Jam van der Aa

Oefeningen in tijdelijkheid – over kraken en kunstenaarschap

Essay
3 juli 2026

Jam van der Aa ging in gesprek met Mirka Farabegoli over haar kunstenaarschap en de tentoonstelling Claiming the City – A Squatters’ Allegory die momenteel te zien is bij POST Nijmegen. Het levert een inzichtelijk essay op waarin Jam reflecteert op tijdelijkheid, noties van eigendom, kraken, kunstenaarschap en het collectief. ‘Toegegeven, je oefenen in tijdelijkheid, is een stuk gemakkelijker, als je erop kunt vertrouwen dat je de nieuwe mogelijkheden al binnen handbereik hebt. Spaargeld, vermogen. Speelgoed voor de rest van je leven. Maar wat heeft een kind in hemelsnaam aan een berg zorgvuldig bewaard en bewaakt speelgoed, als het niemand heeft om mee te spelen? Of wanneer je steeds bang bent, dat iemand een speeltje van je pikt? Kun jij met al je knikkers tegelijkertijd knikkeren? Heb ik de ruimte tussen mijn plafond en de vloer van mijn werkkamer zelf nodig?
Ik weet niet zo goed waar ik heen ga; wil gaan. Behalve ja, misschien, terug in de tijd. Claiming the City – A Squatters’ Allegory is voor mij een artistieke ode aan een wereld die langzaam aan het verdwijnen is, misschien al wel verdwenen is. Misschien toont deze expositie tevens het belang van een gezonde kunstwereld, met veel experimentele plekken, waar alles wat echt betekenisvol is, bijna net zo kwetsbaar is als de kraakbeweging.’

Nadat ik verhit door mijn huis rondren, niet kan vinden wat ik zoek en baal, lig ik op de bank af te koelen, bij mijn waaipaal. Die mag aan als ik werk. Het is al dagen snikheet en volgens de weersvooruitzichten wordt heel Europa momenteel overspoeld door de ergste hittegolf allertijden. Morgen en overmorgen is het code rood. In de bosrank die voor mijn raam woekert, trippelt een heel jonge muis.

Dat er minstens één nest in de spouwmuren en het plafond moet zitten, hebben ik en mijn twee buurmannen allang gehoord. Zij hebben het allebei met me besproken. ‘Het klinkt wel groot, anders,’ zeggen ze wanneer ik schouderophalend zeg dat ik denk dat het gewoon muizen zijn.
Terwijl ik met mijn ene buurman door de heg praat, zie ik een muis over een uitloper van de wingerd rennen. ‘As we speak,’ stel ik hem gerust. ‘Wil je actie? Hem dood hebben?’
‘Neenee,’ haast hij zich te zeggen. ‘Vangen en uitzetten in het park.’
We hebben krakers, mijmer ik, als ik later op de avond de muizen hoor ravotten. Ze zitten elkaar achterna in het plafond, ik stel ze me schattig voor. En ik denk aan de liefdevolle blik waarmee Eva Meijer muizen beschrijft in Muizenleven.
Toen Poes nog leefde, besteedde ik de taak ‘relatiebeheer andersoortig leven’ aan hem uit. Nu negeer ik deze taak zoveel mogelijk, misschien met aanzuigende werking. Zeker van buurtkatten.

Mirka Farabegoli – Kleinste Vrijplaats van Nederland, 2019.

