Passing the Fire – hoe kunst zich verplaatst tussen lichamen en generaties
Kunstgeschiedenis is niet statisch of lineair, maar wordt steeds opnieuw wordt gevormd, doordat er kruisbestuivingen plaatsvinden tussen kunstenaars van verschillende generaties. Via dialogen, ontmoetingen en zijn Prelude-avonden probeert Titus Nouwens opnieuw te kijken naar wat eerdere kunstpraktijken ons vandaag kunnen leren, in de nabijheid van degenen die ze vormgaven. Voor Mister Motley schrijft Titus over deze oneindige verwevenheid. Daarbij scheert hij langs het werk van en de intergenerationele ontmoetingen tussen Louwrien Wijers, Publik Universal Frxnd, Philipp Gufler, Rory Pilgrim, Lydia Schouten, Astrit Ismaili, Sands Murray-Wassink en Billy Morgan.
Wat gebeurt er wanneer een kunstenaar haar eigen werk na meer dan veertig jaar opnieuw belichaamt? In het voorjaar van 2018 zag ik bij Tate Modern in Londen hoe de Amerikaanse performance- en videokunstpionier Joan Jonas een live heropvoering deed van een werk uit 1976, terwijl de originele video achter haar werd geprojecteerd. Ze danste, tekende, zong in een meterslange kegel, en zo verschenen twee versies van hetzelfde werk en dezelfde persoon. Gelijktijdig, maar met tweeënveertig jaar ertussen.
Het moment bleef me bij. Niet alleen vanwege de tederheid van de 82-jarige kunstenaar die haar eigen werk nog eens opvoerde. Het was het gevoel dat zich voor mijn ogen een nieuwe versie van – en daarmee een nieuw perspectief op – een historisch werk ontvouwde. Opnieuw gevormd in het heden door het lichaam dat het ooit voortbracht.
Ik dacht terug aan deze ervaring terwijl ik reflecteerde op mijn eigen omgang met historisch performancewerk en hoe die opnieuw te activeren: live en gemedieerde vormen naast elkaar, video en performance elkaar kruisend, vroege experimenten naar het heden halend, zoals ik Joan Jonas had zien doen. Tegelijkertijd maakte haar heropvoering ook iets anders zichtbaar: dat zulke momenten in veel gevallen afhankelijk zijn van het lichaam van de kunstenaar zelf. Wat gebeurt er wanneer dat lichaam er niet meer is? En wat als een werk niet door één lichaam wordt gedragen, maar door meerdere?
Het zal door mijn studie kunstgeschiedenis komen dat ik de neiging heb relaties te zoeken tussen wat kunstenaars nu doen en wat hun voorgangers deden. Via dialoog probeer ik opnieuw te kijken naar wat eerdere kunstpraktijken ons vandaag kunnen leren, in de nabijheid van degenen die ze vormgaven.
Dit deed ik het afgelopen jaar met Prelude, een serie live programma’s bij verschillende Amsterdamse instellingen, en met We Live in Language: een tentoonstelling in het Fries Museum, beide met relatief onderbelichte kunstenaars die van bijzondere betekenis zijn voor jongere generaties.
De tentoonstelling is de eerste museale solopresentatie van Louwrien Wijers (*1941): een kunstenaar die schrijven, denken en luisteren opvat als vormen van kunst, als ‘mentale sculpturen’. Naast de interviews en gesprekken die zij voerde met kunstenaars uit de internationale avant-garde van de jaren zeventig en tachtig, wilde ik met documentatie van recentere samenwerkingen laten zien hoe deze praktijk zich voortzet en hoe Louwriens werk is geworteld in intergenerationele vriendschappen, leren van elkaar en het samen vinden van woorden die richting geven aan de toekomst.
Zo activeerde Publik Universal Frxnd – ook wel bekend als Richard John Jones – Louwriens geschilderde tekstpanelen Tomorrow’s Language als script in een performance over hoe taal zich door tijd en generaties verplaatst (FLAM in 2022); realiseerde Philipp Gufler tentoonstellingen met speciale aandacht voor de relatie tussen haar metalen en mentale sculpturen (W139 in 2023 en Nest in 2026); en volgde Rory Pilgrim haar twee jaar lang in de documentairefilm the arrow of Time (vanaf februari ieder weekend te zien in de bioscoopzaal in het Fries Museum). Een mentor en ‘guiding star to myself and so many’, aldus Rory.
Het is inspirerend om door de ogen van een jongere generatie kunstenaars te kijken naar een kunstpraktijk die zich in een andere tijd heeft gevormd. Het maakt zichtbaar hoe zowel de praktijk als onze manier van kijken door de tijd heen verandert. ‘Deze performance gaat over schoonheid en wat dat betekent in Lydia’s ogen en in mijn ogen’ reflecteert Astrit Ismaili op diens samenwerking met Lydia Schouten voor de meest recente editie van Prelude.
