaan, en tijdens het gesprek de nieuwe woorden ‘beeldhouwen’, zoals Beuys dat noemde. Dat is waar de toekomst ligt, in samenspraak.
Op zeker moment ben je gestopt met schrijven over kunst en ben je zelf kunst gaan maken?
Dat kwam door Ben d’Armagnac. Ik had zijn werk gezien bij Anny De Decker in haar galerie in Antwerpen. Anny had me gebeld: ‘Ik heb een tentoonstelling Louwrien, je moet komen kijken.’ Ad Petersen, toen hoofdconservator bij het Stedelijk Museum, zat net bij mij te eten en riep van de andere kant van de kamer: ‘Ja, Ben d’Armagnac – die is goed!!!’ Ik ben meteen in de auto gesprongen naar Antwerpen. Dat was op 1 maart 1968.
Ben had samen met Gerrit Dekker (conceptuele en performancekunstenaar, 1943-2013 – LtB) de galerieruimte gevuld met stapels groen uitgeslagen, modderige boomstammen. Je kon nauwelijks langs de stapels lopen. Ik vond het prachtig. Ben nodigde me uit in Zeeland, waar hij woonde. Hij zei: ‘Stop met schrijven over kunst – ga zelf kunst maken.’ Vlak na die tentoonstelling in Antwerpen begon Ben prachtige, voorzichtige pogingen te doen van wat later performances zijn gaan heten. Helemaal zonder ego of tamtam eromheen. Daar kwamen performancekunstenaars later pas mee. Ben vond dat verschrikkelijk.
Ben woonde met zijn vrouw Johanna in Rilland-Bath en zei: ‘Kom bij ons wonen.’ Dat was toen vrij normaal: Anton Heyboer leefde met meerdere vrouwen, Lawrence Weiner had twee vrouwen, en Ben wilde dat experiment ook aangaan.
Ik moest alles wegdoen van Ben. Dat heb ik gelukkig niet allemaal gedaan. Ik heb ook wat dingen uitgezocht en op zolder bij mijn moeder gelegd. Ik schoor mijn hoofd kaal – ook Ben en Johanna waren kaal – vanuit de gedachte dat je zonder maskers moest leven. Ook moesten we klederdracht dragen en klompen. Ik sliep in een stal, in een oude voederbak voor de dieren.
In 1970 en 1971 ben ik serieus gaan denken wat je nu eigenlijk allemaal als kunstenaar moet kunnen. Ik ben woorden gaan opschrijven: het werden veertig woorden van eigenschappen getamponneerd op grote, handgemaakte kartonnen panelen. Onderaan zette ik de datum waarop ik besloot de eigenschap te ontwikkelen.
Ze hangen nu voor het eerst alle veertig samen in het Fries Museum. Het begint bij ‘ongecompliceerd’ (1 april 1970), meandert naar ‘lucide’, ‘sensitief’, ‘zuiver’, ‘doelgericht’, ‘vrij’ en ‘zacht’, en eindigt bij ‘bescheiden’ (7 november 1971). In die zaal in het Fries Museum staat ook het werk Inkeer uit 1975: een aluminium tafel en stoel, waarin teksten over zelfreflectie zijn geslagen.
Wat heeft dat nadenken over de kwaliteiten van je eigen kunstenaarschap je gebracht in Zeeland?
Een rechtdoorzee-manier van denken. Je moet betrouwbaar zijn. Je moet de mensen niet belazeren. En je moet volgen wat je geest je ingeeft. Wij vonden dat er een nieuwe vorm van kunst moest komen en dat die heel direct moest zijn. Beuys noemde dat ‘Aktionen im Raum’. Ben noemde dat ‘een gebeuren’. Het was een manier om immateriële kunst onmiddellijk over te dragen.
Waarom heb je besloten weg te gaan uit Rilland-Bath?
Ben besloot het. Op een gegeven moment werd ik verplaatst naar een huis vlak bij de Westerschelde. Het was een mooi huis op een prachtige plek. Ik zag de hele dag boten op weg naar Antwerpen voorbijkomen.
Je doet het voorkomen alsof je geen stem had in je ‘verplaatsing’.
Ik heb daar nooit over nagedacht. Op de één of andere manier werkte het niet in Rilland. Er was een kind van twee, en Johanna raakte al snel weer zwanger.
Had je een platonische relatie met Ben?
Nee, niet platonisch. Ben ging vooral met mij naar bed, omdat hij dacht – zo denk ik – dat dat moest, dat ik anders weg zou lopen. Maar (lacht) ik ben helemaal niet zo naar bedgaanderig. Ik vond er niks aan – seks voor alleen maar seks. Nee, dan liever niet.
Verveelde je je in je nieuwe huis bij de Westerschelde?
Jazeker. Maar ik dacht: zo is het nu eenmaal, ik accepteerde wat er was. Op een gegeven moment kwam Lawrence Weiner bij me langs en hij zei: ‘Wat doe je nog hier?’ Ben en Johanna waren alweer terug naar Amsterdam gegaan. Ik vertrok en ging naar New York, weer naar het Chelsea Hotel waar ik performances deed. In november 1972 bezocht ik op advies van een vriend een helderziende. Zij zei tegen me: ‘Er zit iemand op je te wachten in Amsterdam die met je wil trouwen.’
