We moeten af van het idee dat ouderdom ons nooit zal overkomen – over het poreuze weefsel van herinneringen en tijd
We kijken naar ouderdom alsof het onszelf nooit zal overkomen. Van dat idee moeten we af, stelt Lucette ter Borg. In haar essay meandert ze langs Nummer 8 – Everything is going to be alright van Guido van der Werve, Progress vs Regress van melanie bonajo en haar Turkse zwerfhond Vera die dertien jaar oud is. ‘Ouder worden kun je alleen maar stopzetten door vroeg dood te gaan. En als je niet sterft, dan ben je het ineens.’
Het begon, zoals alle goede ideeën beginnen: heel simpel. De Nederlandse kunstenaar Guido van der Werve (1977) voer in Finse wateren op een ijsbreker en hing over de reling. Hij zag het ijs onder de boeg in stukken breken en voelde bij iedere klap het schip trillen. Zijn ingewanden trilden mee. Hij hoorde het geraas van brekend ijs en het stampende gediesel van de scheepsmotor. Hij dacht: zou ik voor die ijsbreker kunnen lopen? Zou dat mogelijk zijn?
Het was een “ideetje van drie seconden” vertelt Van der Werve in 2022 in de documentaireserie Hollandse Meesters. Het “ideetje” bleek eenvoudig te produceren: iedereen met voldoende geld kan namelijk een ijsbreker huren. De korte film die Van der Werve maakte en waarin de kunstenaar voor een ijsbreker uitloopt die met veel geraas zijn brekend werk uitvoert, werd een onmiddellijk succes. Tentoongesteld in binnen- en buitenland. De film werd een ijkpunt, waar al het latere werk van Van der Werve mee vergeleken werd, ook nadat hij in 2016 in Berlijn een ernstig ongeluk kreeg en jarenlang – met ijzeren discipline – moest revalideren. Hij kon namelijk niets meer – niet lopen, niet praten. Inmiddels loopt Van der Werve weer om de twee dagen hard. Nummer 8 – Everything is going to be alright, zoals de film heet, dateert van 2007. Het jaar dat ik de film voor het eerst, in 2007, voelde ik vooral angst. Guido van der Werve als fragiel streepje, lopend over die witte ijsvlakte, met in zijn nek hijgend de enorme grauwe ijsbreker. Een monster dat op het punt stond om te verslinden wat maar in zijn weg stond. ‘Ren!’ dacht ik.
Toen ik twaalf jaar oud werd, vroeg m’n oma: ‘Krokodillestaartje, wat is je lievelingsleeftijd?’ ‘Dat is acht,’ zei ik. Uit haar ongelovige reactie en het gelach van mijn ouders en broertje en zusje, maakte ik op dat dit raar was. Geen kind om mij heen wilde jonger worden, allemaal keken ze naar de toekomst. Die moest snel komen. Dan zouden wij kinderen nog groter, slimmer, beter, zelfstandiger zijn.
Maar ik voelde me gelukkig met acht.
Voor mij was acht een leeftijd, waarop ik me nooit meer zo sterk, zo één met mezelf voelde. Tussen mij als achtjarige en het dorp van 1.200 inwoners waar ik opgroeide, leken geen barrières te bestaan. Ik hield, zo voelde het, een speelgoedsneeuwbol in de hand met ons dorp erin. Ik schudde en zie: alles werd mogelijk.
Soms komen flarden van gevoelens van hoe het was om acht te zijn, als oude vrienden langs waaien. Ze bellen bij me aan, maar als ik de deur opendoe en het trapgat inroep, zijn ze verdwenen. Ik proef de sensatie van rennen, met mijn neusgaten opengesperd, op weg naar het eind van de straat. Ik word nooit moe. Mijn longen vullen zich met zuurstof – zo diep adem ik dat het schuurt. Ik voel mijn lange haar kriebelen op mijn blote armen. Ergens in mijn maagstreek wordt opgewekt naar school gehuppeld, want school is toch alleen maar spel. Ik voel mijn vingers tintelen bij het openslaan van een nieuw boek, de honger om de letters en zinnen in het boek te ontcijferen.
Er is een landkaart te maken van de plekken op mijn lichaam waar de sensaties zich manifesteren. Die landkaart heet ‘8’. Mijn middenrif doet mee, mijn vingers, mijn buikholte, mijn maag, mijn longen. Maar de grenzen op die landkaart veranderen dagelijks en zijn poreus. Lineaire tijd – van jong naar oud, van vroeger naar later – heeft geen plek op die kaart. Wat vroeger is geweest, kan aanvoelen als nu en onmiddellijk.