Als een bezetene heb ik door mijn huis gerend, omdat ik mijn papieren niet kon vinden. En terwijl ik almaar kwader en kwader werd, herinnerde ik me Tos, de driftige vader uit een van de leukste kinderboeken, die ik tot uit den treure herlas. Wanneer Tos het woord ‘papieren’ hoort, gaat hij zowat uit zijn plaat.
Otje, in het gelijknamige boek van Annie M.G. Schmidt uit 1980, woont met haar vader op de zolder van hotel De Koperwiek, waar hij werkt als kok. Wanneer hun muizenvriendjes, Lodewijk en Suzie, een diner met elf chique gasten verstieren, verliest Tos zijn baan; dan raken Otje en Tos meteen ook hun vaste woon- en verblijfplaats kwijt (nog altijd een griezelig actueel probleem waarmee arbeidsmigranten kampen). Omdat Tos geen papieren heeft, zwerven ze rond in het krakersbusje van Tos. Tot ook dat busje stukgaat. In dit opzicht, de vlugheid waarmee een leven uiteenvalt als er dakloosheid optreedt, is Otje óók al niet slechts fictie.
Ik noem een busje of een auto vaak grappend een rijdende kast, waarin je tevens kunt slapen. Zo’n vehikel is een ontzettend ruime tas, op wielen, voor vakanties en avonturen is het ideaal; om te settelen minder geschikt. De tas is naar alle waarschijnlijkheid het belangrijkste voorwerp dat de beschaving van de mensheid heeft bevorderd. In een tas kon van alles en nog wat worden rond- of teruggesleept naar het hol of de grot waarin de mens schuilde voor weer en wind en wilde dieren. En een tent is in feite ook gewoon maar een ondersteboven gezette, gestutte tas, waarin je jezelf en je spullen een beetje drooghoudt.
In The Carrier Bag Theory of Fiction vertelt Ursula K. Le Guin het verhaal van de menselijke oorsprong door de technologie (in de breedste zin van het woord) te herdefiniëren als een culturele draagtas, in plaats van een wapen van overheersing.
Onwillekeurig moet ik wéér aan kraken denken, het verzet tegen (het gebrek aan) woningen als wapen van overheersing. Ontneem mensen de mogelijkheid tot een (betaalbaar) huis en je pakt hen de belangrijkste plek van veiligheid, intimiteit en zelfbeschikking af. Je pakt hun basis af.
De kraker, die met een carrier bag een leven bij voor zichzelf en diens gemeenschap bij elkaar scharrelt, de sprokkelende mens, een wonderlijke stadse nomade, een soort inheemse bewoner van een universum waarin de grote middelen al verdeeld zijn. In de marge van wat kapitalisten en individualisten, op zoek naar dominantie en winstmaximalisatie, vaak tijdelijk laten liggen.
Groei van het één gaat altijd ten koste van iets anders. Ook al wil het kapitalisme ons doen geloven, dat hulpbronnen en mogelijkheden eindeloos en zonder vervelende consequenties aangeboord kunnen worden.

Mirka Farabegoli – What Binds Us, 2014.

‘Tja, die tijdelijkheid,’ zegt Mirka Farabegoli. Twee weken na de opening van haar solotentoonstelling Claiming the City – A Squatters’ Allegory bij POST Nijmegen, vertelt ze dat ze vaak hoort dat het jammer is dat haar muurschildering eind september gewoon weer wordt overgeschilderd. ‘Dat wist ik van tevoren,’ zegt ze laconiek. ‘Mensen bedenken allerlei plannen om de schildering te behouden. Ik zit er niet zo mee.’
De muurschildering is als een kleurrijke plattegrond doorheen een geschiedenis van kraken, of van ingebruikneming én van thema’s die in de loop van de jaren in het werk van Farabegoli zijn opgedoken. Haar werk, dat veelal bestaat uit kolossale tekeningen, etsen, pinhole fotografie en verschillende druktechnieken, is in de loop van de jaren volwassen geworden. De kadrering en compositie van de beeldelementen is zorgvuldig en weloverwogen gekozen. Het werk is beheerst en tegelijkertijd spatten op sommige plekken de bijna hallucinante kleuren van de muur.
Wanneer we met zijn tweeën de tentoonstellingsruimte betreden begint Farabegoli direct de speciaal voor de tentoonstelling vormgegeven roomdividers – ik weet niet of dat woord de lading dekt, het zijn heel toffe wanddelen die variëren in hoogte en doorkijkjes hebben, als verplaatsbare, geabstraheerde muren, gemaakt van restmateriaal – te rangschikken. Je weet wel, datgene dat kunstenaars doen; dingen een paar centimeter heen en weer schuiven, totdat het precies ‘goed’ staat. Zodat de objecten die we plaatsen de ruimte ‘van ons’ of ‘kloppend’ hebben gemaakt.
Een beetje zoals krakers van weleer een matras en een stoel in een pas bezet pand plaatsten. Om aan te tonen dat er daadwerkelijk werd gewoond. Zodat de ingeschakelde politie kon constateren dat er sprake was van woonrecht.

