Steun hier het nieuwe seizoen van de radiopodcast Kunst is Lang.

Image

De esthetische crisis genaamd corona

03-12-2020 Eef Veldkamp

Ik zat onlangs met iemand in de trein die piekfijn, luidkeels aan de telefoon, door middel van de kleine margeprocentjes kon toelichten waarom het coronavaccin gevaarlijk is, mondmaskers niet werken, en anderhalve meter afstand onzin is. Het was een performance. Hij voerde het gesprek niet met zijn gesprekspartner, maar vooral met ons allen in de trein. Tijdens de monoloog zweep zijn blik door de trein, zoekend naar oogcontact – bevestiging en erkenning. De huidige tijd wordt gekenmerkt door dergelijke performances. 

Onlangs liet Elon Musk zich viermaal testen, viermaal met dezelfde machine en viermaal dezelfde verpleegkundige. Tweemaal positief, tweemaal negatief(1). Dit is het niveau waarop we omgaan met de coronacrisis. Musk becommentarieert: ‘er is iets heel erg nep’(2), puntje bij paaltje vragen we ons nog steeds af of het allemaal wel echt is. Niet vreemd omdat ons wellicht wat onderontwikkelde abstracte denkvermogen niets toestaat wat niet empirisch sluitend is. Net als Musk was mijn medereiziger tergend oncreatief, en toch spelen ze beiden de betoverende performance van wetenschappelijke zekerheid van onzekerheid. Tussen de regels lezen we iets heel kwetsbaars: we zouden willen dat het virus nep is. Dat we willen dat het virus nep is, maakt het nog niet nep. 

Niet vreemd omdat ons wellicht wat onderontwikkelde abstracte denkvermogen niets toestaat wat niet empirisch sluitend is.

De coronacrisis waar we inmiddels bijna een jaar in verstrikt zijn geraakt is voor velen een crisis van medische aard. Zo ontleedt mijn mede treinreiziger haarfijn alle statistische onzekerheden die hij daarmee centraal stelt in deze crisis. In tegenstelling zou ik beargumenteren dat de coronacrisis voornamelijk een esthetische crisis is. We moeten namelijk een reëel risico, een werkelijk gevaar, verbinden aan iets wat onzichtbaar, ontastbaar en simpelweg onvoorstelbaar is. Nog altijd kunnen we ons een virus niet voorstellen. De apparaten van verbeelding zijn om die reden de stilstaande motoren van deze crisis, en wanverbeeldingen bepalen daarin veelal de agenda. Denk aan tekenpolitiek die reëel risico uitspeelt tegen onze maatschappelijke zwarte eendjes: wel winkels, geen cultuur. Wel spreiding van verkeer, maar vernauwing als het gaat om aanschaf van alcohol.  De decennialange heerschappij van positivistisch empirisme; technocratisch fetisjisme heeft ons abstract denkvermogen verdrukt: en dat is precies wat we in deze crisis nodig hebben om tot een uitweg te komen. 

Eef Veldkamp, Rick Veldkamp, COVID-19 model #1, 2020, 3D animatie
Eef Veldkamp, Rick Veldkamp, COVID-19 model #1, 2020, 3D animatie

In tegenstelling zou ik beargumenteren dat de coronacrisis voornamelijk een esthetische crisis is.

