Mister Motley heeft een boek gemaakt. Koop hier 'Dit is een vertaling'.

Image

Mens-zijn als praktijk - voorbij het post -en transhumanisme

19 Mar 2018 Lietje Bauwens

Voorbij het post -en transhumanisme

De realisatie dat we met on(be)grijpbare ecologische veranderingen te maken hebben is de afgelopen jaren sterk doorgedrongen in zowel theoretische als artistieke kringen. Op zoek naar een nieuwe omgang met fenomenen als klimaatverandering en algoritmische structuren die zo groot en onnavolgbaar zijn en zulke wijdverspreide tentakels hebben dat ze het menselijke voorstellingsvermogen overstijgen – ook wel ‘hyperobjecten’[1] genoemd - stellen onder andere Timothy Morton en Bruno Latour dat ook niet menselijke, natuurlijke en technologische, entiteiten, agency hebben, actoren zijn. Ze pleiten voor het opheffen van het verschil tussen subject en object, natuur en cultuur.

 

Met een term als post-humaan pogen Morton en Latour voorbij te gaan aan een mens-gecentraliseerd beeld van de wereld, tegelijk proberen techno-utopisten met ‘trans-humane’ voorstellen de menselijke, volgens hen ‘gebrekkige’, natuur te overkomen door het lichaam te reduceren tot een keten van data. Door woorden als ‘post-’ of ‘trans-’ voor ‘mens’ te zetten, wordt de natuur-cultuur dichotomie echter helemaal niet opgeheven, maar wordt juist vastgehouden aan een beperkt mensbeeld dat zich positioneert naast natuurlijke en technologische veranderingen. Zo heb je de ‘simpele’ mens versus haar technologische ‘trans’formatie en schetst Latour een netwerk van mensen en niet-mensen, zonder echt in te gaan op wat dit dan betekent voor het mens-zijn. Een bruikbaardere term lijkt me het inhumanisme, dat erkent dat mensen altijd al (op ongelijkwaardige wijze) gesitueerd zijn in, en bestaan uit, hun natuurlijke en technologische omgeving. Een inhumaan mensbeeld maakt het mogelijk niet alleen een verantwoordelijke verhouding te creëren van mensen jegens niet-mensen, maar om ook verantwoordelijk na te denken over de invloed die niet-menselijke veranderingen hebben op de mensheid en de sociale ongelijkheden die zich hierbinnen bevinden.    

 

Hoe kan de mens zich op gelijkwaardigere wijze dichterbij niet-menselijke, technologische en natuurlijke, objecten plaatsen, zonder hier een eigen invulling aan te geven? Is het mogelijk om te gaan met de ‘trouble’[2] die klimatologische en technologische veranderingen aanrichten, wanneer die worden weggeschoven als ‘post-’ of ‘trans-’ humaan?  Terwijl deze concepten het idee geven dat een focus op de mens niet meer bij de tijd is, zijn de voorstellen die zij doen tegenstrijdig genoeg enorm mens-gecentreerd: zo ontwerpt Latour een ‘parlement van de dingen’ waarin hij niet-mensen een politieke stem en rechten poogt te geven, terwijl hij deze vervolgens niet alleen laat vertegenwoordigen door wetenschappers maar ook nog eens in structuren plaatst die door de mens zijn opgezet. Silicon Valley verkondigt trans-humane ideeën maar geeft deze vorm vanuit het menselijk perspectief van hoe een technologische droomwereld er dan uit zou moeten zien. Een perspectief dat bovendien geen rekening lijkt te houden met huidige sociale ongelijkheden, en dus ook niet met de (re-)organisatie hiervan in hun utopische tech-scenario’s. 

 

Waar Latour met zijn voorzetsel ‘post’ van het ‘humanisme’ af wil, en het trans-humanisme hier juist een voortzetting on steroids van is, besteden beiden geen aandacht aan de gevolgen die niet-menselijke actoren hebben op (de sociale verhoudingen) tussen mensen. Het ‘inhumanisme’ is in die zin bruikbaarder, omdat het niet voorbij poogt te gaan, maar juist verandering wil brengen binnen de verlichte ideeën van het humanisme. Het erkent het humanistische project als een toewijding aan, maar vooral een continue uitbreiding van wat het betekent om (op dit moment) mens te zijn. Zoals filosoof McKenzie Wark kernachtig samenvat: “The inhuman is a bundle of flesh-tech agencies that are also called labor, working in-and-against nature, producing the appearance of a world apart from nature, yet always extruded from it and venting back toward it.”[3]

