Romy Day Winkel

Symbool van zorg en reinheid, mogelijk gemaakt door kolonialiteit – over de prominentie van linnen in hedendaagse kunstpraktijken

Essay
3 juni 2026

Linnen is overal, lijkt het. De productie ervan was ooit prominent aanwezig in ons land, maar is verdwenen. Textielkunst werd lange tijd in de marges gedwongen en als vrouwenwerk weggezet én vormde een belangrijk onderdeel van onze koloniale geschiedenis. En nu is het materiaal dus helemaal terug, signaleert Romy Day Winkel aan de hand van het werk van Dagmar Bosma, Liza Prins en Marie Ilse Bourlanges. ‘Een goed gevulde linnenkast in de ontvangstkamer liet aan bezoekers zien dat je het je kon veroorloven om een groot huishouden te voeren. De vouwen in het tafelkleed, het bewijs dat het net uit de pers kwam, werden op zichzelf een teken van reinheid en orde.’

Het was tijdens een repetitie voor de opera-performance Flax, Baby! Flax! dat ik voor het eerst vlas in mijn handen hield. Het bosje had een geur die het midden houdt tussen hooi en aarde. Dat het zo zacht en glad was verbaasde me in eerste instantie, maar later leerde ik dat dit het resultaat was van urenlang hekelen, waarbij de vezels steeds fijner worden uitgekamd.

In Nederland was de linnennijverheid eeuwenlang een van de belangrijkste industrieën. Vlas werd verbouwd in onder andere Zeeland, Groningen en Friesland; gebleekt op de duinen rondom Haarlem; en gesponnen door vrouwen, veelal vanuit huis. Die keten liep van zaad tot stof, en alles gebeurde in eigen land. Door toenemende industrialisering, alsook de steeds prominentere aanwezigheid van katoen door het Nederlandse kolonialisme, verdween linnen steeds meer naar de achtergrond, en met het materiaal verdween ook veel van de kennis die daaraan verbonden was.
Naast deze ambachtelijke kennis, is textielkunst decennialang in de marges gedwongen. Het werd als minderwaardig beschouwd en als ‘vrouwenwerk’ weggezet. Textieltradities buiten de westerse kunstcanon werden systematisch geclassificeerd als ‘etnografische artefacten’. Die marginalisering bepaalde ook wat er werd bewaard in archieven, en wat niet. Maar de afgelopen jaren heeft textiel een steeds zichtbaardere plek ingenomen in musea en tentoonstellingsruimtes. Denk bijvoorbeeld aan tentoonstellingen als Unravel: The Power and Politics of Textiles in Art, tot vorig jaar te zien in het Stedelijk Museum, waar 45 internationale kunstenaars toonden hoe textiel als medium voor politieke en persoonlijke verhalen kan dienen. Ook poppen er steeds meer textielinitiatieven op. Zo denk ik aan Textile Initiative, een evenementenreeks opgezet door de Amsterdamse textielkunstenaars Dasha Golova en Bronwen Jones, die regelmatig performances, workshops en samenwerkingen organiseert rondom textiel als collectieve praktijk. Dat afra eisma onlangs genomineerd werd voor de Volkskrant Beeldende Kunst Prijs met haar veelal van textiel gemaakte werk, past in diezelfde ontwikkeling. Daarnaast heeft Museum Rijswijk haar tweejaarlijkse Textiel Biënnale in 2021 vernieuwd, en worden de textielwerken van Andy Warhol op dit moment tentoongesteld in het Cobra Museum in Amstelveen.
Temidden van die bredere herwaardering valt me op hoeveel hedendaagse kunstpraktijken zich verhouden tot linnen in het bijzonder. Wat maakt dit materiaal, met zijn lange en beladen geschiedenis, juist nu zo aantrekkelijk?