Deze wanverbeeldingen pogen de abstracte kwaliteit van de crisis terug te brengen tot materiele condities, die te ‘bestrijden’ zijn, en dus niet meer gaan over iets abstracts als ons denken en verbeeldingsvermogen. Deze absurde strategie waarmee we pogen het virus ‘nep’ te maken, maakt precies zichtbaar dat dit een esthetische crisis is. Bovendien, als we het COVID-19 virus een beeld geven zijn we al bezig met esthetische valorisatie. De letterlijke beelden van COVID-19 die we kennen zijn modellen veelal gebaseerd op infrarode electronen-microscoopbeelden. Kortom, grijs op grijs, tweedimensionaal. Platgezegd vrij vlak en somber. Vandaar dat over deze beelden eerst een interpretatie heen gaat en zoals filosoof Jacques Derrida ons geleerd heeft isinterpretatie creatie: we maken het virus met onze interpretaties. De ene keer is corona een grijze blob met rood,roze friemels, de andere keer een groene bol met gelige uitsteeksels, of een geelgloeiende blauwe bal met hamervormige uitstulpsels: er is niet één sluitend model van het exacte coronavirus, het zijn modellen. Daarmee is het coronavirus niet slechts iets reëels waartoe we ons één op één kunnen verhouden. Vandaar kunnen we dus ook niet enkel en alleen op feitelijke, sluitende en eenduidige basis over deze crisis spreken, zoals we dat tegen beter weten in alsnog doen. Je kunt niet tegenover het coronavirus staan en gaan modeltekenen, het beeld van corona steunt noodzakelijkerwijs op een abstracte creatie, veel meer dan op een soort naïeve neutrale waarneming, zoals mijn medereiziger en Musk denken. We hebben dus een meer radicaal verbeeldingsvermogen nodig om deze crisis aan te gaan. Precies daarom vertellen die modellen van COVID-19 ons wel iets interessants: In het geval van alle modellen zweven ze maar wat rond op een monochrome achtergrond die meer weg heeft van het grote vacuüm genaamd het universum dan een deurklink, liftknopje of trapleuning. De abstracte aerosolen waarop deze virussen zweven, zijn eveneens onzichtbaar en lijken de natuurwetten te stroken. De esthetische vertalingsstap is daarom noodzakelijk om toenadering tot deze ietwat absurde crisis te vinden, ook zeker om dezelfde reden dat we honden leuker vinden dan spinnen: als het niet omgevormd wordt naar iets waar wij met onze verbeelding onszelf op kunnen projecteren, kunnen we er veelal niets mee. Dat is de grens van de zogenoemde empathie, en die grens is de grens van ons abstract denkvermogen.

Eef Veldkamp, Rick Veldkamp, COVID-19 model #3, 2020, 3D animatie
Eef Veldkamp, Rick Veldkamp, COVID-19 model #3, 2020, 3D animatie

Dat is de grens van de zogenoemde empathie, en die grens is de grens van ons abstract denkvermogen.

Leuke kleurtjes in een sci-fi palet spreken onze verbeelding meer, en zeker op een andere manier aan dan een grijs op grijs microscoopbeeld dat je in het studieboek van een geneeskundestudent tegenkomt. Dat laatste komt natuurlijk veel te echt over, en terecht, want de coronacrisis is een abstracte crisis; een crisis van esthetische aard. We hebben die verbeelding nodig. Bij een hond of een spin kunnen we ons altijd identificeren, al dan in meer of mindere mate – zoals dat met de twee ogen van een hond makkelijker kan, dan de vele ogen van een spin. Het COVID-19 virus gaat nog een aantal stappen verder dan een spin of een hond omdat het virus volledig buiten ons identificatieproces valt. Een spin heeft bovendien nog ogen, een virus niet. 
Een virus is een niet levend eiwitzakje met deeltjes genetisch materiaal daarin. Het heeft geen poten, geen hart, het haalt geen adem en is eveneens niet geanimeerd. Het doet niets, beweegt niet, maar wordt bewogen en in beweging gezet. Dat ‘ding’ heeft geen levensdoelen, is niet opzoek naar ‘geluk’, en voert eveneens geen oorlog. Zeggen dat het virus geen levend wezen is, maar een object, komt al dichter bij de waarheid in de buurt, en vraagt op die basis al om een andere benadering. En toch is ook dat een verkeerde inschatting. Een virus komt dichter in de buurt bij een ‘quasi-object’, om een term van de Franse filosoof Bruno Latour te gebruiken.