Tussen tijd, lichaam en ruimte
Op een regenachtige oktoberavond, terwijl de straten rondom het theater vol stonden met zwartgeklede ADE-gangers, vond in de Brakke Grond de derde editie van Prelude plaats: een programma waarin kunstenaars uit verschillende generaties via bewegend beeld en performance met elkaar in gesprek gaan. Naast werk van de Vlaamse performance-pionier Hugo Roelandt (*1950–†2015) en de veelbelovende jonge kunstenaar Amina Szecsödy (*1995), lag de nadruk van de avond op de nieuwe artistieke uitwisseling tussen Astrit Ismaili (*1991) en Lydia Schouten (*1948): twee kunstenaars die lichaam en tijdgebonden media combineren om de grenzen van identiteit en verbeelding te verkennen.
Rondom het grote podium werden vroege en recente videowerken van de kunstenaars geprojecteerd, beginnend met Lydia’s Echoes of Death / Forever Young: een werk uit 1986, gemaakt in opdracht van en uitgezonden op de Nederlandse televisie, over het ideaal van eeuwige jeugd en hoe televisie het verval van schoonheid vaak onzichtbaar laat. De video bestaat uit een ritmische stroom van beelden, begeleid door korte tekstzinnen, waarin een reclameachtige ideaallichaam verschuift naar iets dierlijks en uiteindelijk naar een vorm die zich aan menselijke tijd en identiteit onttrekt. Lydia zei eerder over dit werk: ‘De belangrijkste taak van de media lijkt het vernietigen van chronologische tijd te zijn (…) door film- en geluidsopnames uit het verleden te presenteren alsof ze deel uitmaken van het heden. Ze worden allemaal onderdeel van een bevroren tijd’.
Op drie schermen rondom het publiek verscheen een vroeg videowerk van Astrit, geïnspireerd op een socio-realistisch schilderij van werkende landbouwers waarin mannen en vrouwen niet onderscheidbaar zijn. De video, Women in Construction Zone (2012), toont vrouwen die met pikhouwelen eindeloos op bouwplaatsstenen inslaan. Een van de drie projecties veranderde vervolgens in Lydia’s How does it feel to be a sexobject? (1978–79), waarin zij in een vastgeketend korset eindeloos met een zweep slaat terwijl haar gezicht volledig in verband is ingepakt. In deze combinatie werden twee werken naast elkaar geplaatst die lichaam en uiterlijk bevragen als producten van politieke en sociale systemen.
Op het podium stonden Astrits instrument-sculpturen, gemaakt van metaal, bewegingssensoren en opgerolde draden die bij beweging geluid en compositie in de ruimte genereren. Astrit maakte de sculpturen oorspronkelijk voor de Manifesta Biennale in Pristina, de geboortestad van de kunstenaar, tegen de achtergrond van een langdurige beperking van de bewegingsvrijheid van Kosovaren door visumplichten binnen Europa.
Het uitrollen en bespelen van de draden creëerde een web dat visueel resoneerde met Lydia’s videoperformance Cage (1978), waarin zij als jonge vrouw in een witte overall binnen een stalen kooi haar lichaam markeerde met gekleurde potloden. Voor een kort moment bestond haar eerdere performance naast haar live aanwezigheid. Door te trekken en te componeren met de draden was het alsof tijd tastbaar werd in de ruimte, terwijl het web een fysieke grens vormde die door de kunstenaars werd opgerekt.
In deze uitwisseling kwamen vragen naar voren over opgelegde sociale en structurele grenzen. Astrit en Lydia spraken met elkaar en met het publiek over tijd, ruimte, zelfbeeld en verbinding. Zo ontstond een continuüm van historische en actuele werken, live en opgenomen performance. Op de samenwerking met Lydia reflecteerde Astrit: ‘Na 24 jaar niet te hebben opgetreden, betrad ze opnieuw het podium met hetzelfde vuur, dezelfde visie en dezelfde kracht. Het was ontroerend en inspirerend. Ik bleef denken aan mijn grootmoeders, mijn moeder en alle vrouwen die het voor ons mogelijk hebben gemaakt om te doen wat we vandaag doen’
Educational Anti-Entertainment
Het idee dat werk opnieuw actief wordt wanneer het door een ander lichaam, een andere stem en in een andere tijd wordt belichaamd, was ook aanwezig in een eerdere Prelude-avond onder de titel Majestic Casual –– Profumo Affair: Billy Morgan meets Sands Murray (Educational Anti-Entertainment). Waar Lydia en Astrit een dialoog aangingen via beeld en lichaam, stond hier spreken en overdracht centraal.
Sands Murray-Wassink (*1974) is een kunstenaar die het begrip van kunst voortdurend oprekt en bevraagt. In zijn werk benadrukt hij de invloed van feministische kunstenaars van oudere generaties (Carolee Schneemann, Adrian Piper, Hannah Wilke) die zijn praktijk hebben gevormd en die hij probeert ‘door te zetten.’ Tegelijkertijd merkte ik dat Sands zelf ook een voorbeeldfunctie vervult voor jonge kunstenaars, wat voor mij de aanleiding was om hem in dialoog te brengen met Billy Morgan (*1994), een kunstenaar die net als Sands werkt met de relatie tussen taal en lichaam.