Liza Prins en Marie Ilse Bourlanges - Flax, Baby! Flax! Foto: Kyle Tryhorn
Liza Prins en Marie Ilse Bourlanges - Flax, Baby! Flax! Foto: Kyle Tryhorn

Voor de kunstenaars Liza Prins en Marie Ilse Bourlanges begon het tijdens een treinreis van Arnhem naar Amsterdam. Ze hadden net een dag doorgebracht op een perceel van The Linen Project. Vermoeid en vol van het ritme van het werk kwam hun gesprek op gang. Een van de dingen die hen beiden trof aan het vlasproces, was hoe weinig romantisch het is. Je plant iets om het vervolgens te laten rotten op het veld, dauwroten noemen ze dat. Dan sla je het, ruk je het uit elkaar, zwingel je het: een lange reeks van handelingen met de traditionele gereedschappen die het een bijna gewelddadig karakter geven. De ambiguïteit van dit werk werd de kern van hun artistieke aanpak, en ergens tijdens die treinreis zeiden ze tegen elkaar: wat als we hier een opera over schrijven?
Bourlanges en Prins gingen aan de slag met de gereedschappen en instrumenten die nodig zijn voor het vlasbewerkingsproces: een vlaskam, vlasbraak, zwingelbord en hekel. Ze begonnen met het bestuderen van deze vier werktuigen, en vertaalden die vervolgens naar sculpturale vormen die ook gedragen kunnen worden. Met hulp van houtbewerker Olga Micínska werden hun schetsen realiteit. De uiteindelijke ‘sculptural tools’, zoals het duo ze noemt, zijn geen exacte historische replica’s maar lichaamsobjecten die als kledingstukken kunnen worden gedragen. Een voorbeeld hiervan dat uiteindelijk de opera-performance heeft gehaald, is een rugstuk met metalen tanden. Bij wijze van vlaskam wordt dit door een performer gedragen op de rug, terwijl die geknield met het voorhoofd op de grond ligt. ‘Het is echt een spel van machtsrelaties,’ zegt Bourlanges. ‘Wie heeft agency, wie geeft zich over?’ Het is de bedoeling dat de grens tussen het lichaam van de performer en het gereedschap hierdoor vervaagt.
Naast de sculpturen gaat het onderzoek van Prins en Bourlanges over werkliederen. Prins stortte zich op de liederen die arbeiders zongen tijdens het bewerken van het vlas en stuitte op iets dat ze niet had verwacht. Een van de liedteksten begint als waarschuwing van vrouw tot vrouw: pas op voor mannen, ze maken je zwanger en laten je alleen met het kind achter! En dan, bijna terloops aan het einde, een verwijzing naar een plant in de tuin van vader; een plant die als abortivum diende. Het is subtiele, gepolitiseerde kennis die door de liederen heen fluistert. Wat Prins interesseert is precies die ‘ongeorganiseerde politieke inhoud’. Tegelijkertijd zijn werkliederen ook een manier om de energieniveaus op peil te houden, om het tempo erin te houden. Ze dienen het kapitaal evenzeer als de arbeider. Die dubbelzinnigheid wilde het duo niet wegpoetsen. De mixtapes die ze maakten, waarvan de tweede zich specifiek richt op die ritmes van werk, stellen die spanning dan ook centraal.

Liza Prins en Marie Ilse Bourlanges - Flax, Baby! Flax! Foto: Kyle Tryhorn
Liza Prins en Marie Ilse Bourlanges - Flax, Baby! Flax! Foto: Kyle Tryhorn