Ik begreep er niets van. Maar ik was toch al van plan om voor de kerst naar Amsterdam te gaan. En inderdaad, in Amsterdam komt iemand tevoorschijn. Hij heette Hannes van Es, en hij zei tegen me: ‘Ik heb je op de radio gehoord en ik wil graag met je trouwen.’ (Hannes van Es – 1950-2002 – was als kunstenaar autodidact, professioneel flierefluiter en bevriend met Anton Heyboer – LtB). ‘Nou’, zei ik, ‘als je dat zo graag wilt, dan moeten we dat maar doen.’ Ben was razend dat ik met Hannes trouwde, hij heeft in één dag mijn atelier op het Prinseneiland afgebroken, alles ontmanteld.
Was je verliefd op Hannes van Es?
Nee.
Je bent wel met hem getrouwd?
Ja. Maar niet lang, een half jaar ofzo. Hannes had een onbewoond eiland ontdekt vlak bij Muiden in het IJsselmeer. Daar moesten wij gaan wonen, zei hij. Hannes had een boot waarmee Hannes, ik, een vriend van hem en diens vrouw naar dat eiland voeren. We meerden aan en keken ieder voor zich rond. Voor ik ’t wist was iedereen weer weg, en zat ik daar alleen. Hannes kwam meestal om 3 uur ’s nachts aanzetten, dan bracht hij eten voor mij en de dieren mee.
Je woonde er uiteindelijk met tachtig dieren.
Ja, dat was gemakkelijk. De dieren kwamen gewoon aanlopen. Hannes wilde mij een paradijsleven geven, maar hij hing vooral op het Rembrandtplein rond met Ulay of zat op de boot van Viktor IV (1929-1986), bij de Blauwbrug aan de Amstel. Ons huwelijk vond ik al helemaal niet meer interessant.
Heb je Hannes gedumpt?
Nee, hij kwam langs – ik denk dat het augustus 1974 was – hij zei: ‘Je moet een einde maken aan dit leven.’ Ik moest alles van het eiland op de boot zetten en we gingen varen. Op het IJsselmeer zei hij: ‘En nu gooien we alles overboord van het schip af; huppekee.’ En dat deden we.
Bodhisattva
De groentesoep is klaar. Egon komt met de dampende pan aanlopen en schept op. Hij pakt een stoel en schuift aan. “Ja, die Hannes was een beetje… ja… speciaal”, zegt hij.
Jullie zijn sinds 1986 bij elkaar. Hebben jullie een sprookjesrelatie?
Egon Hanfstingl
Mmmm. Als je het zo wilt noemen.
Hoe noem jij het?
Egon
Ik noem het gewoon ‘leven’. Louwrien leeft in een heel ander bewustzijn dan zeg maar normale mensen. Daar bestaan eigenlijk geen woorden voor. Als je het de Tibetanen vraagt, zeggen zij: ‘Louwrien is een bodhisattva – een verlichtingswezen. Een bodhisattva heeft een ander bewustzijn. Louwrien denkt heel anders. De werkelijkheid is sowieso een complete illusie. De werkelijkheid maak je zelf, en dat doet Louwrien.
Louwrien en ik vormen een zakelijke eenheid. In het begin waren we misschien wel romantisch verbonden. Maar nu niet meer.
Louwrien
Nee, we zijn helemaal niet romantisch.
Als je terugkijkt, Louwrien, denk je dan: hoe kan het dat ik me zo door Hannes liet meevoeren?
Ik zag het zelf niet als meevoeren. Ik kon gewoon geen ‘nee’ zeggen tegen die waarzegster in New York. Deze mevrouw weet al dat dit gebeurt. Dus wat zou ik daartegen moeten doen?
Het leven op dat eiland was ook heel mooi. Weet je wie er op een dag kwam langsvaren? Ben! Zijn razernij was voorbij. Onze vriendschap bloeide weer helemaal op. Bijzonder. Het leven is zo bijzonder.
Het is een soort sprookje.
Ja dat klopt. Ieder leven is een sprookje. Als je het leven leeft hoe het je aangegeven wordt, dan is het een sprookje. Zo is mijn leven – echt waar.
—
De tentoonstelling ‘We live in Language’ met werk van Louwrien Wijers in het Fries Museum is t/m 3 mei te bezoeken. Haar werk maakt ook deel uit van een groepstentoonstelling in NEST, Den Haag, te zien t/m 5 april.
Louwrien Wijers bundelde onder andere haar gesprekken met de Dalai Lama in ‘His Holiness The Dalai Lama of Tibet talks to Louwrien Wijers’ (1982). In 1995 verscheen een door haar geschreven monografie over Ben d’Armagnac. Louwrien droeg bij aan Irma Booms ‘Book Manifest’ (2022). Veel van haar boeken, waaronder die met Beuys uit 1978, zijn niet meer verkrijgbaar.