Eef Veldkamp, Rick Veldkamp, COVID-19 model #4, 2020, 3D animatie
Eef Veldkamp, Rick Veldkamp, COVID-19 model #4, 2020, 3D animatie

Het heeft geen poten, geen hart, het haalt geen adem en is eveneens niet geanimeerd.

Quasi objecten
Het ‘quasi-object is niet zomaar een object’(3), beargumenteert de Franse filosoof Michel Serres, ‘maar het is er niettemin een, aangezien het ook geen subject is, aangezien het in de wereld is; het is ook een quasi-subject, aangezien het een subject markeert of aanduidt dat zonder dit subject geen subject zou zijn.’(4) Socioloog Björn Schiermer voegt toe dat de ‘Koude wetenschappelijke afstand’(5), die ons van de coronacrisis zo bekend is ‘het wetenschappelijke object [verandert] in een 'puur object'; een geobjectiveerd object zou je kunnen zeggen; een object waarmee we geen interactie hebben. Omgekeerd is het juist de projectie van sentiment op het object, het 'verlangen' ernaar of de 'gepassioneerde' relatie ermee, die een quasi-object kenmerkt.’(6)

Quasi-objecten zijn dingen die niet louter een sociaal construct zijn, maar ook niet louter een objectief wetenschappelijk ding. De grens tussen beiden vervaagt, en het object relativeert tussen die twee polen: het is daarmee het dubbele zijn van het virus dat deze crisis maakt, maar we onderschatten stelselmatig het culturele, esthetische deel van het quasi-object genaamd ‘het’ virus. Het is een wetenschappelijk, biologisch, feitelijk ding maar de crisis is ook een sociaal construct, een omgangsvorm, een cultuur. Juist wanneer dat laatste element onderschat wordt, wordt er overgecompenseerd op het eerste element. Zo kwam onlangs het nieuwsbericht dat eerder louter foto’s van het virus beschikbaar waren, we er nu ook ‘ook een HD-video van [kunnen] bekijken’(7), aldus een wetenschapper van het Hubrecht Instituut. De titel van het artikel was eveneens veelzeggend, “Verspreiding van virus zichtbaar gemaakt door speciale video”. Veelal gaat deze crisis over het zichtbaar maken van het virus – een empiristische ambitie – terwijl dat vooral impliceert dat het probleem zich afspeelt in ons gebrekkige vermogen tot abstract denken. Blijkbaar hebben we dat zichtbaar maken namelijk nodig voor omgang met het virus. Ik zou beargumenteren dat het zou moeten gaan over verbeelding.

Eef Veldkamp, Rick Veldkamp, COVID-19 model #5, 2020, 3D animatie
Eef Veldkamp, Rick Veldkamp, COVID-19 model #5, 2020, 3D animatie

Quasi-objecten zijn dingen die niet louter een sociaal construct zijn, maar ook niet louter een objectief wetenschappelijk ding.

Een van de meest complexe elementen van de corona-crisis is niet zomaar dat het slecht zichtbaar is, maar dat het daarom ontzettend moeilijk te denken is. Dergelijke quasi-objecten vervagen uit ons bewustzijn op het moment dat ze niet meer ‘urgent’ worden geacht, omdat de waan van de dag dan weer iets anders aandraagt. Kortom, ze manifesteren zich niet aan ons zoals je iedere dag wel met objecten zoals deuren en muren, wordt geconfronteerd. Urgent staat in verband met reëel, en reëel met materieel: het empirisme is daarmee het gevaar van deze crisis. We proberen COVID-19 vast te pakken, terwijl we allemaal weten dat het vastpakken van het coronavirus het gevaarlijkste is wat je kunt doen. Alles wordt betrokken op aanwijsbaarheid, dat terwijl een virus nagenoeg de antithese van aanraakbaarheid is, met een gemiddelde grote van 0,1 micron. Dat is 500 maal kleiner dan de dikte van een mensenhaar. We moeten die abstractie leren accepteren, en daarnaar handelen. Vanwege het gebrek hierin mislukt het identificatieproces keer op keer, waardoor we ons er niet langer particulier toe kunnen verhouden zoals dat bij een oorlog wellicht wel kan: daar sta je oog in oog met je vijand, en is de ‘oplossing’ altijd vernietiging. Laten we vernietiging niet de oplossing van deze crisis maken, want dan zouden we onszelf moeten vernietigen, we staan bovendien vooral oog in oog met onszelf.

