We moeten ons door woonkamers zien te wurmen waar geen van ons ongeschonden uit ontsnapt
Het aantal scheidingen en singles neemt toe, het geboortecijfer daalt. Het kerngezin vormt allang niet meer de droom. Binnen een paar dagen tijd zag Maurits de Bruijn twee werken die licht schijnen op andere samenlevingsvormen waarbinnen zorg en humor vrijelijk rondzingen, Family van Louis Janssens en A Family of None van Pip Greenaway. ‘We moeten ons zien te wurmen door woonkamers waar geen van ons ongeschonden uit ontsnapt, zoveel is duidelijk. Of je nu queer bent of niet, jong of oud, opgroeien is pijn lijden, en die pijn wordt niet in de laatste plaats toebedeeld door onze gezinsleden.’
Het instituut familie staat onder druk. Of: we zijn eindelijk in staat om te beoordelen hoe giftig de samenlevingsstructuren binnen het kerngezin kunnen zijn. De mensen die het gezin waaruit ze voortkomen voorgoed gedag zeggen, zijn zo talrijk dat er sprake is van een no contact movement, bestaande uit volwassenen die alle contact met hun ouders of broers en zussen compleet verbreken. In westerse landen – waaronder Nederland – daalt het geboortecijfer al jaren. De wens of het vermogen om zelf zo’n kerngezin te vormen neemt dus ook af.
Family opent met de coming-out verhalen van de vijf spelers die een voor een het podium betreden. De vijf vertellen over onhandige moeders, afstandelijke vaders, over een overwegend teleurstellende en pijnlijke respons. Wat meteen duidelijk wordt, en wat het stuk zo intrigerend maakt, is dat de verhalen die worden opgevoerd niet zuiver fictie zijn. Dat gegeven wordt versterkt doordat het spel van iedere acteur eigen is, allerminst gladgestreken of homogeen, en misschien wel helemaal geen spel is. De toeschouwer voelt dat er hoe dan ook waarheid moet schuilen in deze schurende anekdotes en voelt daarmee een verantwoordelijkheid voor wat zich op het podium ontvouwt.
Daarmee is Family schaamteloos ontwapenend. Zozeer dat ik mezelf erop betrapte tevergeefs op een relativerende of ironiserende grap te hopen. Maar maker Louis Janssens – die zelf ook op het podium staat – lijkt niet geïnteresseerd in relativering. Hij legt zich toe op het creëren van een theatrale safespace, waarin de vereenzaamde gevoelens die zoveel queer mensen opdoen binnen het kerngezin de ruimte krijgen.
De tegenkleur die Janssens verkiest is schaamteloze loutering. Aan het slot van Family vinden de afzonderlijke spelers elkaar en beginnen ze voorzichtig te fungeren als elkaars kersverse familieleden. Hun handen tasten naar een aanraking en vinden eindelijk een vorm van acceptatie, van troost.
Pip Greenaway bedient zich van heel ander emotioneel spectrum om een fictief familieverhaal op te stellen. Ze stelde uit haar verzameling gevonden pasfoto’s uit fotohokjes een gezin samen van individuen die gelijkenissen vertoonden. Bij die foto’s zocht ze vervolgens weer gelijkende performers.
In tegenstelling tot Family, waar de grens tussen spel en documentaire de toeschouwer activeert, legt Family of None het accent juist op een duidelijk fictief en vooral humorvol karakter om zo waarheden te onthullen. We zien de performers onthullingen doen over hun directe familieleden, terwijl duidelijk is dat de waarachtigheid van die beweringen op zijn minst dubieus is.
Dit ludieke karakter wordt versterkt door de installatie die Greenaway heeft gemaakt, een onooglijke, groen velours bankstel, een plafondventilator, talloze fotolijsten, een geheel dat zo ongeveer iedereen transporteert naar het huis van hun grootouders. In dat kitscherige interieur doet zich ook een dwingende gemeenschappelijkheid voor: we zijn allemaal veroordeeld tot dezelfde rolpatronen, dezelfde schadelijke verhoudingen, tot dezelfde muffe bank. We moeten ons zien te wurmen door woonkamers waar geen van ons ongeschonden uit ontsnapt, zoveel is duidelijk. Of je nu queer bent of niet, jong of oud, opgroeien is pijn lijden, en die pijn wordt niet in de laatste plaats toebedeeld door onze gezinsleden.
Dat Family zich van een zeldzame oprechtheid en Family of None zich van een zeldzame humor bedient en ik beide werken in vier dagen tijd tot me nam, leek bijna geen toeval te zijn. Het zijn – in mijn ogen – de twee meest doeltreffende copingsmechanismen voor groeipijnen.