Uiteindelijk mondde dit alles uit in twee edities van Flax, Baby! Flax!: een première in augustus 2024 bij A Tale of a Tub in Rotterdam, en een versie in september van dat jaar in het Glazen Huis van Zone2Source in Amsterdam. Elf performers – onder wie ikzelf – bewogen zich door de ruimte, de sculptural tools om en aan hun lichamen, terwijl ze al slaand, kaardend, hekelend én zingend het proces van vlas naar linnen doorliepen. Het risico van dit soort projecten ligt voor de hand: een groep kunstenaars die een dagje het werk van arbeiders naspeelt. Dat was bewust niet de insteek: het ging om wat het lichaam onthult in dit proces, zintuigelijke kennis die historische archieven doorgaans niet (kunnen) bewaren. Ik was ingezet bij het kammen van de vlasdraden, een van de laatste stappen van de bewerking. Het geluid van de vlasvezels tegen de metalen tanden leerde me iets wat ik daarvoor alleen had gelezen: dat de liederen niet naast het werk bestonden, maar eruit voortkwamen. Het werken met de gereedschappen bepaalde het ritme van de liederen die gezongen werden, en daardoor ook het tempo waarop we bewogen.

Dat Prins en Bourlanges überhaupt bij vlas terechtkwamen, is mede te danken aan The Linen Project: de gemeenschap van makers, of stewards, die jaarlijks samen vlas verbouwen op biologische boerderijen in Duiven en Hemmen. Het project ontstond in 2018 mede vanuit de Crafts Council Nederland, een platform voor creatieve ambacht, en groeide uit tot een vaste gemeenschap van zo’n tweeëntwintig stewards per jaar. ‘We zagen dat maakkennis in Nederland steeds meer werd ondergewaardeerd’ zegt Willemien Ippel van de Crafts Council. Samen met Pascale Gatzen, destijds hoofd van het masterprogramma Practice Held in Common van ArtEZ in Arnhem, richtte ze The Linen Project op.
Het project maakt de hele keten van vlas naar linnen zichtbaar: vlas wordt bijvoorbeeld geteeld in de Betuwe, verwerkt in Zeeuws-Vlaanderen, gesponnen in Polen, en ten slotte gewoven in Enschede. ‘Van alles wat wij vandaag de dag dragen kun je op geen enkele manier achterhalen waar het precies vandaan komt,’ zegt Ippel. Die transparantie is door het werken op eigen vlasplot wél mogelijk, en zit ingebakken in de werkwijze. Wie een dag meewerkt op het veld, begint het maakproces als vanzelf vanuit het lichaam te begrijpen. ‘Als je een dag gewied hebt, voel je dat nog twee dagen daarna.’ Er is niks romantisch aan, benadrukt Ippel. ‘Vlas verwerken is zwaar en stoffig werk, en stoflongen zijn nog altijd een beroepsrisico voor arbeiders elders in de industrie.’ Dit maakt duidelijk waarom de productie grotendeels buiten het Europese blikveld is verdwenen. ‘Omdat we het niet meer zien, bestaat het voor veel mensen eigenlijk niet.’
De stewards van The Linen Project komen met uiteenlopende achtergronden bij elkaar: biologische landbouw, papierkunst, weven, spinnen. Ook veel kunstenaars sluiten zich aan, aangetrokken door het lichamelijke en collectieve karakter van het werk. Ippel wijst ook op initiatieven als Back to the Flax aan de Design Academy Eindhoven, waar studenten samen vlas verbouwen en verwerken. Ze ziet bij jonge kunstenaars een breder verlangen naar de ambachtelijke en lokale kennis die achter het linnenverwerkingsproces schuilgaat.

Dagmar Bosma - Bleekveld in Hotel Maria Kapel. Foto: Bart Treuren
Dagmar Bosma - Bleekveld in Hotel Maria Kapel. Foto: Bart Treuren