Het verkeerd inschatten van het virus is een ontologische fout: het schat het ‘zijn’ van het virus verkeerd in, en handelt er zo dus ook verkeerd op. Dit is goed te illustreren met een uitspraak van Minister-President Mark Rutte, die in het voorjaar van 2020 tijdens een persconferentie het volgende noemde: ‘Het virus is bezig aan een gevaarlijk opmars’(8). Mijn verweer is dat ‘het virus’ niet aan een ‘opmars’ doet. Het heeft geen ogen, geen neus, geen benen, geen richting. Het enige wat het virus heeft zijn een soort haakjes (en ook hier verschiet ik in beeldspraak) die aan bepaalde soorten cellen blijven hangen. Rutte’s uitspraak vergrijpt zich aan antropomorfisme: het projecteert menselijke eigenschappen op iets niet-menselijks, en stelt zo ook menselijke verwachtingen aan het virus; reageert erop alsof het een mens is. 

Het verkeerd inschatten van het virus is een ontologische fout: het schat het ‘zijn’ van het virus verkeerd in, en handelt er zo dus ook verkeerd op. 

Hij had beter kunnen zeggen, ‘Wij zijn het virus aan het opmarcheren’. Wij zijn het ‘actieve’ accident van het virus; het virus is bovendien parasitisch en levenloos tot het de gast infiltreert, en bij gratie van een levende cel die genetische materiaal kan reproduceren. Het virus reproduceert dus niet zichzelf, maar wordt gereproduceerd. Weer een artistieke daad, zo zou je kunnen zeggen. Vanuit een verkeerde ontologische inschatting zoals die van Rutte volgen ook verkeerde handelingen, omdat iedere handeling volgt op een inschatting van ‘zijn’. ‘Marcheren’ – oorlogsterminologie – pas je toe op wezens waar je oorlog mee kan hebben, genaamd mensen in samenlevingen. Met een virus kun je geen oorlog voeren. Geen kogel kan gericht worden op 0,1 micron. Bovendien, heeft een virus ooit een diplomaat gestuurd? Gevangenen uitgewisseld? Een stad gebombardeerd? In die zin is de oorlog die we voeren een oorlog met ons abstracte denkvermogen. Kortom, we moeten ons anders verhouden tot het zijn van het virus, en stoppen met het tot vijand vermaken van de abstractie.

Kortom, we moeten ons anders verhouden tot het zijn van het virus, en stoppen met het tot vijand vermaken van de abstractie.

De noodzaak van performativiteit
Veel aspecten van de coronacrisis worden op dezelfde manier behandeld als een oorlog, alleen dan een zonder een aanwijsbare vijand. Alle maatregelen worden vormgegeven en beoordeeld op reële medische impact, dat terwijl de aard van deze crisis eveneens esthetisch is. Er zijn bovendien velen argumenten voor en tegen de maatregelen te geven, maar niet één argument is sluitend en daarmee kwetsbaar voor illegitieme kritiek die zich daar maar al te graag op toezegt – zoals mijn medetreinreiziger toont. Denk aan de mondkapjesplicht: we dragen ze tegen de overdracht en verspreiding van het virus, dat terwijl precies die kwaliteiten bij het mondkapje als hoofdzakelijk twijfelpunt door critici wordt aangehaald. Vandaar dat dit een kwetsbaar argument is om als enige speerpunt op te voeren, omdat het tegenargument er al in vervat is (ook dat iets niet sluitend is vinden wij moeilijk te accepteren). Ik denk dat er zijdelinks een betere reden is om mondkapjes te dragen, en dat is een esthetische reden, namelijk de performatieve kwaliteit van het dragen van mondkapjes. Ik ging onlangs vlak voor de tweede ‘lockdown’ met een vriend naar de supermarkt. Toen waren veel van de maatregelen al voor de persconferentie uitgelekt, dus wij wisten wat eraan zat te komen. Wij deden bij binnenkomst een mondkapje op – dat was toen al het ‘dringende advies’, dat terwijl in het zicht niemand anders in de supermarkt een mondkapje op had. Totdat supermarktbezoekers ons zagen. Dan hoor je mensen zeggen “oh, ja! Ik doe die van mij ook op”. Het mondkapje heeft als primaire functie niet louter en alleen het beperken van de verspreiding van het virus, maar daarnaast het beperken dat wij het virus verspreiden. Een mondkapje is daarmee een uithangbord, dat sommeert: let op, er is een crisis, al zie je die niet in het dagelijkse leven. Het is bovendien een abstracte crisis die zich niet laat meten aan de menselijke maat. Het mondkapje attendeert ons daarom, net zoals een protestbord dat doet, op iets wat zich aan het zicht onttrekt. Het voert de crisis in de samenleving op, in een attentieve particuliere vorm.