Mirka Farabegoli – POST x A Squatters Allegory.

Misschien dat Farabegoli door haar lange participatie in de krakerswereld bovengemiddeld geoefend is in tijdelijkheid. Of misschien ook zit het verzet tegen de tijdelijkheid die inherent is aan het leven van nature minder in haar, waardoor het krakersbestaan haar überhaupt langdurig trok. Misschien ook, vanwege de temporaliteit van atelierruimtes en subsidiemogelijkheden waarmee kunstenaars in het algemeen moeten dealen.
Voor mij heeft kraken en kunstenaarschap altijd met elkaar samengehangen, niet zelden werden, in het begin van de kraakbeweging, grote panden (De Paap, 1978 in Den Bosch) door studenten van een kunstacademie bezet uit protest tegen de woningnood. Kunstenaars (ik reken muzikanten, filosofen en schrijvers er ook toe) creëerden broedplekken en vrijplaatsen (poppodia zoals Tivoli, Paradiso en Doornroosje) en ruimte voor artistieke ontmoeting en experiment (Extrapool) die nog steeds van invloed zijn.
Kraken en kunstenaarschap hebben met vrijheid om (leven en werk) vorm te geven te maken. Ook al – dat geef ik grif toe – hield de kraakwereld en houdt de kunstwereld er strenge dogma’s op na. De kraakwereld is[1] een idealistische mini-maatschappij te midden van een veel groter samenlevingsverband, waarin zich ook weer verschillende subculturen ontwikkelden; de hippiekrakers, de teknokrakers, de ultralinkse krakers, de kunstkraker etc. Het is een vorm van kwetsbare (in termen van moeilijk duurzaam te behouden) ruimte scheppen, en inmiddels zowat uitgevaagd door de politieke keuzes die gemaakt zijn met betrekking tot de wooncrisis waartegen de kraakbeweging zich aanvankelijk zo verzette.
Het boek Uitgewoond van Cody Hochstenbach, dat ter inzage staat in het kleine documentatiecentrum, speciaal ingericht voor Claiming the City – A Squatters’ Allegory, is een aanrader als je meer over de historische en politieke achtergronden van de wooncrisis wilt weten.

Voor Farabegoli lijkt de vereniging van haar verschillende praktijken, kunst en kraken, pas in Claiming the City – A Squatters’ Allegory een feit, maar dat curator Fenne Saedt juist Farabegoli heeft gekozen voor deze tentoonstelling, die ook de roots van POST in voormalig kraakpand Paraplufabrieken onderzoekt, is begrijpelijk. In zowel de kunstscène als de krakerswereld was Farabegoli altijd al een heel bekend gezicht. En in haar werk hebben (verdwijnende) gemeenschappen eerder een bepalende rol gespeeld. Zoals bijvoorbeeld in haar werk voor de Biënnale Gelderland (2019), een monument voor ter ziele gegane culturele vrijplaatsen. Een beschilderde bouwkeet op zijn kopse kant in de openbare ruimte, waarin je door een raam naar binnen kon kijken.
Tijdens haar residentie in Cork (Ierland) kwamen er meer en meer mythische wezens in haar werk naar voren, voortgekomen uit tradities, manieren van leven die verloren dreigen te gaan in het oprukkende alles verzengende kapitalisme. In 2017 bracht ze de publicatie Mannigfuald uit, een zoektocht naar Europese mythen en volkstradities. Ze observeerde gemaskerde parades in Sardinië en luisterde naar verhalende zangkunst in Ierland, en Farabegoli combineerde, vanuit haar eigen interpretatie, betoverende tradities met elementen uit de hedendaagse cultuur. Beelden uit die tijd versmelten nu met beelden van krakers en protest-gangers op de muren in POST.
Ik vraag me af of ‘de kraker’ (voor zover die dus ooit bestaan heeft, net zomin als ‘de vluchteling’ of ‘de heks’) ook tot een Europese mythische figuur zal verworden, met korte broeken over leggings, dreads en weggeschoren haar op de slapen. Een mythische beweging met een heel eigen manier van leven, met een geheel eigen kijk op gemeenschappelijkheid, solidariteit en bezit. Eentje waarin de vrijheid om zelf te bepalen hoe je leeft en de autonomie om dat leven voor jou en de jouwen te creëren, vanzelfsprekende waardes waren. Om het onvermogen van mensen of de vrije keuze om niet mee te draaien in een prestatiemaatschappij op te vangen.