Schoon linnen, schone ziel

In de tuin van kunstruimte Hotel Maria Kapel in Hoorn werd ooit linnen gebleekt. Het weeshuis dat er na de reformatie in zat, gebruikte de binnentuin als bleekveld: huishoudlinnen werden uitgevouwen op het gras en gebleekt door het zonlicht. Voor kunstenaar Dagmar Bosma, die er in april tot juni dit jaar een residentie doet, was die geschiedenis het vertrekpunt dat leidde tot zijn solotentoonstelling Bleekveld.
In de kapel staat een installatie van vijf zeventiende-eeuwse linnenpersen, een tafel met een damasten tafelkleed en servetten, en een replica van een zeil van een VOC-schip, allemaal gemaakt van linnen. Tussen de persen zit opgevouwen linnen, meterslange stukken stof die zijn samengeperst tot een compacte stapel. Op sommige plekken steekt een servet uit dat Bosma met roest heeft geverfd, maar het linnen is grotendeels aan het zicht onttrokken. Dat is een bewuste keuze. Waar textiel vaak weelderig wordt gedrapeerd, perst Bosma het samen: meters stof met een enorme geschiedenis worden tussen twee planken gecomprimeerd, de patronen strak gevouwen en onzichtbaar.

Bosma vertelt dat hij veel heeft geleerd over linnengeschiedenis dankzij de kennis van zijn mentor Sanny de Zoete. Zo leerde hij dat linnen in de zeventiende eeuw een statussymbool was: hoe meer je bezat, hoe welvarender. Een goed gevulde linnenkast in de ontvangstkamer liet aan bezoekers zien dat je het je kon veroorloven om een groot huishouden te voeren. De vouwen in het tafelkleed, het bewijs dat het net uit de pers kwam, werden op zichzelf een teken van reinheid en orde. Op schilderijen uit die tijd zijn die vouwlijnen terug te vinden. ‘Schoon linnen, schone ziel,’ vat Bosma de mentaliteit van die periode samen. ‘Het huishouden werd beschouwd als een wereld in het klein die geregeerd moest worden.’
Maar die weelde en orde had een prijs die elders werd betaald. In een handelsdocument dat Bosma voor de tentoonstelling opdiepte, staat het droogjes genoteerd: 60el damast voor een slaaf. Textiel was een van de belangrijkste ruilmiddelen in de Nederlandse slavenhandel. De welvaart die het zeventiende-eeuwse burgerhuis mogelijk maakte, kwam direct voort uit de koloniale expansie. Bosma verbindt in zijn werk twee industrieën die niet vaak samen worden gezien: het huishoudelijke linnen en het linnen dat werd gebruikt voor de zeilen van VOC-schepen. De productie van beide takken vond in Nederland plaats en vormt een belangrijk onderdeel van onze koloniale geschiedenis.

Dagmar Bosma - Bleekveld in Hotel Maria Kapel. Foto: Bart Treuren
Dagmar Bosma - Bleekveld in Hotel Maria Kapel. Foto: Bart Treuren

Bosma’s ingreep is het verven met roest. Hij verft het linnen met patronen die ontstaan door natgemaakte stof om metalen voorwerpen heen te wikkelen. Die bevlekking is onomkeerbaar: roest krijg je er nooit meer uit. ‘Het corrumperen van een cyclus van witheid,’ noemt Bosma het zelf, waarbij hij bewust een zeventiende-eeuwse betekenis van het woord ‘corrumperen’ aanhaalt: bederf, moreel verval.
De tentoonstelling Thuis in de 17e eeuw in het Rijksmuseum, die Dagmar als onderdeel van zijn onderzoek bezocht, benaderde het huishoudlinnen met een mate van bewondering voor het vrouwenwerk. Voor Bosma is dat een manier om te vermijden waar het eigenlijk over gaat. ‘Dat vind ik bijna een afweermechanisme,’ zegt hij, ‘om het niet te hoeven hebben over wat er echt achter schuilt, namelijk het slavernijverleden en kolonialisme.’ In Bleekveld zet Bosma die twee geschiedenissen, het huishoudelijke en het koloniale, juist naast elkaar.

