Image

Ontsnapt aan jezelf

14 Oct 2013 Paul Kempers

Kasteel, nachtclub, palazzo.
Jonkheer, hertog, baron.
Industriëlen en rock chic.
Jazzpianisten, acrobaten, Coco Chanel.
Achthonderd kwartflessen van de allerbeste champagne, fonkelend in de ochtendzon.
Minks, nerts’ en sabelbonts zachte streling.
Smoking en black tie.
Celebrities met cheetah of leeuwenwelp aan de lijn.
Het blauw geverfde doodshoofdaapje op de schouder van de gastheer, de gedrogeerde boa constrictor in het decolleté van de markiezin.
Yves Saint Laurent, Pierre Cardin en Christian Dior.
Salvador Dalí’s wandelstok van oud-Catalaans notenhout, meetikkend op de maat van een wals; rode mieren krioelen tussen de dubbele glazen van zijn bril, Amanda Lear aan zijn zijde.
Arm in arm met Kees van Dongen, Tristan Tzara en Marcel Duchamp: graaf en gravin de Noialles.
Avant-garde houdt mecenas hoog.
Racewagens met onuitspreekbare, Spaans klinkende namen, ontworpen door even briljante als obscuur gefortuneerde autogekken.
Nicolaas II, de laatste Russische tsaar, op het Romanov-bal in het Winterpaleis, 11 februari 1903, Sint-Petersburg houdt de adem in, veertien jaar voor de beslissende revolutie.
Op de absintkleurige bar lichtgevende likeuren.
Applaus voor de entree van de zorgvuldig gekamde circuskameel, op zijn bult een Franse langbenige starlet.
Marcel Proust als doodzieke eregast.
Frank Sinatra, met masker en aanstormende hangover.
Lee Radziwill, zus van Jacqueline Bouvier-Kennedy, gespot door de verslaggever van The New York Post.
VanderBilt, Rockefeller en Guggenheim.
Serge Gainsbourg, Jane Birkin.
Mick Jagger, Andy Warhol en Truman Capote.
Dansers en vuurwerkgoochelaars, Nubische slaven brengen u verkoeling met wuivende palmbladeren.
Ons motto is: ‘Bohemians, blue blood and artists.’
Graaf Étienne de Beaumont, zonnekoning van de roaring twenties, klapt in zijn adellijke, ragfijn geaderde handen.
Achter de geblokte gestalte van Picasso verbergen zich Satie, Matisse en Cocteau.
Marchesa Casati, minnares van Italiaanse dandy en dichter Gabriele d’Annunzio, bijna geëlektrocuteerd bij het aantrekken van haar lichtgevende maliënkolder.
‘Dit masker, met paarlemoeren ingelegd, is van het zachtste fluweel dat de Levant ooit heeft gebaard.’
‘Toon mij Cleopatra en ik zal zeggen wie u bent.’
‘Per zwartgelakte gondola arriveert u voor het Palazzo Labia aan het Canal Grande. Daarna bent u overgeleverd aan de grillen van Don Carlos de Beistegui.’
‘Het thema? Duizend-en-twee-nacht.’
Cecil Beaton fotografeert.
Een schitterende entree.
Welkom op het bal.

Is dit jouw roes of de mijne?

‘Een verdwenen wereld’ noemt Nicholas Foulkes de traditie van het gekostumeerde bal in de kringen van oude adel, haute bourgeoisie en kunstenaars. Hij schreef er het luxueus uitgegeven Legendary Costume Balls of the Twentieth Century over, waarin negen beroemde balfeesten uit de twintigste eeuw in woord en beeld voorbijtrekken. De luxueuze grootformaatpublicatie die toch geen koffietafelboek is, verscheen vorig jaar bij Assouline Publishing in New York.
Prachtige, stijlvolle zwart-witfoto’s staan erin, met opnamen van dito stijlvolle mannen en vrouwen in kostuums, de ogen verscholen achter katten- en vlindermaskers. Anonieme figuren, bijeengebracht in tableaux vivants in de palazzo’s, kastelen en nachtclubs van het oude Europa, gehuld in oriëntaalse gewaden en oud-Russische kostuums, met gekrulde Tataarse laarzen van zacht hertenleer aan de voeten of verkleed als hovelingen uit de Baroktijd.
Maandenlang hebben de deelnemers aan de voorbereidingen gewerkt, de beste ontwerpers, kleermakers en kappers in de arm genomen om aan de voorschriften van het gekostumeerd bal te voldoen.
Niemand op de foto’s is zichtbaar aangeschoten.
Dat kan ook niet als je in je zorgvuldig uitgekozen, op maat gemaakte outfit je nauwkeurig gechoreografeerde entree moet maken; dan voer je je ingestudeerde danspassen vlekkeloos uit, maak je een buiging naar de gastheer en -vrouw en voeg je je bij de rest van de gemaskerde gasten, die tot aan het einde van het diner hun manieren weten te bewaren.