Mirka Farabegoli – POST x A Squatters Allegory.

De film Sirāt van Oliver Laxe wekte bij sommige kijkers die ik sprak ergernis op. Ze vonden het einde een veel te letterlijke en bombastische verbeelding van ‘het leven’. Maar voor mij deed die hevigheid recht aan de vele levens die er, zeker binnen de teknoscene, verloren gingen in de glorie-dagen van de illegale feesten, die door teknokrakers werden georganiseerd. Nu ik er langer over heb nagedacht kom ik niet meer los van de gedachte dat de film eigenlijk een verbeelding is van het einde van veel mensenlevens, gemarginaliseerde mensenlevens, sinds de kraakbeweging bruut te maken heeft gekregen met de huidige repressie en heel veel kraakpanden, en dus ook de bijbehorende community’s, zijn verdwenen.
De cast van Sirāt bestaat grotendeels uit mensen uit de kraak- en teknoscene, het teknofeest in het begin van de film is niet in scène gezet. Sommige van de acteurs zijn eigenlijk geen kraker meer, maar ‘gewoon’ dakloos. Net als Otje en Tos levend in een bus.
In dat, wat we de derde plek (Third Place) noemen, sinds Amerikaanse socioloog Ray Oldenburg in zijn boek The Great Good Place uit 1989 die term muntte, voorzag de kraakbeweging ook, iets waarop overheden jarenlang fors bezuinigd hebben. Derde plekken zijn bijvoorbeeld bibliotheken, soepcafés, buurtcentra, het jeugdhonk of hangplekken en hondenveldjes in parken en ook de meer commerciële plekken als kapperszaak, sportschool of café. Oldenburg beschrijft het als: ‘Your third place is where you relax in public, where you encounter familiar faces and make new acquaintances.’
Plekken die van belang zijn voor gemeenschapszin, voor het ontstaan van solidariteit. De hedendaagse vereenzaming is misschien helemaal niet alleen de schuld van sociale media, maar ook van het verdwijnen van een hele infrastructuur aan derde plekken.
De ruimte voor mensen, die om wat voor reden dan ook, anders zijn en vlugger geweerd worden uit reguliere derde plekken, is door het verdwijnen van een deel van de infrastructuur die de kraakbeweging in stand hield, beperkt tot dakloosheid, eindeloos hangen op de vijandig gezinde straat. En daar is het leven veel harder en verwarrender, bovenal eenzamer, dan het was in de kraakpanden en de ontmoetingsruimten die ermee gepaard gingen. Op straat leven is niet meer de tijdelijkheid het hoofd bieden, maar de uitzichtloosheid.

Mirka Farabegoli – POST x A Squatters Allegory.

