Hij vermoordde zijn vrouw en diens minnaar door de ledematen af te hakken, geslachtsorganen te mutileren en tenslotte kogels door hun schedels heen te jagen, nadat hij het overspel ontdekte. Hij bracht zijn jongste kind, waarvan hij niet zeker wist of het van hem was, om het leven, liet een bos kappen omdat het ruisen van de bladeren hem stoorde en de geruchten gaan dat hij dieren martelde en zich liet geselen door zijn personeel. De Italiaanse prins Carlo Gesualdo (1566 – 1613) is een van de meest beruchte en weerzinwekkende componisten uit de geschiedenis, maar schreef ook de meest fantastische muziekstukken die hun tijd ver vooruit waren. Zijn composities overleven al meer dan 400 jaar en behoren nog steeds tot de top van de klassieke muziek. Het enorme contrast tussen zijn afschrikwekkende privéleven en de hemelse muziek is fascinerend, maar moeilijk te doorgronden. Hoe kan iemand zoiets schoons maken terwijl zijn binnenste zo gruwelijk is? Hoe kunnen wij van muziek genieten die tot stand is gekomen binnen een inktzwarte context? En waarom kijken we niet meer naar House of Cards maar luisteren we nog wel naar Madrigali Libro Primo?

In het tijdperk na #metoo kunnen we nauwelijks meer kijken naar de films van Woody Allen, Roman Polanski en Harvey Weinstein zonder ook de seksuele schandalen waar de makers zich schuldig aan maakten te zien. In januari dit jaar werd een tentoonstelling van Chuck Close in de National Gallery in Washington DC afgeblazen, omdat de vrouwelijke modellen een boekje opendeden over seksuele intimidate van de Amerikaanse schilder. De Huffington Post schreef erover ‘‘Chuck Close is a giant of the art world. He’s allegedly also a ‘fucking pervert.’’’ In hetzelfde licht ondertekenden vorig jaar duizenden mensen een petitie om Thérèse Dreaming (1938), een schilderij van Balthus waarop een jong meisje in haar onderbroek te zien is, weg te halen uit the Metropolitan Museum of Art in New York. Balthus, die in 2001 overleed, is berucht om zijn erotisch geladen schilderijen van minderjarige meisjes en de initiatiefnemer van de petitie vind dat zulke perversiteit nou eenmaal niet in een museum thuishoort.

Chuck Close, Big Self-Portrait, 1967–1968
Chuck Close, Big Self-Portrait, 1967–1968

Balthus, Thérèse Dreaming, 1938
Balthus, Thérèse Dreaming, 1938


Ook in Nederland laait de discussie over de schuldige kunstenaar in toenemende mate op. Toen bijvoorbeeld vorig jaar het werk van Pyke Koch tentoongesteld werd in het Centraal Museum in Utrecht, werd het door velen bestempeld als controversieel. Het werk van Koch, die ‘’fout in de oorlog’’ en een openlijk handlanger van fascisme was, heeft een donker imago.
De tendens dat kunst beoordeeld wordt op de morele correctheid van de kunstenaar roept vragen op. Een correcte ideologie van de kunstenaar maakt natuurlijk niet dat het kunstwerk daarom ook goed is. Geldt het omgekeerde dan wel? Kan een foute kunstenaar ook goed werk maken? Of zou kunst per definitie een soort moreel kompas moeten zijn, en de kunstenaar een profeet van het goede?

Het idee dat kunst verbonden is met het idee van ‘morele juistheid’ ligt volgens de Duitse filosoof Rüdiger Safranski diepgeworteld in onze cultuur en heeft te maken met het idee dat kunst een nuttige rol in de wereld zou moeten spelen. Wat is het bestaansrecht van kunst, in een wereld waar kinderen worden verkracht en oorlog zegeviert? Is kunst geen elitaire luxe, zolang het kwaad de wereld niet uit is en de maatschappij verre van perfect? Als een soort van zelfrechtvaardiging zou kunst daarom zichzelf als politiek of moreel kompas op de voorgrond plaatsen, aldus Safranski. Een idee dat in moeilijke tijden versterkt wordt. George Orwel schreef, terugblikkend op de jaren dertig van de vorige eeuw: ‘’Je kunt geen zuiver esthetische belangstelling hebben voor een ziekte waaraan je dood gaat; je kunt niet gevoelloos tegenover een man zitten die zojuist iemand de keel heeft doorgesneden. In een wereld waarin het fascisme en het socialisme tegenover elkaar kwamen te staan, moest ieder weldenkend mens partij kiezen. Die tijd bewees de literatuurkritiek een enorme dienst, omdat het de illusie van het zuivere estheticisme om zeep hielp. Het ontnam de kunst omwille van de kunst haar luister.’’ Een kunstenaar kiest altijd partij en zijn werk is een gevolg daarvan.