 

Filosoof Reza Negaristani werkt het filosofische concept ‘inhumanisme’ uit in zijn tweedelige essay Labor of the Inhuman en benadrukt dat het hiervoor in eerste instantie noodzakelijk is om onszelf wel degelijk te committeren aan het humanisme, om deze vervolgens te ontdoen van alle op het eerste gezicht vaststaande en evidente karakteristieken en de rede te zien als een “constructable hypothesis, a space for navigation and intervention” [4]. De mens is niet alleen altijd al gesitueerd in een natuurlijke en technologische situatie, welke dus ook ons mens-zijn bepaalt, maar het is daarnaast inherent menselijk om een actieve rol te kunnen spelen in de vormgeving hiervan. Het inhumanisme stelt geen definitie van mens-zijn voor, maar verstaat dit daarentegen als een eeuwige en voortdurende praktijk.

 

De gangbare, praktische definitie van ‘inhumaan’ is ‘onmenselijk’, ‘wreed’ – het tegenovergestelde van de verlichte idealen, zoals gelijkwaardigheid en vrijheid, die het humanisme voorschrijft. Het verrast dan ook niet dat het inhumanistische idee van de menselijke identiteit als performatieve daad al decennialang sterk aanwezig is in Feminist en Racial Studies. Hierin wordt aangewezen dat het humanistische project nooit neutraal, maar juist altijd doordrongen is geweest met patriarchale en witte machtsstructuren. Het humanistische, verlichte subject is een witte man. Maar dit betekent niet dat we van het humanisme en haar af moeten, stellen bijvoorbeeld de xeno-feministen: “To claim that reason or rationality is ‘by nature’ a patriarchal enterprise is to concede defeat.” Ze stellen structurele, ideologische maar ook technologische bijsturing voor; het is geen geheim dat vooral minderheden te lijden (zullen) hebben onder klimatologische rampen en gender –en raciale ongelijkheden in het totstandkomingsproces van technologische ontwikkelingen zorgen voor een nog grotere kloof in de uitwerking hiervan, maar in plaats van dit te negeren zoeken de xeno-feministen, en andere feminist en racial theoretici met een inhumanistische insteek naar nieuwe, nog onbekende, invullingen van rationaliteit, kennis en mens-zijn.

 

“Freedom is not liberation from slavery. It is the continuous unlearning of slavery,”[5] stelt Negaristani en het inhumanisme wordt door sommige feministische en raciale theoretici dan ook ingezet ter ontkrachting van het humanistische zogenaamd ‘vrije en gelijke subject’ en te onderstrepen dat het daadwerkelijke humanistische, of beter gezegd: inhumanistische, project bestaat uit een menselijke strijd van ont-slaving. Juist zij die altijd inhumaan behandeld zijn, een ‘inhumane’ positie hebben gehad of hebben binnen de maatschappij, kunnen als voorbeeld dienen voor een inhumanistische praktijk die bestaat uit het constant herdefiniëren van wie ‘de mens’ is, waar zij staat en wat mogelijk is. Ont-slaven gaat over de toe-eigening van wat ontzegd is, wat mogelijk kan, en zou moeten, zijn. De menselijke rationaliteit is (altijd al) dynamisch (geweest), stelt het inhumanisme; door speculatief, ambitieus en voorbij het natuurlijke te denken kunnen de grenzen van de rede steeds zowel in kaart worden gebracht, als keer op keer worden verlegd. “Reason’s main objective is to maintain and enhance itself, and it is this self-actualization of reason that coincides with the truth of the inhuman.”

 

Hoe dan om te gaan met de ‘trouble’ waarin we ons begeven? Het ‘inhumanisme’ stelt dat het niet voldoende is om slechts te erkennen dat niet-menselijke actoren ‘een eigen wil’ hebben, en een logica volgen die voor de mens misschien niet begrijpelijk is. Deze enkel als zodanig, in hokjes als ‘post-’ en ‘trans-’ te categoriseren, geeft de mens nog geen handvatten hier vervolgens progressief mee om te gaan. Vanuit de erkenning dat deze (technologische en natuurlijke) onbegrijpelijkheden niet buiten ons menszijn liggen, maar dat ons menszijn precies bestaat uit de continue aftasting en incorporatie hiervan, wordt het mogelijk de confrontatie aan te gaan met niet-menselijke actoren en hun gevolgen voor het mens-zijn. Het inhumanisme is een nooit concluderende (re)constructie en stretchoefening, “fundamentally revising not only what we understand as thinking, but also what we recognize as “us” [6].