Van zaad tot stof

Het hiërarchische denken dat textielkunst decennialang als minderwaardig bestempelde, bepaalde ook welke kennis over het vlasverwerkingsproces werd bewaard. Het spinnen, het hekelen, het zingen tijdens het werk: het was in handen van mensen die overwegend arm waren, die veelal niet serieus werden genomen, en die zelden zelf schreven. Wat er nu gebeurt is dat kunstenaars die kennis actief proberen op te diepen in archieven, in de materiaalgeschiedenis van linnen, maar ook in het eigen lichaam. Willemien Ippel ziet bij makers een verlangen terug naar de basis: wat is vlas, hoe kan ik hiermee leren werken? Dagmar Bosma wijst op het gegeven dat Nederland ooit een volledig zelfvoorzienende linnenketen had, van zaad tot stof, en dat het besef van wat er sindsdien verloren is gegaan, opnieuw de aandacht trekt. De vraag is dus niet alleen: hoe komen we terug bij dit materiaal? Maar ook: wiens arbeid droeg deze industrie, wiens kennis hield haar gaande, en in welke uitbuitende systemen lag het vervat?

Die vragen raken ook aan hoe textielkunst wordt afgebakend, want wie wordt daarin meegenomen, en wie niet? Dit klinkt door in hoe de kunstenaars over hun eigen werk nadenken. Zo aarzelt Liza Prins om haar werk ‘textielkunst’ te noemen, omdat die term voor haar te veel op één hoop gooit. ‘Ik herken me meer in iemand die de geschiedenis van bakstenen onderzoekt,’ zegt ze. ‘Ik deel de drang om te snappen hoe een materiaal historisch en sociaaleconomisch gevormd is.’
Voor Marie Ilse Bourlanges begon dat materiaalbegrip niet in het archief, maar in haar handen. Ze hield een bosje gehekelde vlasvezels vast; de ene draad grijs en zacht en glanzend, de ander grof en blond; en zag ineens: haar! Het leek op een vlecht van een oude vrouw, op een lok. De plant voelde plots heel menselijk, geworteld in een specifiek landschap en geschiedenis, maar ook verweven met het lichaam zelf.

Dagmar Bosma - Bleekveld in Hotel Maria Kapel. Foto: Bart Treuren
Dagmar Bosma - Bleekveld in Hotel Maria Kapel. Foto: Bart Treuren

Linnen is altijd al door vele handen gegaan, heeft in kleding dicht op de huid gezeten, en die nabijheid nodigt uit om de geschiedenis ervan te onderzoeken. De kunstenaars die in dit materiaal zijn gedoken, nemen serieus wiens kennis, wiens arbeid en wiens verhaal er in linnen huist. Dat begint bij het gewas zelf: vlas vraagt geduld en kennis van het land en de seizoenen. Wat volgt is een proces van enorm zwaar, fysiek werk; roten, slaan, uitkammen, uit elkaar trekken. De werkliederen die Prins en Bourlanges opdiepten, belichamen diezelfde dubbelzinnigheid: ze gaven arbeiders ritme en gezamenlijkheid, een manier om het werk door te komen, maar ze hielden tegelijk een systeem in stand dat hen uitbuitte. En dan is er nog het huishoudlinnen dat Bosma in zijn linnenpersen laat zien: wit linnen als symbool van zorg, reinheid en orde, maar mogelijk gemaakt door een koloniale economie die op geweld en uitbuiting dreef. In linnen zitten al die lagen over elkaar heen gevouwen, en in een tijd waarin vragen over arbeid, kolonialisme en zorg opnieuw urgent zijn, is het begrijpelijk dat kunstenaars juist naar dit materiaal teruggrijpen.

——————————————————————————————————————

De solotentoonstelling van Dagmar Bosma getiteld Bleekveld is nog tot en met 6 juni 2026 te zien in Hotel Maria Kapel.

Romy Day Winkel (1994) is beeldend kunstenaar en schrijver.

Advertenties

Ook adverteren op mistermotley.nl? Stuur dan een mail naar advertenties@mistermotley.nl

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

* verplicht