Mister Motley heeft een boek gemaakt. Koop hier 'Dit is een vertaling'.

Image

Lieve vreemde: Yaïr Callender en Tomas Dirrix schreven elkaar brieven

24-05-2020 Redactie

Zodra iemand een brief verstuurt, vindt er een ontmoeting plaats, ‘ik’ wordt ‘wij’. Brieven brengen een contact tot stand dat onvergelijkbaar is met ieder ander medium. Ze kenmerken zich door bezinning, aandacht en intimiteit, en door de tijd tussen schrijven en ontvangen. In reactie op het Holland Festival, waarin het streven naar een ‘wij-gevoel’ in veel voorstellingen terugkomt, stelt mister Motley een speciale rubriek samen. Kunstenaars en schrijvers worden uitgenodigd om per brief met elkaar van gedachten te wisselen over kunstenaarschap, gemeenschapszin en hoe deze twee met elkaar verbonden zijn. 

Vandaag publiceren we de briefwisseling tussen de kunstenaar Yaïr Callender en de architect Tomas Dirrix. Zij zoeken allebei middels architectonische naar het creëren van verbinding en gemeenschapszin. In hun eerste brieven constateren ze dat een ontmoeting met een vreemde behoorlijk uitzonderlijk is, in deze tijd van coronamaatregelen. De twee schrijven elkaar over hoe symbolen onze emoties kunnen beïnvloeden en over de wereld rondreizen versus het urenlang staren naar een bloesem. 'Het leven is toch zo veel rijker als je langzamer beweegt? De lente is niet mooier dit jaar, er zijn niet meer vogels in de stad, maar we hebben een gelegenheid om het beter te ervaren,' schrijft Tomas aan Yaïr. 

De briefwisseling tussen Yaïr Callender en Tomas Dirrix is de laatste van deze serie. Onderaan het artikel vind je de andere edities van Lieve vreemde.

 

 

Beste Tomas,

Een brief aan een vreemdeling. We kennen elkaar nog niet, maar met veel plezier heb ik over je werk gelezen en je website bezocht. Een mooie tekst vond ik deze: “Met zijn autonome architectuur met kunstzinnige aspiraties lijkt Dirrix zich te onttrekken aan de tijdgeest zoals deze werd geschetst in het recente Architectuur Jaarboek 2018-2019. Architectuur is daarin geformuleerd als een ‘antwoord op de toenemende druk die zich overal in het maatschappelijk en economisch domein manifesteert’, zoals een toenemende mobiliteit en zorgvraag, verhit klimaatdebat en overkokende huizenmarkt.“

Een prachtige omschrijving van de huidige tijd waarin economische vraagstukken de actualiteiten domineren en daarmee de gebouwen en steden inrichten. Het is mooi om te zien hoe je daar tegenin gaat en materie filosofisch laat spreken. Hoe je een steen, een gebouw, een muur laat spreken vanuit zichzelf. De essentiële klanken die zijn ingesloten in de materie naar de oppervlakte laat komen en een medium laat zijn om te vertellen over het leven.
Het doet me denken aan een vraag waar ik graag over mijmer: “wanneer transformeert een steen in een kunstwerk?” En is het dan nog een steen? Wanneer ontgroeit een object zichzelf, verklaard het
zijn wikipedia definiëring tot voltooid verleden tijd, en functioneert het als een spiegel voor de menselijke toestand.

Kunst is voor mij een dialoog met het ongedefinieerde. Het creëert een probleem. Op het moment dat het voor je staat is het er. Mogelijk bestond het niet voor het beeld werd gemaakt, maar opeens is het er en is het deel van onze realiteit of we nu willen of niet. Een prachtig voorbeeld hiervan vindt ik in Nietzsche die God dood verklaarde. Hoewel we het met hem eens kunnen zijn. Ontstaat er bij het betreden van sommige kerken, en tempels, of staand voor de werken van Giotto, Botticeli, Turner, of William Blake een unieke ervaring. Het goddelijke wordt plotseling spring levend, en staart het ons aan via een fysieke ervaring.
Het is raadselachtig waarom een dergelijke ervaring überhaupt in ons gestel aanwezig kan zijn. Welk onderdeel van ons definieert dat? Over smaak valt niet te twisten maar er zijn toch werken die de statistieke waarschijnlijkheid weten te doorbreken en bij vrijwel eenieder een indruk achterlaten.

Het is bijzonder hoe scherp we in kaart hebben gebracht op welke manier klanken onze emoties bespelen en hoe ritmes ons bewustzijn beïnvloeden. Maar er is weinig duidelijke informatie over wat voor invloed een cirkel op ons bewustzijn uitoefent of hoe symbolen buiten een gemeenschappelijke consensus direct op onze emotie in werken.