Het Amerikaanse Black Quantum Futurism collectief van Rasheedah Phillips en Camae Ayewa (onder andere in 2022 te zien op Documenta 15 en over wie in een later essay in deze reeks meer) noemt dit de ‘antropologie van bewustzijn’. Dat bewustzijn is ahistorisch en steekt op verschillende momenten de kop op. De tijd loopt er niet vooruit maar in cirkels. “Alle tijd is lokaal,” zeggen Phillips en Ayewa. Daarmee bedoelen ze: alle tijd is gebonden aan context, onderdeel van een uitgebreid weefsel van herinneringen die geactiveerd kunnen raken door geuren, geluiden, visuele prikkels, tastzin, het doodgewoon omslaan van een straathoek of het opnieuw bekijken van een kunstwerk.
Mijn wens om altijd acht te blijven herinner ik me als ik op mijn vierenzestigste Van der Werve’s Nummer 8 – Everything is going to be alright opnieuw zie. Ik lees in de film iets anders dan twintig jaar terug. De dreiging die ik er toen in zag, is inmiddels begraven in het stof. Ik zie positieve durf, het gevoel dat alles kan, dat niets je kan deren, zelfs niet een ijsbreker die je op de voet volgt over het Noordpool-ijs. Dat is 8.
Iedere dag loop ik ten minste vier keer met mijn in het Turkse Antalya geboren zwerfhond Vera buiten. Vera heeft afgelopen januari de leeftijd van dertien jaar bereikt. Voor een middelgrote Labrador-achtige hond is dat best veel. Haar eens pikzwarte snuit is inmiddels een wit masker, haar voeten en buik zijn zilvergrijs geworden, en als ze geen zin meer heeft om te wandelen, laat ze me dat duidelijk merken. Dan staat ze stil en wijst met haar gezicht de richting op waarin ze wil lopen: terug naar huis.
Vera is een kwieke hond, maar wat me verbaast is de manier waarop voorbijgangers op haar reageren. Ze vinden haar ontroerend, lief, prachtig – sommigen bukken zich met tranen in hun ogen om haar te aaien. Mooi vind ik dat, maar ook raadselachtig. Want waarom roept mijn oude hond Vera zoveel vertedering op? Waarom veroorzaken de oude mensen die in mijn buurt met een stok of rollator rondscharrelen niet diezelfde ontroering?
Waarom wordt er juist geërgerd gezucht als een bejaarde voor me in de rij bij de kassa klungelt met kleingeld, op een slakkengangetje zijn auto bestuurt, of maar een beetje staat te dromen bij het groene stoplicht? Ontstaat die ergernis omdat we ouderdom bij mensen beschouwen als een “ziekte die kan worden overwonnen, in plaats van als natuurlijk fenomeen”? zoals filosofen Joep Dohmen en Jan Baars schrijven in De kunst van het ouder worden – de grote filosofen over ouderdom (2010).
Wandelende lijken
In 1970 publiceerde de Franse schrijfster en filosoof Simone de Beauvoir (1908-1986) een ontstellend gewaagd onderzoek. De ouderdom. Maatschappelijke situatie van bejaarden en persoonlijke zingeving in de laatste levens was gedurfd en moedig, omdat het ging over: jazeker ouderdom.
De Beauvoir beschrijft in haar inleiding, dat ze de “samenzwering van stilzwijgen” rondom ouderdom wil doorbreken. Jarenlang heeft ze nagespeurd wat ouderdom betekent in westerse en niet-westerse samenlevingen, hoe erover werd geschreven, gedacht, gedicht en geschilderd in de afgelopen vijfduizend jaar. Dik vierhonderd pagina’s lang telt haar onderzoek. De lettergrootte is piepklein en de bladspiegel is propvol – gewoon ratsj, van boven naar onder volgedrukt.
Hoe kreeg ze het voor elkaar, dacht ik tijdens het lezen. Zoveel werk, zoveel archieven uitpluizen, zoveel wetenschappelijke studies doorworstelen, zoveel literatuur tot je nemen, en dan ook nog andere boeken en essays publiceren. De Beauvoir had duidelijk een honger naar kennis, en ze had een ander voordeel: er bestond in haar tijd geen mobiele telefoon, geen internet, en waarschijnlijk had ze geen televisie. Ze las, studeerde, ging naar bibliotheken en schreef – haast zonder afleiding.
Dat er een ‘samenzwering van stilte’ bestaat rondom ouderdom, ontdekte De Beauvoir al zeven jaar eerder. Aan het eind van haar autobiografische boek De druk der omstandigheden (1963) benoemt ze haar eigen ouderdom. Ze is dan 55 jaar, ze staat wiebelend op een drempel: ze is niet langer jong. Lezers schrijven haar tot haar verbijstering woedende brieven: “Aanvaarden dat ik op de drempel van de ouderdom stond,” schrijft ze in De ouderdom (…), “was beweren dat ouderdom op alle vrouwen loert, dat hij er al vele in zijn greep heeft. Vriendelijk of woedend hebben veel mensen, en vooral bejaarde mensen, mij herhaaldelijk verzekerd dat de ouderdom helemaal niet bestaat. Sommige mensen zijn minder jong dan andere, dat is alles.”