Toegegeven, je oefenen in tijdelijkheid, is een stuk gemakkelijker, als je erop kunt vertrouwen dat je de nieuwe mogelijkheden al binnen handbereik hebt. Spaargeld, vermogen. Speelgoed voor de rest van je leven. Maar wat heeft een kind in hemelsnaam aan een berg zorgvuldig bewaard en bewaakt speelgoed, als het niemand heeft om mee te spelen? Of wanneer je steeds bang bent, dat iemand een speeltje van je pikt? Kun jij met al je knikkers tegelijkertijd knikkeren? Heb ik de ruimte tussen mijn plafond en de vloer van mijn werkkamer zelf nodig?
Ik weet niet zo goed waar ik heen ga; wil gaan. Behalve ja, misschien, terug in de tijd. Claiming the City – A Squatters’ Allegory is voor mij een artistieke ode aan een wereld die langzaam aan het verdwijnen is, misschien al wel verdwenen is. Misschien toont deze expositie tevens het belang van een gezonde kunstwereld, met veel experimentele plekken, waar alles wat echt betekenisvol is, bijna net zo kwetsbaar is als de kraakbeweging. Het heeft weinig tot geen economisch belang.
De muurschildering en de verplaatsbare wanddelen die eind september weer verdwijnen, gemaakt met hulp van een groep mensen die elkaar al lang kent, die de banden tijdens het maken waarschijnlijk weer breder, dieper en sterker hebben gemaakt, is voor mij een groter symbool, voor gemeenschap. Niet iedere bezoeker die POST aandoet zal dit misschien zien of weten, maar deze tentoonstelling is mede mogelijk gemaakt door mensen die meehielpen, gewoon, omdat ze het belangrijk vonden. Omdat zij een gemeenschap vormen en waardes en idealen delen.

Mirka Farabegoli – POST x A Squatters Allegory.

Het wringt bij deze tentoonstelling over kraken extra hard, dat kunst het moet doen met almaar minder subsidie, terwijl het (stenen) vermogen van mensen die er sowieso al warmpjes bij zitten, nog altijd met veel en onveranderde subsidie wordt ondersteunt. Terwijl een gebouw met de tijd een ruïne wordt; waar gedachtengoed juist steeds verder uitgroeit. Bovendien kun je gedachtengoed gemakkelijk delen.
Dingen doen, gewoon omdat je het wilt, want mooi, interessant of fijn om mee bezig te zijn, omdat je in iets gelooft, anders dan dat het een (economisch productief) doel dient, dat is een belangrijk domein van de kunsten. Kunst is, wat mij betreft een van de weinige ruimten waarin (in theorie) de mogelijkheid nog bestaat om echt vrij te denken en te creëren. Een volkomen autonome ruimte, waarin met ideeën kan worden geschoven, waarin kan worden geëxperimenteerd. Waarin, en dat vind ik echt heel belangrijk, alle vragen mogen worden gesteld. En als niemand die ruimte zomaar geeft, dan zullen we die ruimte toch zelf moeten (blijven) maken. Want alle dingen die we ‘gewoon’ doen, zijn als roomdividers, die zijn daar – met een bepaald idee – neergezet. Wat ik bedoel is, je kunt de boel anders inrichten. Niets is permanent.

In POST werd bovenal iets gemaakt, dat zich niet in een economisch product laat uitdrukken, maar wel degelijk waarde heeft. Die gemeenschapszin, de hulp, de gesprekken, die ik rondom het werk van Farabegoli ervaar zijn geen vervlogen mythe, maar een geleefde hedendaagse realiteit. Misschien vind ik daarom de wetenschap dat Claiming the City – A Squatters’ Allegory enorm veel saamhorigheid uitademt, het allermooiste aan de tentoonstelling. Want écht ruimte opeisen doe je zelden alleen.

Mirka Farabegoli’s Claiming the City – A Squatters’ Allegory is nog tot en met 13 September 2026 te zien bij POST Nijmegen. Van 13 juli tot en met 19 augustus kent POST een zomerstop en zullen zij gesloten zijn.

Advertenties

Ook adverteren op mistermotley.nl? Stuur dan een mail naar advertenties@mistermotley.nl

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

* verplicht