Kunst heeft een enorme potentie om onze intuïtie te stimuleren, en als voeding voor de geest te dienen. Het simpele besef dat de zang er was voor de taal, en dat alles om ons heen, eerst in een ruwe vorm in iemands geest heeft bestaan. Tonen de kracht en de potentie van kunst.

Kunst is als het ware een langzame gelijkmatige expansie van het ongedefinieerde richting de ratio, van chaotisch, naar duidelijk omschreven en stabiel. Het doet denken aan de Big Bang . De grens van de big bang is daar waar het universum nog explodeert, het gebied waarin de natuurregels nog niet helemaal zeker zijn. De krachten die onze wereld op zijn plek houden zijn daar nog niet helemaal ingetreden. Het is een erg rumoerig gedeelte wat langzaam zijn plek vindt in het normale, en het normale met een langzame gelijkmatige expansie doet oprekken.

Met vriendelijke groeten, Yaïr Callender

 

Daarop antwoordde Tomas:

 

Beste Yaïr,

Er is wat tijd over gegaan alvorens ik een moment kon vinden je te schrijven. Je brief arriveerde op mijn studio op het moment dat landelijk de quarantainemaatregel in werking ging. Inmiddels heb ik wat rust gevonden in deze nieuwe conditie om je schrijven te beantwoorden.

Jij bent een vreemde voor mij, een soort ontmoeting dat in deze lock-down conditie eigenlijk vrij uitzonderlijk is. Ik ontmoet geen vreemden meer, laat staan dat ik spontaan een gesprek heb met iemand op straat - over 1,5 meter afstand of willekeurig mensen toevoeg in een zoom-meeting. Ik schrijf je nu vanuit huis waar na ruim 3 weken de spullen en objecten beangstigend ‘bekend’ met me zijn. In tijden van Corona, is toegang tot iemand of iets wat ik niet ken een spannend soort gevoel dat nog stamt uit een ander tijdperk.

Dus fijn; een vreemde. Een van de leukste dingen aan iets wat me vreemd is de mogelijkheid een eigen realiteit ervan te construeren. Je schreef me over de transformatie van materie naar kunst. Is het aspect van vervreemding niet de essentie van wat van iets kunst maakt? Wanneer een steen in een conditie gebracht wordt waarvan het zelf onmogelijk het bestaan zou kunnen verlangen.

Ik moet denken aan de toren van Pisa; het lokale marmer wat gevormd is en met precisie gestapeld in een toren. De proporties, de onwaarschijnlijkheid aan detail, het ongenaakbare wit. Is de steen nu kunst? Of pas op het moment dat de toren scheef kwam te staan; in een constante onderhandeling met de zwaartekracht, en daarmee eeuwig balancerend tussen leven en dood.

Het is misschien het verschil tussen de schoonheid en het sublieme, beide evengoed een verdienste van de kunst - maar waarbij het laatste zich meer laat ervaren als een fysieke onwerkelijkheid, een onmogelijke conditie zorgvuldig opgespannen tussen ramp en wonder - of zoals je schrijft ‘Het gebied waarin de natuurregels nog niet helemaal in werking zijn getreden’.

Toch kan ik me niet inhouden op te zoeken wat voor werk je maakt. Ik zie structuren met een fragiele samenstelling maar tegelijkertijd van een onwaarschijnlijke krachtige gestalte. Prachtig, en het treft me hoe in je werken de onderdelen zowel samenwerken als elkaar belemmeren. Niet alleen constructief, maar vooral ook evocatief. De herkenbaarheid van wat ik zie spreekt me erg aan en laat me maar moeilijk los. Alleen, wat ik ken ziet er niet zo uit zoals ikhet me zou inbeelden, het gewone doet aan als buitengewoon; alsof ik naar een herinnering kijk uit de toekomst.

Nu moet ik denken aan The Palace at 4.a.m. van Alberto Giacometti - een geraamte van luciferhoutjes met de contouren heeft van een paleis. Iets zonder absolute vorm - wat voornamelijk bestaat als conditie en waarvan het bekijken je deelgenoot maakt in het krachtenveld der dingen.Voor mij is die conditie uitermate succesvol wanneer tragedie omslaat in ironie en visa versa.

In een poging je te leren kennen; waar kan jij uren naar kijken?

Groeten uit Rotterdam,

Tomas


Daarop volgde dit antwoord van Yaïr:

 

Hoi Tomas,

Het is inderdaad een rare tijd voor deze correspondentie. Ergens is het heel toepasselijk om in een periode waarin menselijk contact tot een minimum is gebracht middels brieven te gaan communiceren.