De Beauvoirs onderzoek is deels gedateerd en eurocentrisch (ondanks de honderden pagina’s over niet-westerse samenlevingen). Haar woordgebruik over ‘primitieve’ gemeenschappen zouden we tegenwoordig, terecht, keihard afwijzen. Toch schuilt er veel revolutionairs in haar onderzoek. Ze stelt de erbarmelijke positie van bejaarden in verpleeghuizen en in leeglopende dorpsgemeenschappen aan de kaak. Ze introduceert een waaier van nieuwe levensvragen met betrekking tot ouderdom en doet daar oorspronkelijk onderzoek naar. Het ideaalbeeld dat we (onbewust) koesteren van ouderen, breekt ze vakkundig af. En de haat die oude mensen opwekken: daarvan laat ze zien dat die geen incident is, maar structureel en ingebed en gekoesterd in duizenden jaren cultuurgeschiedenis.
“Als bejaarden blijk geven van dezelfde verlangens, gevoelens en eisen als jongeren, dan wekken zij ergernis,” stelt De Beauvoir. “Bij hen lijkt liefde en jaloezie ergerlijk of belachelijk, seksualiteit weerzinwekkend en geweld bespottelijk. Zij moeten een voorbeeld zijn van deugdzaamheid. En voor alles moeten zij gelaten zijn. Jongeren nemen aan dat ouderen dat zijn en dat geeft de jongeren een vrijbrief om zich niet voor hun ongeluk te interesseren. Men houdt de ouderen een gesublimeerd beeld voor van henzelf: het beeld van de eerbiedwaardige, ervaren wijze met een aureool van wit haar, ver verheven boven het menselijke. Wijken ouderen daarvan af, dan vallen ze diep.”
Het diepste valt de vrouw. Op haar lelijkst geschilderd door Quinten Matsys in 1513 (in zijn schilderij De Lelijke Hertogin) en een inspiratiebron voor vele toneelschrijvers, schrijvers en denkers na hem. Wie weet dacht de humanist Erasmus van Rotterdam (ca 1466-1536) aan Matsys’ hertogin, toen hij in zijn Colloquia (1518) zijn pen in een ogenschijnlijk speciaal voor oude vrouwen gebrouwen potje gif doopte. “Deze afgeleefde vrouwen,” schrijft de naamgever van onder andere de Erasmus Universiteit in Rotterdam en de prestigieuze Praemium Erasmianum, “deze wandelende lijken, deze besmette ruimtes die overal een graflucht verspreiden en toch elk ogenblik schreeuwen: ‘niets is zo zoet als het leven’. Soms tonen ze hun slappe en walgelijke borsten, soms proberen ze in hun middelaars het vuur te wekken door het gekef van hun bevende stemmen.”
Een selfie-stick: was je daarmee je rug?
Een van de meest liefdevolle kunstenaars en die ik ken, is melanie bonajo (1978). melanie (hun naam schrijf je zonder kapitalen) is behalve kunstenaar ook somatisch sekscoach, knuffelfacilitator en activist. Zelf heb ik twee jaar geleden deelgenomen aan zo’n knuffelworkshop tijdens een congres in Utrecht. Ik herinner me vooral de betovering die ontstond toen melanie ons vroeg om met z’n allen, ogen dicht, op onze rug te liggen en te proberen om de wildvreemde anderen aan te raken. Vingers, tenen, knieën, ruggen en haren vormden één groot ruggelings over de vloer schuivend organisme: niemand was de ander, iedereen was elkaar en aan niemand zat een leeftijd geplakt. Body positivity was het onuitgesproken motto.
melanie brengt in hun video-installaties, films en fotowerken de intenties, dromen, trauma’s, teleurstellingen en verlangens voor het voetlicht van mensen die onder het juk van het hyperkapitalistische systeem vermorzeld dreigen te worden en alternatieve leefwerelden opbouwen. melanie’s protagonisten vechten vaak een zware emancipatiestrijd: ze zijn afkomstig uit de zwarte of inheemse gemeenschap, ze zijn vrouw, sekswerker, lhbtqia+, ze voldoen niet aan het Instagram-schoonheidsideaal, kunnen een beperking hebben, neurodivers zijn, groene wereldverbeteraars, sjamanen, bomenfluisteraars. En: soms zijn ze oud. Stokoud.
