Zeven boekjes samengehouden door een witte wikkel en de naam van het geheel: Now will be not with us forever. Elk boek draagt zijn eigen pastelkleur en titel, de één is dikker dan de andere. De man achter deze fotoboekjes is Maurice van Es.

Ik zie bruine vlekken op muren, opgestapelde afstandbedieningen, een blauwe handdoek aan een waslijn. In elk boekje vind ik een andere objecten, een relatie tussen alle foto's zie ik niet direct. Elke serie heeft het alledaagse in zich, je zou dezelfde voorwerpen bij mij of jou in huis kunnen vinden. De foto’s zijn stuk voor stuk lekker van kleur, de composities strak en helder.
De verschillende series vormen samen het werk waarmee Maurice van Es in 2013 aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag afstudeerde. Een 'zwart gat na de academie' lijkt hij niet gezien te hebben: de fotoboeken zijn uitverkocht (een tweede oplage is onderweg). Bovendien exposeert Van Es binnenkort bij Liefhertje en de Grote Witte Reus, exposeerde hij al bij galerie Ron Mandos en ergens in New York, won hij een prijs (2500 euro voor nieuw werk bij Portfolio Review tijdens Dusseldorf Photo) en siert zijn werk op een aantal covers.

In Textures of childhood, één van de zeven pastelkleurige boekjes, fotografeert Van Es details van stoffen in oude familiefoto’s. Je ziet patronen van behang, een dekentje met een hertje erop en een kortharig vloerkleed: de texturen waar de fotograaf zich in omringde tijdens zijn jeugd. Niet alleen krijgen we een kijkje in zijn kinderjaren, in een andere serie hij toont ons ook de kleding die hij droeg in het jaar 2012. Ook in deze serie, Putting on 2012 getiteld, zien we details van texturen. Uit zijn kleding spreekt dezelfde voorkeur voor frisse kleuren als uit zijn foto's. Sommige foto’s in het boekje zijn abstracte beelden geworden, waar het ergens nog net is te herkennen als kleding.

In New Life kijk ik naar iemand die wegloopt, telkens bij hetzelfde huis. In de serie legt Van Es de laatste glimp van zijn vertrekkende broertje vast. Van Es schreef zelf een stukje over deze serie in mister Motley #33: Over onze ouders:
'… Dan kwam ik aanlopen met mijn camera en had-ie zoiets van: daar komt die gek weer. Wat moet-ie van me? Bij het terugkijken van de foto’s valt op dat ik vooral zijn spulletjes heb gefotografeerd. Zijn collectie rode autootjes  die langzaam plaatsmaakte voor eenzelfde hoeveelheid lege flesjes Flügel. Foto’s waar hij zelf op staat zijn er amper, al vond ik nog een paar foto’s waarop de camera probeert te ontwijken. Ik wiste deze foto’s normaal gesproken. Jammer, want achteraf typeren juist die foto’s mijn broertje in die tijd het beste. Ik was erger dan een ouder. Als een overbezorgde vader zat ik op zijn nek tot het zelfs mijn ouders te gek werd. ‘Laat dat joch met rust.’ Inmiddels heb ik het fotograferen van mijn broertje opgegeven. Wel maak ik iedere keer als hij weggaat een foto van het laatste dat ik nog kan zien.'

Op de tafel waaraan ik zit, staat een vaas met bloemen. De vaas is wit, het boeketje kost ongeveer twaalf euro. Naast mijn laptop staat een glas: in het glas past 0,2 liter water, maar dat zit er niet in. Je kan op verschillende manier kijken naar objecten. Als kind kijk je op een hele associatieve manier en geef je elk object een leven. Als een knuffel valt, heeft die knuffel pijn. Naarmate de jaren vorderen kijk je veelal op een meer praktische manier naar zaken.

In 1983 werd een klein onderzoek gedaan door een psychologie professor genaamd Sybil Barten, naar de verschillen in kijken tussen kunstenaars en wetenschappers. Beide groepen kregen een aantal voorwerpen voorgeschoteld, alledaagse objecten als een tak, fles en vaas. Een wetenschapper beschreef één van de objecten als volgt: ‘I guess you‘d call it a flask. 3” in length. Made of glass. Inside diameter of the neck is about ¾”; outside diameter about an inch’49. Een kunstenaar over de fles: ‘Sensous. Feminine somehow. Heavy. Glass. Manmade but there’s more beauty to it’.

De kunstenaars spraken op een associatieve en esthetische manier over de objecten, de wetenschappers op een meer objectieve manier waarbij ze vooral de praktische kenmerken van de objecten benoemden. Kinderen en kunstenaars kunnen op diezelfde esthetische, affectieve manier kijken naar levensloze objecten. Dat betekent niet dat kunstenaars op dezelfde manier waarnemen als kinderen: kunstenaars kunnen zowel praktisch en objectief naar zaken kijken, als esthetisch en affectief. Zij zien niet als het eerste het praktische nut van het object, maar juist de esthetiek van het materiaal, de kleur en het licht en min wat ze zien bovendien associaties en herinneringen.            

Maurice van Es lijkt te zeggen: Kijk om je heen! En ook een beetje goed graag. Zie kleuren, zie composities, zie materiaal. Niet zomaar maar kijken, maar echt zien. Maurice van Es kan goed kijken, dat wordt wel duidelijk uit zijn foto’s. Als kijker ontdek je deze beelden opnieuw, want herkenbare praktische zaken worden opnieuw getoond. De fotograaf schrijft in één van de boekjes ergens: ‘Photographs made while living my life’. Een prachtige uitleg voor zijn werk; alle stillevens die hij fotografeert lijken op simpele plekken te vinden. Alleen wij zagen ze niet, hij wel.

Kijk voor meer informatie op de website van Maurice van Es.

Meer over het onderzoek van Sybil Barten:
Barten, S.S. (1983). The aesthetic mode of consciousness. In: S. Wapner en B. Kaplan (Eds.), Towards a holistic developmental psychology. Hillsdale (N.J.): Lawrence Erlbaum Associates

Maurice van Es, To me you are a work of art
Maurice van Es, To me you are a work of art

Maurice van Es, The past is a strange place
Maurice van Es, The past is a strange place