Hetzelfde geldt voor de anderhalve meter-samenleving. Een virusdeeltje in zo ontzettend klein, 0,1 micron groot en heeft zoals ik eerder noemde geen ogen en kan zich niet bewegen. Het kan ons niet vinden, wij vinden het virus. Een virus is niet gevoelig voor afstand, je kunt in die zin ook bij alle toevalligheid besmet raken in een bijna verlaten bos. Eveneens kun je ook niet besmet raken als je een coronapatiënt aanraakt. Mochten we op dergelijke medische basis beoordeling geven, dan is die noodzakelijkerwijs niet sluitend. Het punt is dat precies dit sluitende niet uit zou moeten maken. De afstand attendeert ons precies op dat ambigue feit dat je het niet weet; het is de performance van abstracte dreiging. Een niets creëren tussen meerdere ietsen in. Het draait dus niet alleen om de wezenlijke afstand, en de effectiviteit daarvan, maar ook om het feit dat we door de afstand de nadruk leggen op de abstractie van de situatie, en daar vervolgens naar handelen. 
Het gaat om de performativiteit van afstand houden, die ons appelleert te realiseren dat er een crisis is, al is die op formele gronden niet zichtbaar. 

----------
1:
 “Tesla-CEO Musk laat zich vier keer testen op corona: positief en negatief”, NU.nl, 13-11-2020, vergaard op 15-11-2020, https://www.nu.nl/economie/6090141/tesla-ceo-musk-laat-zich-vier-keer-testen-op-corona-positief-en-negatief.html?fbclid=IwAR0ZJMZOqB7m9iPr7-mYpVKAPL_ePXCDucnCiN6buteemCmsA0Cerh9ukt4
2:Idem.
3:
 Michel Serres, The Parasite, (London: Johns Hopkins1982), 225, vertaald door auteur naar het Nederlands
4: Idem.
5: Björn Schiermer, “Quasi-objects, Cult Objects and Fashion Objects: On Two Kinds of Fetishism on Display in Modern Culture” in Theory, Culture & Society, 2011, Vol. 28(1), 85, vertaal door de auteur naar het Nederlands.
6: Idem.
7: “Verspreiding van virus zichtbaar gemaakt door speciale video”, NOS Nieuws, 13-11-2020, vergaard op 15-11-2020, https://nos.nl/artikel/2356460-verspreiding-van-virus-zichtbaar-gemaakt-...
8:“Rutte: Het virus is bezig aan een gevaarlijke opmars”, NOS Nieuws, 08-08-2020, vergaard op 15-11-2020, https://nos.nl/video/2343111-rutte-het-virus-is-bezig-aan-een-gevaarlijk...

Klik hier voor de website van Eef Veldkamp

Ook adverteren op mistermotley.nl? Stuur dan een mail naar maurits@mistermotley.nl