Gefilmde gesprekken met protagonisten vormen het vertrekpunt en kloppend hart van melanie’s werk. Die opnames worden ingebed in snoepwinkelkleuren, opgeluisterd met hippe grafische effecten en vertoond in een totaalinstallatie. Alles doet mee: de vulvavormige entree van de ruimte, de zitzakken, rolstoelen, de grotachtige draperieën in regenboogkleuren. De gesprekken die melanie voert vertrekken vanuit vertrouwen, respect en nieuwsgierigheid. Dat klinkt misschien soft en vanzelfsprekend, maar dat is het niet. Om het vertrouwen van vaak kwetsbare gesprekspartners te winnen en ze te laten praten over hun trauma’s, angsten en verlangens, is geduld nodig, liefdevolle aandacht en de durf om jezelf als interviewer kwetsbaar op te stellen.
In 2016 zag ik op de tentoonstelling ‘Hacking Habitat’ in de voormalige gevangenis aan de Utrechtse Wolvenstraat Progress vs Regress (2016), een filminstallatie van een klein uur (tot en met 14 juni te zien is op ‘Grijs!’, in museum van Bommel van Dam in Venlo). Het werk is te bekijken vanuit één van de rolstoelen in het zaaltje. Die rolstoel doet iets met je: je voelt hoe de stoel zit (hard), hoe breed ‘ie is (smal) en hoe ongemakkelijk de armsteunen. Ik realiseerde me tien jaar geleden in Utrecht met één klap: deze rolstoel die mij volledig opsluit tussen metalen hekwerk en beugels, is ook mijn toekomst. Zo ziet de wereld er dan uit.
‘Ren!’ dacht ik. Maar toen begon de film.
Progress vs Regress is een tweeluik. Je begeeft je in de door melanie kakelbont gestileerde leefwereld van negentigplussers in het verzorgingstehuis. Daar ontspinnen zich gesprekken over mobiele telefoon, selfies en selfiesticks die ontroerend én geestig zijn. “Als je er zeep op doet, kun je er dan je rug mee wassen?” vraagt een verbijsterde vrouw die een selfiestick van alle kanten bekijkt. “Je kunt jezelf ermee zien en een foto van jezelf nemen”, legt melanie uit. “Kijk, zo doe je dat.” De vragen zijn altijd serieus en de antwoorden oprecht. “Wat mist u in het dagelijks leven?” Een “nachtkusje van de zuster.”
Daarnaast richt de camera zich op een groep in een gymzaal. Daar zijn mensen van alle pluimages, van alle leeftijden verzameld, die praten over wat het betekent om oud te zijn en oud te worden. “Na je veertigste houdt het voor mij toch echt wel op,” zegt een jonge twintiger. “Nee hoor”, antwoordt een vrouw van rond de zestig. Ze wilde haar leven lang een wereldberoemde kunstenaar worden. Maar nu is er een gewicht van haar schouders gevallen, want ze moet niet meer van zichzelf.
Is er een apparaat waar je niet zonder kunt, vraagt melanie? “Mijn telefoon.” roept iedereen. En wat betekent die telefoon, die laptop, die iPad voor de fysieke sociale contacten die je onderhoudt? “Ik kijk liever naar Windows, dan naar buiten”, antwoordt een jongen.
Progress vs Regress laat zien dat ageism – het discrimineren van mensen op basis van leeftijd – onzinnig is, jezelf en de ander tekort doet. Ageism – een term die in 1969 is gemunt door de in 2010 overleden, Amerikaanse psychiater en schrijver Robert Butler – markeert, sluit buiten, selecteert en discrimineert. Ageism, zo stelt Butler, is vergelijkbaar met seksisme en racisme. Een samenleving die is ingedeeld volgens vaste leeftijdscategorieën, die alleen maar profijt ziet in voorwaarts kijken – is dat een samenleving die we willen?
Ik denk het niet. Ik denk dat we af moeten van het idee dat ouderdom onszelf nooit zal overkomen. Want dit is jouw, mijn, onze toekomst. Ouder worden kun je alleen maar stopzetten door vroeg dood te gaan. En als je niet sterft, dan ben je het ineens.
Ik kijk in de spiegel en zie rimpels rondom mijn mond. Ik ren de trappen in mijn huis met iets minder vuur op dan ik vroeger deed. Ik ga graag naar een vroege filmvoorstelling want: liefst om 10 uur ’s avonds in bed. En ’s ochtends vroeg kom ik als een verroeste koffiemolen op gang.
Ik kriebel mijn oude hond Vera op haar zilvergrijze buik en fluister in haar oor: we weten allebei dat ouderdom niet alleen de ander overkomt. En we weten allebei dat ouderdom niet alleen met gebreken komt, maar ook met avonturen.
In de reeks Land zonder grenzen onderzoeken vier ervaringsdeskundige auteurs de (on)toegankelijkheid van het kunstenveld. Lucette ter Borg richt zich op het thema ouderdom.