Waar kan ik uren naar kijken?
Een ogenschijnlijk simpele vraag maar eigenlijk zo complex. Een eerlijk antwoord is dat ik aan de ene kant compleet gekaapt ben door de media van onze tijd en gewent ben aan een constante stroom veranderende beelden. Met andere woorden Ik ben zeker niet onaangedaan door het werkwoord Binge. Wat me hier buiten uren lang aantrekt, is de natuur. Waarbij ik soms uren lang s'nachts kan fietsen om een goeie plek te vinden om naar de sterren te kijken. Of onderweg naar de supermarkt gegrepen wordt door de groei van planten.

Er lijkt wel een soort tendens te zijn in de dingen waar ik uren naar kan kijken. Meer en meer lijkt het verbonden te zijn met saaiheid en herhaling. Dit kan online zijn zoals een 4 uur lang interview van Joe Rogan met iemand die ik niet kende, of een uren lange slechte opname van Dave Chappelle in een soort raar comedy café.

Maar ook buiten, ik geniet ervan om dezelfde plek rond eenzelfde tijdstip op verschillende dagen te bekijken en zo gedurende lange periodes te kijken naar de langzame veranderingen die de tijd mee brengt.

Het doet me denken aan mijn Opa; Tegen het einde van zijn leven toen hij fysiek minder mobiel was. Ik ging bij hem langs en hij zat de hele middag in zijn vaste stoel voor het raam naar buiten te kijken. Aan het einde van de middag was het enige dat ie zei: “Waarom hebben eekhoorntjes altijd zo'n haast?”.

Het was een vraag die me greep en die nu nog zo af en toe echoot in mijn hoofd. Het lijkt een soort uitspraak tegen een jongere versie van mezelf. Activiteit lijkt nu minder en minder belangrijk te worden. Waar ik vroeger de wereld rond wilde reizen en alles zien. Ben ik nu meer geïnteresseerd in de ontwikkeling van de rode bloesem aan de boom voor mijn raam en hoe de zonsopgang boven het dak waar ik aan het klussen ben er morgen uitziet.

In die stille herhaling en saaiheid vindt ik werelden waar ik eerder overal ter wereld langs zou zijn gerent.

Niet dat ik niet meer geniet van reizen, dat doe ik zeker wel. Maar ik doe het niet meer om levens veranderende inzichten te krijgen. Deze vindt ik al gewoon in mijn eigen straat.

Nu een vraag om jou beter te leren kennen.
Wat was de laatste keer dat je verbaasd was over de haast van eekhoorntjes?, de kleur van het gras. Of de vorm van een aparte plant.

Met vriendelijke groeten, Yaïr

 

Tomas schreef het volgende terug:

 

Ha Yaïr,

Een prachtige vraag van je Opa - waarom hebben eekhoorntjes zo’n haast? Er ligt veel in besloten, maar ook het beeld van iemand die niet meer goed te been is kijkend naar iets dat voorbij schiet - de confrontatie met een onwerkelijke jeugdigheid en vitaliteit - is van poëtische aard. Uiteraard is het maar de vraag of zij degene zijn met haast, of dat de de aanschouwer in een uitzonderlijke positie van rust verkeerd. Een positie die wel de mogelijkheid biedt tot het stellen van dit soort vragen.

Op een gelijksoortige manier denk ik vaak terug aan het leven voor het coronavirus, de snelheid van leven, de volle agenda, zoveel mogelijk doen en zien. Onwerkelijk hoe gedateerd en dat verleden nu al weer aanvoelt. Het leven is toch zo veel rijker als je langzamer beweegt? De lente is niet mooier dit jaar, er zijn niet meer vogels in de stad, maar we hebben een gelegenheid om het beter te ervaren.

Dit brengt me tot je vraag; de laatste keer dat ik me onmetelijk verbaasde over wat ik zag, was tijdens een residentie in het binnenland van Senegal een aantal weken voor de pandemie. Er staan daar ontelbaar verlaten termiet heuvels. Een onwerkelijk landschap van zorgvuldig gevormde aardewerken hopen. De bizarre hoeveelheid aan werkuren die achter dit deze bulten schuil gaat drong tot me door toen ik een nog intacte heuvel ontdekte van ruim 5 meter hoog, verscholen in de bush.  Achteloos tikte ik met me voet een stukje van de berg af. Het ontblootte een gitzwart gangetje naar de diepte van de heuvel. In tegenstelling tot de ietwat lompe en ongedefinieerde vorm toonde zich een binnenwereld waarbij elke zandkorreltje zorgvuldig was geplaatst. Niet veel later kropen de ‘aannemers’ van dit bouwwerk uit de donkerte van het gangetje toevoorschijn. Ik bleef aandachtig kijken en zag hoe een legertje termieten zandkorreltje voor zandkorreltje het gat weer dichte. Een 3d geprint bouwwerk avant la lettre. Een miljoenenstad waarschijnlijk, waarbij geen onderscheid te maken valt tussen bewoner of bouwer. Het deed me niet zo zeer verbazen over de aard van het beestje of over de wonderlijke architectuur. Immers, de pracht van het collectieve toont zich vaker dan niet.