Fragmenten van feministische kunstenaars die latere generaties queer en trans kunstenaars beïnvloedden, werden getoond naast werk van Sands en Billy. Zo was er Schneemanns alternatieve kunstenaarsportret Imaging Her Erotics (1993), waarin zij haar artistieke visie in beeld brengt. Ook Wilkes Gestures (1974) werd getoond, waarin zij met subtiele of expressieve hand- en gelaatsbewegingen strak de camera inkijkt, terwijl Billy synchroon de bewegingen volgde en Sands live commentaar gaf. Later die avond droegen de kunstenaars elkaars teksten voor en belichaamden ze elkaars woorden. Billy nam Sands bij de hand om samen te bewegen. Zo ontstond een dynamische uitwisseling vanuit Sands’ visie dat ‘educatie mogelijk is in alle richtingen en in alle stadia van het leven’.
In relatie
Wat maakt het zo belangrijk om radicale vormen van kunst en vroege experimenten van kunstenaars te blijven ondersteunen? De Prelude-avonden brachten me bij de gedachte dat kunstenaars hun kennis en moed niet ontlenen aan een vaststaande canon, maar aan elkaar: aan ontmoetingen, aan gedeelde ervaringen, aan het belichamen en herinterpreteren van werk dat zich in een andere tijd heeft gevormd.
Zoals Griselda Pollock betoogt is kunstgeschiedenis geen lineaire opeenvolging van meesterwerken, maar een netwerk van relaties, praktijken en ervaringen dat door generaties heen circuleert. Vanuit dit perspectief krijgen de uitwisselingen tussen Astrit Ismaili en Lydia Schouten, en tussen Sands Murray-Wassink en Billy Morgan een dubbele betekenis: ze vormen zowel artistieke ontmoetingen in het heden als voortzettingen van oudere kennis en feministische strategieën. Kunstgeschiedenis als iets dat steeds opnieuw wordt gevormd.
Bijzonder was dat de wederzijdse overdracht en inspiratie zich niet beperkte tot één avond, maar ook plaatsvond tussen kunstenaars van verschillende edities van Prelude. Zo reageerde Sands per email na afloop van Lydia en Astrits gezamenlijke performance met een reflectie die de meerwaarde van uitwisseling en overdracht treffend onder woorden bracht: ‘De complexiteit van de opbouw van de performance was even verfijnd, krachtig en natuurlijk als een spinnenweb. Ik moest steeds denken aan ‘estafettewedstrijden’, zoals bij de Olympische Spelen, waarbij een hardloper met de eeuwige vlam voorop loopt om de weg te verlichten, of waarbij een stokje wordt doorgegeven, maar deze keer was het in een soort cyclische, spiraalvormige vorm en werd de kracht niet gegeven of doorgegeven, maar gedeeld.’
Daarbij legde hij een verband met zijn eigen praktijk: ‘Het onderwerp schoonheid en de complexe wendingen daarvan waren diepgaand. Ik denk er nog steeds over na, want dit zijn vragen die ik vaak in mijn eigen werk overweeg (…)’ en hij reflecteerde op wat de combinatie van Astrit en Lydia teweegbracht: ‘Astrit heeft een podiumprésence als een echte magische rockster. Dat is geen geheim. Maar op deze avond, met alle parallellen tussen de twee artiesten, fungeerde Astrits aanwezigheid zowel als katalysator als tegenhanger voor Lydia’s unieke magische facetten van inhoud en vorm (…). Het stralende, muzikale, erotische, glinsterende voorbeeld van de twee artiesten die samen goede energieën aan de wereld toevoegen en meerdere dingen tegelijkertijd in spanning houden, zelfs in het loslaten. De ware betekenis van kunst’
Kunstenaars leren van elkaar door dialoog, wederzijdse overdracht en herinterpretatie van werk. Wat de Prelude avonden bij de Brakke Grond en Perdu, en de tentoonstelling in het Fries Museum mij hebben geleerd is een manier om kunstgeschiedenis te begrijpen: niet als een vaste lijn of afgerond verhaal, maar als iets dat telkens opnieuw wordt herschreven in de ontmoeting tussen generaties. Juist daarom is de reflectie van kunstenaars op het werk van anderen geen voetnoot, maar een essentieel onderdeel van hoe die geschiedenis levend blijft. Passing the fire, van generatie op generatie.
Meer informatie over Prelude op www.prelude.nu
‘Louwrien Wijers – We Live in Language’ is te zien t/m 29 maart 2026, Fries Museum, Leeuwarden.
‘Urning & Urningin. Language and Desire since 1864’ met werk van Louwrien Wijers, Philipp Gufler en Rory Pilgrim is te zien t/m 5 april 2026, Nest, Den Haag.
‘Manosphere – Masculinity Today’ met werk van Sands Murray-Wassink is te zien van 18 apr t/m 2 aug 2026, Stedelijk Museum, Amsterdam.