Image

Onmenselijke afstand

19 Jul 2018 Sophie Smeets

In mei 2007, middenin de Irakoorlog, startte de Irakees-Amerikaanse kunstenaar Wifaa Bilal het project Domestic Tension, een performance waarbij hij zichzelf 30 dagen opsloot in een kamer in een galerie in Chicago. De ruimte ter grote van een gevangeniscel was voorzien van niets anders dan een bed, een tafel met een computer, een webcam en een robot met een paintball geweer dat door iedereen met een Internet connectie bediend kon worden. Binnen een paar uur na de start van het project waren de 1000 paintball kogels die hij in eerste instantie mee had genomen al verschoten en de boeken waarmee hij de tijd dacht te doden bleken overbodig. Bilal leefde 30 dagen onder constante dreiging van het paintball geweer, dat niet alleen serieuze blauwe plekken op kan leveren maar ook gepaard gaat met het geluid van een semiautomatisch wapen wanneer het de stinkende verfkogels afvuurt. Aan het eind van de maand was hij 65.000 keer beschoten door mensen uit 168 verschillende landen, die hem via de webcam thuis achter de computer konden bekijken.

Wifaa Bilal, Domestic Tension, 2007
Wifaa Bilal, Domestic Tension, 2007

Veel mensen worden onmenselijk wanneer ze zich veilig thuis achter de pc wanen. Op social media wensen ze elkaar de meest verschrikkelijke dingen toe, die, mochten ze hardop gezegd worden, als serieuze bedreigingen opgevat zouden worden. Er wordt vaak beweerd dat het kwaad naar voren komt zodra je kunt verdwijnen in de anonieme krochten van het internet. Iedereen weet echter dat dit allang niet meer mogelijk is en dat je altijd traceerbaar blijft. Sterker nog, weinig mensen doen überhaupt de moeite om hun identiteit te verbergen wanneer ze anderen online beschimpen. Waar komt het gemak vandaan waarmee mensen op deze manier anderen verbaal of fysiek geweld aandoen? Verdwijnt ons morele kompas zodra we de effecten van onze daden niet direct kunnen waarnemen?

Wifaa Bilal stelt met zijn werk vragen over de ‘slimme’ hedendaagse bommen die worden gelanceerd vanuit een controle kamer ver van de gevechtszone, gericht om bepaalde doelen te raken en specifieke mensen te doden. In theorie lijkt het vooral een positieve ontwikkeling: minder volledige steden worden met de grond gelijk gemaakt, het aantal burgers dat slachtoffer valt aan het geweld zou kleiner worden, en bovendien is een drone goedkoper dan mankrachten naar het oorlogsgebied te sturen. Er gebeuren zoals we weten echter veel ongelukken: regelmatig wordt een school of een kerk in plaats van een legerbasis of onderduikverblijf van een gezochte terrorist opgeblazen. En het herkennen van het gezicht van de vijand doormiddel van kunstmatige intelligentie blijkt in de realiteit ook niet altijd gemakkelijk. De oorlog in Irak die van 2003 tot 2011 woedde was een van de eerste oorlogen waarin onbemande wapenvliegtuigen op grote schaal werden ingezet. Terwijl het Amerikaanse leger hierdoor vanaf een veilige afstand aanslagen kon plegen, leefde de Irakese bevolking onder constante dreiging van de onzichtbare vijanden. Wat betekent deze verandering in oorlog voeren? Maken mensen andere beslissingen als ze de persoon aan het ontvangende eind van het geweer niet meer aan kunnen kijken? Maakt deze grote afstand tussen dader en slachtoffer niet dat mensen daardoor tot veel meer in staat zijn?

Wifaa Bilal, Domestic Tension, 2007
Wifaa Bilal, Domestic Tension, 2007

Je zou het sadistisch kunnen noemen, maar het is ook logisch dat zoveel mensen deelnamen aan de performance van Bilal. Hij drukt met Domestic Tension een vinger op de zere plek: geweld plegen vanachter je computer blijft een spel. Ook al ben je je van de gevolgen bewust, als dader voer je enkel een virtuele actie uit die zo veel lijkt op het lossen van schoten in een videogame dat het best voor te stellen valt dat je ook een keer zou drukken.
Een moderne oorlog, schrijft Bilal in zijn boek Shoot an Iraqi: Art Life and Resistance under the Gun, wordt op dezelfde manier gevoerd. De bestuurder van de drone speelt een computerspel, maar de mensen in het oorlogsgebied leven in continue angst neergeknald te worden door iets dat onzichtbaar, onvoorspelbaar en onaantastbaar is.

De Nederlandse filmmaker David Verbeek maakte de film Full Contact (2015) over de andere kant van de effecten van het verdwijnen van het menselijke contact in een oorlog. De film vertelt het verhaal van de Amerikaanse dronepiloot Ivan en het psychologische proces dat hij ondergaat wanneer hij per ongeluk vanuit zijn veilige container in de Nevada woestijn een doelwit op het grensgebied tussen Afghanistan en Pakistan opblaast dat een school blijkt te zijn in plaats van een terroristenbasis. Hoewel hij geen ooggetuige is van zijn eigen verwoesting, is dat juist wat hem opbreekt. Het is een moeilijk te plaatsen trauma: een aanslag plegen waar je zelf niet bij bent, kun je dat voor jezelf rechtvaardigen? De afstand tot het doelwit maakt koud, en een aanslag op afstand voelt haast laf. Hoewel het een fictieve film is, is hij documentair realistisch. Ex-dronepiloot Brandon Bryant vroeg Verbeek ‘’How did you get into my head?’’ bij het zien van een ruwe versie van de film.

In een interview met Kees Driessen voor het Internationale Film Festival Rotterdam 2016 zegt David Verbeek dat de film vooral gaat over onze relatie tot het scherm. We creëren zoveel virtuele lagen tussen onszelf en de ander, dat het moeilijk is onderscheid te maken tussen wat echt is en wat niet. We raken ervan in de war. De menselijkheid verdwijnt.

David Verbeek, Full Contact, 2015
David Verbeek, Full Contact, 2015

Dat de problematische afstand tussen dader en slachtoffer niet altijd fysiek hoeft te zijn wordt uitgelicht in de documentaire The Act of Killing (2012) van Joshua Oppenheimer. De film gaat over de ongelooflijk gruwelijke gebeurtenissen van 1965 in Indonesië, waar paramilitairen in opdracht van het leger meer dan een miljoen vermeende communisten, etnische Chinezen en intellectuelen werden vermoord. Vijftig jaar na de genocide zijn de daders nog steeds niet berecht. Sterker nog, ze worden gezien als nationale helden, als rolmodellen voor de jongeren. ‘‘Oorlogsmisdaden worden gedefinieerd door de winnaars van de oorlog.’’ Zegt hoofdpersoon Anwar Congo, een trotse massamoordenaar, terecht. Oppenheimer volgde Anwar en daagde hem en zijn vrienden uit om de moorden na te spelen en te verfilmen, om vast te leggen waar ze zo trots op waren. Hoewel ze enthousiast aan het project begonnen alsof ze heldhaftige filmsterren waren, werden ze door het acteren geconfronteerd met de gruwelijkheden die ze zelf hadden aangericht. De distantie tot de slachtoffers werd verkleind. Plotseling speelden ze zelf de rol van ‘de ander’ of ‘de communist’. Geschokt komt Anwar tot de realisatie dat hij zich voor het eerst kan inleven in de slachtoffers van die gruwelijke oorlog.