Ik verbaasde me over de manier waarop deze bizarre complexiteit gepaard gaat met een mate van vanzelfsprekendheid, iets wat zo ver te zoeken is als we kijken naar onze maatschappij. Van een afstand bezien en in confrontatie met de natuur was ik ontstelt over onze kunstmatigheid en bekrompenheid in het algemeen. Cultuur - als het door de mens gemaakte - zou de natuur kunnen doen overstijgen, in magie, in intelligentie en vindingrijkheid, in empathie. Uiteraard zijn er zeldzame uitspattingen die ons doen helpen geloven dat het kan. Maar algeheel beschouwd hebben we nog een lange weg te gaan om eenzelfde harmonie der dingen van een onwaarschijnlijke gelaagdheid te evenaren.

Yaïr, ik heb nog een vraag voor je. Wat trok je aan in het kunstenaarschap? Kun je je nog een moment herinneren (dat je misschien je eerste werk maakte) waarmee je voor jezelf het idee van kunstenaar te zijn kon bevestigen?

Ik kijk er naar uit weer van je horen.

Groet,

Tomas

 

Waarop Yaïr schreef:

 

Hoi Tomas,

Bedankt dat je dit zo wilt delen en prachtig hoe je dat zegt : “Cultuur - als het door de mens gemaakte - zou de natuur kunnen doen overstijgen, in magie, in intelligentie en vindingrijkheid, in empathie.”

Het is een hoop die ik inderdaad ook zelf koester en wat ik soms terug vindt in de kunst, literatuur, poëzie en zoals je zelf zegt in cultuur.

Wat mij uiteindelijk trok naar de kunst is best een raar verhaal en eentje die ik niet eerder publiekelijk heb verteld. Ook is het wel moeilijk te bepalen waar ik moet beginnen.

In feite tekende ik al heel mijn leven. Eén van mijn vroegste herinneringen is van mijn vader die me leerde een gezichtje te tekenen en ik niet meer bij kwam omdat in mijn 2 jarige ogen het gezichtje precies op hem leek.
Het tekenen ben ik nooit mee gestopt maar ik was opgegroeid met een soort arbeiders ethiek. Dus het was voor mij heel duidelijk dat toneel, muziek, en tekenen, hobbies zijn en dat je daarnaast moet “werken”. Zo ging ik in mijn tiener jaren naar een Grafische middelbare school en vervolgens naar het grafisch lyceum. Wat ik met name in het grafisch lyceum geleerd heb is dat ik nooit grafisch vormgever wilde zijn. Er ontwikkelde zich een steeds groter groeiende aversie tegen het vak en alles wat ermee te maken had. Dus toen ik zeventien was stopte ik met mijn studie.
Gelijktijdig was ik hard aan het werk aan mijn carierre als full-time hanggroep jongere. De stappen van kattekwaad naar kleine criminaliteit waren al gezet en met het wegvallen van school en eigenlijk het wegvallen van enige ambitie, kon ik me hier nog meer op concentreren. Kleine criminaliteit evolueerde snel naar meer serieuze zaken en heftigere delicten. Dit kwam tot een climax toen ik negentien was. Ik werd veroordeeld voor een overval.

Drie jaar straf wat betekende twee jaar effectief in de gevangenis.

