Image

Het proces van verslijting

14 Mar 2015 Eline van der Haak

Toen ik ongeveer acht jaar oud was en bij mijn oma logeerde, liet zij mij plotseling iets bijzonders zien. Terwijl ik druk spelend in de woonkamer in mijn eigen wereld opging riep zij mij bij zich in haar slaapkamer. In haar handen had zij een gouden medaillon dat voor haar een bijzondere betekenis had. 

. De ketting was van haar ouders geweest, Jacob en Anna, die zij op weerzinwekkende wijze heeft moeten verliezen, beiden zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog omgekomen in Auschwitz. Een kamp waar mijn oma zelf ook in heeft moeten verblijven en waar zij wonder boven wonder wel levend vandaan gekomen is.  Los van alle bijna niet voorstelbare traumatische gebeurtenissen die mijn oma heeft moeten doorstaan benoemde zij regelmatig dat het feit dat haar ouders geen waardige dood hebben gehad en zij op geen enkele manier afscheid van ze  heeft kunnen nemen, haar nog het meest dwars zat.

Mijn oma vertelde mij dat ik als oudste kleinkind het medaillon - waarin twee foto’s van mijn overgrootouders zijn geplaatst - zou erven wanneer zij zelf zou komen te overlijden. Volgens mij heb ik de ketting daarna nooit meer gezien, maar het had zodanig indruk op mij gemaakt dat ik het nooit ben vergeten. Op mijn eenentwintigste overleed mijn oma en werd de ketting dus mijn bezit, na hem een tijdje in een doosje bewaard te hebben, ben ik hem de afgelopen jaren steeds vaker gaan dragen. Ook kijk ik steeds vaker naar de foto’s van Jacob en Anna die voor mijn gevoel aan de ene kant dichtbij mij staan, doordat ze mij verbinden aan de geschiedenis van mijn familie, tegelijk staan ze net zo goed ver van mij af. Ik zie niet een duidelijke gelijkenis met mijzelf en als ik niks over het medaillon zou weten, zouden het net zo goed oude foto’s van volslagen vreemden kunnen zijn. Doordat het oude foto’s zijn, hebben zij van zichzelf al  iets bijzonders en mysterieus. Ze  verwijzen naar het verleden en roepen vragen op over wie die mensen precies waren en wat voor levens zij hadden. Al heb ik hier enige informatie over, toch weet ik meer niet dan wel.  Zo weet ik niet eens waar de ketting is geweest toen mijn hele familie zich in concentratiekampen bevond. Wie heeft hem bewaard? En hoe heeft mijn oma hem eigenlijk weer teruggekregen na de oorlog? Ik kan het haar helaas niet meer vragen.

De foto van mijn overgrootvader lijkt steeds vager te worden en is door de jaren heen ook wat aangetast, er zijn een soort bobbeltjes en kreukeltjes in het beeld ontstaan. Toen ik een paar weken geleden de werken van Marjolijn van der Meij in Galerie Maurits van de Laar zag, droeg ik de ketting toevallig en raakte er met iemand over in gesprek. Terwijl ik vertelde over de herkomst ervan en de foto’s liet zien, realiseerde ik me ineens dat er sprake is van een overeenkomst - een bepaalde mate van beeldrijm - tussen de werken aan de muur en de beeltenis van mijn overgrootvader. De laatste is door het verstrijken van de tijd in de huidige conditie terechtgekomen, terwijl de werken van Marjolein van der Meij juist expres tot een zelfde soort toestand gevormd zijn. Van der Meij gebruikt soms tekeningen, maar vaker nog bestaande ansichtkaarten of oude foto’s die zij verfrommelt en kreukelt, waarbij zij het nieuw ontstane beeld tot stilstand fixeert. De onbekende personen worden hierdoor nog anoniemer, ze zijn meestal onherkenbaar geworden door de kreukels die over de gezichten lopen. Tegelijkertijd lijkt er een soort nieuw leven in de oude afbeeldingen te zijn geblazen, ze zijn minder statisch dan het originele beeld ooit was, door de nieuwe vormen lijkt er letterlijk beweging in te zitten. Niet alleen is er sprake van een beeld dat zich niet meer als een plat vlak tegen de platte muur bevindt, de afbeelding is sterk misvormd geraakt en dit zorgt voor een intrigerende en spannende nieuwe werkelijkheid. De getormenteerde gezichten roepen een onheilspellend gevoel op, ze zijn bijna griezelig om naar te kijken, terwijl ze op hetzelfde moment een sterke aantrekkingskracht op de kijker uitoefenen. Normaal gesproken belanden verkreukelde tijdschriften of oude plaatjes vaak in de prullenmand en krijgen dan geen aandacht meer, hier zorgen de verfrommelde patronen juist voor een krachtig beeld dat allerlei vragen oproept. Niet alleen foto’s van gezichten, maar ook gebruiksvoorwerpen en gebouwen zijn door de kunstenaar op een zelfde manier behandeld. Een deel van een stad die is ontstaan, door foto’s van verschillende gebouwen die naast elkaar zijn geplaatst, lijkt letterlijk in verval te zijn, de wereld is schots en scheef geworden en lijkt zich precies op het moment voor instorting te bevinden. In alle werken is in zekere zin sprake van langzame aftakeling, maar de kunstenaar zoomt juist in op het moment waarop er nog geen sprake is van verdwijning of ondergang, waardoor het proces van verslijting als het ware voor altijd stil is komen te staan.  

De werken zijn nog tot en met 22 maart te zien bij Galerie Maurits van de Laar