Zijn kunst en kunstenaar dan niet van elkaar te onderscheiden? Horen we Wagners antisemitisme terug in zijn Der Ring des Nibelungen? Voelen we de seksuele intimidatie van Chuck Close als we naar zijn hyperrealistische schilderijen kijken? Lezen we de fascistische ideologie af in het werk van Pyke Koch? Koen Kleijn schrijft in december 2017 in de Groene Amsterdammer in een betoog over de tentoonstelling over Koch dat er te weinig aandacht is voor de achtergrond waartegen de schilderijen zijn gemaakt en hij quote daarbij een recensie uit 1955 van Magda van Emde Boas: ‘’Koch schildert met ijskoude nauwkeurigheid en technische volmaaktheid een volkomen ontmenselijkte wereld. (…) Hard, koud, onaangenaam treedt hij ons tegemoet, zoals de fascistische ideologie ons in theorie en praktijk tegemoet is getreden.’’

Pyke Koch, zelfportret met zwarte band, 1937
Pyke Koch, Zelfportret met Zwarte Band, 1937

Over de films van Woody Allen wordt vaak hetzelfde beargumenteerd. Een film als Manhattan (1979), waarin Allen zelf een 42-jarige man speelt die een relatie met een 17-jarig meisje aangaat, krijgt toch een andere lading als je het in de context van zijn vergrijpingen aan minderjarigen en jonge kinderen plaatst. A.O. Scott beargumenteert in zijn artikel My Woody Allen Problem in de New York Times dat door het kijken en liefhebben van zijn films, we Allen op een voetstuk plaatsen en zijn misdaden compleet negeren. Maar zou je dan ook kunnen stellen dat we, door het bewonderen van iemands kunst, zijn of haar persoonlijke leven daarmee ook eren?

Woody Allen, Manhattan, 1979
Woody Allen, Manhattan, 1979

Deze opvatting vindt veel weerstand. Het idee dat kunst een reflectie is van de goede persoonlijkheid van de maker is een illusie. Waarom zou het dan andersom wel zo zijn? Een fout karakter leidt nog niet tot foute kunst. De waarheid van deze stelling in het midden gelaten, zullen de meeste mensen het er mee eens zijn dat tijd een belangrijke factor speelt in het vraagstuk of kunst wel of geen morele functie heeft. Een werk dat honderden jaren geleden gemaakt is heeft geen of nauwelijks meer invloed op de huidige maatschappij. Of je nu wel of niet gelooft in de voorbeeldfunctie van de kunstenaar, het is moeilijk om te beargumenteren dat het onethisch is om naar de muziek van Carlo Gesualdo te luisteren. Als hij als kunstenaar al een voorbeeldfunctie had, is die na 400 jaar wel vervallen.
Sterker nog, zijn kwaadaardige karakter voegt nu iets subliems toe aan de muziek die hij componeerde. Na bijna een halve eeuw ontstaat er ruimte voor extremen die de werkelijkheid te boven gaan. En ontstaat ruimte voor het kwaad, voor de verheelijking van seks en geweld, voor alles wat afstoot en tegelijkertijd aantrekt. Zodra de invloed van de kunstenaar ver genoeg van onze huidige maatschappij afstaat wordt zijn kwaadaardige karakter deel van het kunstwerk. We horen bij het luisteren naar zijn muziekstukken zijn getergde ziel, driftbuien en gekte.

Orwell maakte al duidelijk dat er een tendens heerst om in donkere tijden alleen geëngageerde kunst als legitiem te zien. De kunstenaar verhoudt zich tot de wereld en neemt altijd een bepaald standpunt in. In het tijdperk van #metoo neigen we om ieder werk te interpreteren in de context van het leven van de maker, van zijn schuld of onschuld. Uiteraard moeten de daders hard aangepakt worden en hen het podium voor een lange tijd ontzegd worden, maar het is een misverstand om te denken dat hun kunst even slecht is als de maker. Niet altijd reflecteert het werk zijn gruwelijke binnenwereld. Hitler is een van de grootste monsters die de geschiedenis heeft gekend, maar zijn schilderijen van landschappen en steden zijn braaf en vertonen geen schrijntje van zijn ijzingwekkende karakter. Zoals Charlotte Mutsaers in mei in een radio interview bij Kunst is Lang zei: ‘‘We leven in een tijd waarin een kunstwerk vooral beoordeeld wordt op de correctheid van de ideologie die erachter zit, maar een boek moet toch op de eerste plaats een boeiend en goed geschreven boek zijn? Je hoeft absoluut geen goed mens te zijn om van kunst te houden. Dat is een heel raar mensbeeld.’’

Theatergroep de Warme Winkel voert samen met het Nederlands Kamerkoor deze zomer een stuk op over Gesualdo en onderzoekt daarmee het sublieme van de driehoek seks, geweld en kunst. Het stuk gaat op 22 juni in première tijdens het Holland Festival