 

Wat bedoelt Negaristani hiermee? Hoe kunnen niet-menselijke actoren ons iets leren, ons verbeteren, het menselijk denkvermogen uitdagen en daarmee oprekken? Hoe kunnen we verder gaan dan de natuur (onze) rechten geven, maar juist leren denken zoals de natuur of de technologie? doet? Dit werpt interessante, speculatieve projecten op. Zo deed architect Merve Bedir jarenlang onderzoek naar de Maritsa rivier in de Balkan en naar de manier waarop de Roma honderden jaren in een gelijkwaardige relatie met de rivier hebben geleefd. Ze bouwt verder op deze kennis wanneer zij overweegt hoe de rivier op een nieuwe en hedendaagse manier kan worden geïntroduceerd in de stedelijke context en zo te leren “vertragen door te luisteren naar de rivier”[7]. Speculatief ontwerper Benjamin Bratton bestempelt onze steeds sneller veranderende wereld als “het nieuwe normaal”. Het is volgens hem een gemiste kans om te blijven fantaseren en bouwen aan kunstmatige intelligentie met zoveel mogelijk menselijke en dus herkenbare trekjes, of om enkel oplossingen te zoeken voor de problemen waar we op dit moment al van op de hoogte zijn. Er ligt een wereld van mogelijkheden achter deze beperkte en daarmee beperkende blik: “The things that are of interest to me in the field of AI philosophically have less to do with how to teach the machine to think as we think, but rather in how they might demonstrate a wider range of embodied intelligence we could understand. That way we could see our own position in a much wider context and it would teach us a little about what ‘thinking’ actually is.”[8] Designer en filosofe Patricia Reed waarschuwt voor de toepassing van ‘homophily’
–het aan elkaar linken van (mensen met) dezelfde interesses en overeenkomsten waardoor bijvoorbeeld een ‘facebookbubble’ ontstaat— in netwerk-design[9] en stelt voor een systeem te bouwen dat daarentegen is gebaseerd op wat zij noemt ‘xenophily’; de omarming van het vreemde. Algoritmes zitten vol onverwachtheden, diversiteit en tegenstrijdigheden en wanneer deze niet worden ingeperkt kunnen ze de menselijke blik, en daarmee kennis en opvattingen, juist opentrekken.

 

Door te benadrukken dat de menselijke geest ‘artifactual’ is, wordt het mogelijk de mens niet voorafgaand aan, naast of ondergeschikt aan niet-menselijke actoren te denken, maar als een inherent onderdeel hiervan te erkennen. De mens is van nature technologisch, en haar natuur is continu aan (technologische) verandering onderhevig. Het inhumanisme is een belangrijke aanzet om voorbij het post –en trans-humanisme te denken in het gevecht tegen de praktisch inhumane gevolgen die niet-menselijke actoren anders wel degelijk hebben.

 

 

[1] Timothy Morton - Hyperobjects: Philosophy and Ecology After the End of the World

[2] Verwijzing naar de Donna Haraway, en de titel van haar meest recente boek: Staying with the Trouble: Making Kin in the Chthulucene

[3] Verso books, maart 2017, Mckenzie Wark – Bruno Latour: Occupy Earth, https://www.versobooks.com/blogs/3425-bruno-latour-occupy-earth

[4] E-flux journal #52 – februari 2014, Reza Negaristani – The Labor of the Inhuman, Part 1: Human & Part 2: Inhuman.

[5] Ibid.

[6] Ibid.

[7] Merve Bedir sprak hierover tijdens een lezing in BAK, basis voor actuele kunst, als onderdeel van ‘Propositions #2: Assemblism” op 25 november 2017.

[9] Patricia Reed verwijst hier naar een lezing van Wendy Hui Kyong Chun tijdens Transmediale 2017, in Perhaps it is high time for a xeno-architecture to match, ed. Armen Avanessian, Lietje Bauwens, Wouter De Raeve, Markus Miessen, and Alice Haddad (Berlin: Sternberg Press, 2018).

Ook adverteren op mistermotley.nl? Stuur dan een mail naar maurits@mistermotley.nl