‘Een bal geven is niet hetzelfde als jezelf kostelijk vermaken,’ liet baron De Rothschild weten toen hij aan het eind van zijn bancaire leven zijn memoires schreef. De gefortuneerde liefhebber van extravaganza somde eens nauwkeurig alle voorbereidingen op die nodig zijn voor een geslaagd gekostumeerd bal; van de tafelschikking tot het bloemenarrangement, van de juiste belichting en decoraties tot aan de keuze van de gasten en de menulijst: de organisatie van een high concept-feest blijkt even gecompliceerd als die van een museumtentoonstelling, militaire operatie of theaterstuk in meer bedrijven.
Nooit mogen de gastheer en -vrouw het uiteindelijke doel uit het oog verliezen: de feestelijke ontsnapping aan de grauwe werkelijkheid. ‘Is het niet onze taak,’ schreef Rothschild, ‘om, ieder naar zijn eigen stijl en smaak, het leven te verrijken met wat overbodig en weelderig is en het te verfraaien met een paar flitsende, korte momenten van ongrijpbare schoonheid?’
Het bal als zorgvuldig georkestreerd moment van vervoering, een roes van luxe, beauté, volupté, een hypergestileerde vlucht in een andere tijd, een verfijnd Gesammtkunstwerk, even vluchtig als de ijle fragrance van een jasmijnparfum uit de Shanghaidelta... Ontsnapt aan je alledaagse zelf leef je dubbel intens.

Stijl is alles, schreef dichter-van-de-goot Charles Bukowski eens. (‘Style is the difference, a way of doing, a way of being done./ Six herons standing quietly in a pool of water,/ or you, naked, walking out of the bathroom without seeing me.’)
Stijl is wat de balbezoeker onderscheidt van de gewone man.
Stijl is wat de deelnemers in hun kostbare kostuums ervan weerhoudt weg te zakken in een zompige alcoholische roes.
Hen zul je niet aantreffen in een achterafsteegje, de met kreeftvlekken besmeurde black tie hangend op de navel, gescheurde spaghettibandjes fladderend in de koele ochtendwind, schreeuwend naar de daken of hysterisch androgyne liefdesverklaringen aan Amanda Lear stamelend.
Wie het kostuum aantrekt van een zeventiende-eeuwse zonnekoning, zich vermomt als baron Charlus uit Marcel Prousts À la recherche du temps perdu of zich als mysterieuze prinses van achter de Bosporus verkleedt, vindt zijn bedwelming in de perfecte stilering, constateert Nicholas Foulkes in zijn erudiete studie van de sociologie van het bal.
Hij selecteerde foto’s van het Romanov Ball uit 1903 in Sint-Petersburg, waar vrijwel alleen hoge Russische adel aanwezig was, tot aan het door baron en barones De Rothschild in 1971 georganiseerde The Proust Ball, dat werd bezocht door de jetset van de jaren zeventig, die curieuze mix van lagere adel, popsterren, kinderen van de Zeer Rijken (‘spoiled brats’) en beroemde schrijvers en filmsterren.
Het was het bal waar hoffotograaf en estheet Cecil Beaton vilein opmerkte dat Elizabeth Taylor er zo schokkend vulgair uitzag, ‘een superbejaarde Assepoester met plompe, ruwe handen en een te grote diamant om haar nek.’
Daarna, zei Rothschild, leek het alsof er een einde was gekomen aan een tijdperk.

De tijdelijkheid van het bal komt overeen met de tijdelijkheid van de roes. Wat ervan overblijft is – cliché der clichés – de herinnering. De nabeelden die zich in de harde geheugenschijf nestelen zijn die van de meeslepende mise-en-scène, het decor dat de gasten de indruk gaf zich in een andere tijd te bevinden; om nog maar te zwijgen van de hoogstandjes van de chef-kok, de oogverblindende kostuums en de kwikzilveren je ne sais quoi-sensatie die zo kenmerkend is voor alle feestelijke bijeenkomsten waar de champagne stroomt.
Het is precies dat vliedende, kortstondige gevoel dat fotografen als Man Ray, Cecil Beaton, Baron de Meyer en Horst P. Horst wisten vast te leggen, en dat zo anders is dan de herinnering aan het doorsnee feest.
Kijk ’s naar die Eyes Wide Shut-achtige opname van Jacqueline de Ribes, nicht van graaf Étienne de Beaumont, het brein achter vele spraakmakende bals uit de periode 1915-1955. Op het bal van Don Carlos de Beistegui verscheen zij in drievoud, geflankeerd door twee vrouwen van dezelfde lengte en ongeveer hetzelfde postuur, verscholen achter identieke maskers, gekleed in dezelfde jurken, van identieke juwelen en kapsels voorzien. Een imposant staaltje stilering, een perfecte verdwijnact van het ego, een waarachtig kunstwerk, ‘dat een paar uur tot leven komt, de nacht verlicht in al zijn meerkleurige pracht en uitdooft bij het eerste licht van de langzaam tevoorschijn kruipende grijs-roze dageraad’. En dat is precies zoals het geweest moet zijn. Jammer genoeg waren we er niet bij.

Nicholas Foulkes, Legendary Costume Balls of the Twentieth Century. Assouline Publishing, New York, 2011.