Op een druilerige vrijdagmiddag levert expositieruimte 1646 het bewijs dat soms, heel soms, een set fluorescerend gele oordopjes het enige is dat je nodig hebt om kunst te bekijken. 

Bij binnenkomst word ik al gewaarschuwd: ‘Ik kan de installatie niet al te lang aan laten staan, want anders gaan de buren klagen’. Een harde ruis van windmachines, bijgestaan door onbestemde tonen, vecht zich een weg door de eerder zo vredige ruimte. Wanneer de schuimpjes in mijn oren zitten, verandert het gewelddadige geluid in een doffe dreun. Alsof de herrie mijn zicht hiervoor overschaduwde, krijg ik nu pas de mogelijkheid om de ruimte goed in me op te nemen. Drie steeds naar beneden vallende en weer opkrabbelende poppen kijken me aan vanuit de hoogte. Waar de figuren normaal gesproken een vrolijk onthaal vormen voor bezoekers van de opening van een nieuw voetbalstadion of winkelpand, lijken de poppen in 1646 minder onbevangen van aard. De wenkbrauwen van de voorste man – ik vind dat het mannen zijn – zijn zo donker, grillig bijna. Hij danst niet. Hij vecht. Met zijn tweekoppige achterban intimideert hij zijn kleine, nietige opponent die geen stap dichterbij durft te zetten.

What the fuck.

Dennis Tyfus - Enfant Terrine tentoonstelling
Dennis Tyfus - Enfant Terrine tentoonstelling

Mijn ogen zoeken naar een zaaltekst met Jip en Janneke uitleg om dit brutale kunstwerk te kunnen verhelderen. Ik vind geen zaaltekst. Ook geen audiotour. Ik zal het moeten doen met de woordeloze dialoog die ik voer met de steeds bozer wordende figuren. Waar er bij de theoretische Documenta 14 ellenlange teksten werden getoond met uitleg dat iedere mogelijkheid op eigen verbeelding vernietigde, kiest deze instelling voor het ongewisse. Soms is het essentieel dat een kunstwerk theoretische ondersteuning krijgt, maar door het publiek nu een keer niet te dwingen tot een specifieke betekenis van het werk, blijft er ruimte voor de durf die zo aangenaam aanwezig is in dit werk. Wat een verademing.

Het is voor vele musea verleidelijk om op veilig te spelen. Bekende Nederlanders worden uitgenodigd om bezoekersaantallen te waarborgen en evenementen met dj’s en gin-tonic worden georganiseerd om een veelal jong en hip publiek te trekken. Zo werden Nick en Simon vorig jaar het uitgangspunt voor een tentoonstelling in de Fundatie, het Rijksmuseum sloeg deze maand de handen ineen met zanger Dotan naar aanleiding van zijn oproep om eerlijke socialmedia verhalen te delen en het Van Gogh Museum organiseert iedere vrijdag Vincent op Vrijdag waar je kunt ‘genieten van cocktails, muziek, VJ’s en gratis rondleidingen in het museum'. Begrijp me niet verkeerd, het is goed dat er wordt nagedacht over het toegankelijk maken van kunstmusea, maar het voelt toch vaak alsof er met deze op maat gemaakte pakketten bruggen worden geforceerd tussen kunst en beschouwer. Het experimentele 1646 bewijst dat deze poespas niet altijd nodig is en het publiek zelf ook kan bouwen. Ieder zijn eigen brug.

‘De show is over’, hoor ik achter me. De stekker wordt vastberaden uit het stopcontact getrokken. Een laatste zucht wind zoekt zijn weg door de lichamen van de inmiddels lusteloze poppen. De oordoppen kunnen uit. Ik zou ze weg kunnen gooien, maar ik bewaar de set in het voorvakje van mijn tas, als fysieke herinnering aan de brutaliteit van 1646. Als ik bij mijn vertrek de grote glazen deur achter me sluit, besef ik: een plek waar gedurfde kunst wordt getoond (hallo bewegende poppen met keiharde herrie), moet zelf ook lef hebben. En laten we deze plekken alsjeblieft koesteren.