De eerste periode zat ik in alle beperkingen. Dus geen bezoek, geen contact met mensen zelfs zo min mogelijk met bewakers. Een soort pre-corona oefening. Alleen contact met mijn advocaat en agenten. Op het bureau in mijn cel stond dus een langzaam groeiende stapel papieren. Verslagen van verhoren, transcripties van telefoontaps en alle mogelijke soorten onderzoeken.
Met verder niks voor handen en geen contact met mensen deed ik wat altijd had gedaan om de tijd te doden, ik ging tekenen. Heel veel tekenen en op het moment dat de beperkingen werden opgelift wilde ik schilderen. Het was de eerste keer in mijn leven, dat ik op een serieuze manier ging proberen te schilderen. Acrylverf en olieverf mochten niet omdat ze bang waren dat je zou gaan schilderen op de muren. Dus wat ik kreeg was een kindersetje waterverf.
Je kent het wel, een rechthoekig blik met tien kleuren. Hiermee ging ik verven. Mijn advocaat smokkelde op een geven moment naast de papieren voor mijn dossier ook ander papier naar binnen, grotere vellen en ander type papier. Langzaam maar zeker vond ik rust. Ik realiseerde me dat ik eigenlijk nooit rust had gekend in mijn leven. Dit was de eerste keer dat ik even pauze had. Ik kon niks en ik hoefde niks.

Ik was destijds erg bang dat ik heel veel miste. Dat iedereen zich buiten aan het ontwikkelen was (iets waar ik me erg mee bezig hield) en ik binnen stil stond.
Dus ik probeerde te doen wat ik kon om mezelf te ontwikkelen terwijl ik binnen zat. Ik had geregeld dat ik naar een plus afdeling kon gaan. Hier kon ik opleidingen volgen, studies doen en natuurlijk schilderen. Tekenen kon ik al maar na enige tijd had ik het schilderen ook redelijk onder de knie en begon ik een klein handeltje op te zetten. Ik ging portretten schilderen voor collega gedetineerde in ruil voor boodschappen. Kip, flessen frisdrank en pakken mars en snickers. Tussen de 25- 50€ boodschappen voor een portret. Zo gaat dat dan in de gevangenis. Dit werkte dusdanig goed dat ik op een gegeven moment stapels met foto's op mijn cel had liggen. Mensen wilde portretten van hun vrouw hun kinderen Opa of Oma. Eén boer uit het westland wilde een portret van zijn hond. Dit ging zo een tijdje door tot ik werd overgeplaatst. Daar besloot ik geen portretten meer te schilderen omdat ik bijna geen tijd meer over had om mijn vrije schilderijen te maken.

Een gevangenis is een bizarre plek. Tussen de eindeloze saaiheid en niksheid maakte ik hele rare momenten mee. Ik hielp in de middag mee met het uitdelen van eten en het schoonmaken van de afdeling. In ruil hiervoor kon je je eigen maaltijd kiezen en had je meer vrije tijd op de afdeling om te bellen of te douchen. De vleugel was in tweeën verdeeld en de hulp aan de andere kant van de vleugel was een beer van een vent. We werden maten en gingen soms samen trainen op sportdagen. Deze vent bleek een servische huurmoordenaar die voor de derde keer was opgepakt in verdenking van een moordzaak. Hij nodigde me nog uit voor wanneer ik vrij was om een keer bij hem langs te komen op zijn villa in Servië. In een andere gevangenis speelde ik volleybal tegen een team van drie mannen die alle drie hun vrouw en kinderen hadden vermoord .
Alles kwam ik daar tegen van grote drugsdealers tot zware verslaafden. Van kruimeldief tot massale oplichters. Het was heel bijzonder om met mensen die in zulke extreme situaties hebben gestaan te kunnen spreken en hun menselijkheid te zien.
Naast al deze mensen ontmoette ik ook mijn eerste Guru. Een hindoestaanse man die me constant boeken gaf om te lezen.Van Deepak Chopra tot de werking van Chakra's en het oproepen van Aartsengelen. Ik noemde hem Guru Singh. Dankzij hem ging ik naast voor het eerst schilderen in de gevangenis voor het eerst gestructureerd mediteren.

De laatste 6 maanden van mijn straf kon ik uitzitten in een soort re integratietraject in scheveningen. Ik kon dan alvast weer een beetje beginnen met werken buiten de gevangenis en ze zouden me helpen met het vinden van een huis en al dat soort zaken.
Het werd voor mij een grote confrontatie met de wereld. Al die vrienden waarover ik me zorgen maakte dat ze zich zoveel zouden ontwikkelen in de tijd dat ik stilstond, waren niks veranderd. Ze zaten nog in exact dezelfde situaties als waar ze waren twee jaar eerder.
Ik zat klem, ik had geen idee wat ik moest doen met mijn leven.
Ik wilde niet terug naar mijn oude situatie. Niet terug naar mijn oude vrienden groep, niet terug naar mijn ouders en absoluut niet vast komen zitten in één of ander onzin baantje.
Op dat moment had niks meer van waarde in mijn leven. Het enige wat ik nog had was mijn schilderen en dus besloot ik me hier maar op te concentreren

Maar gelijktijdig liep ik vast met mijn schilderijen.Mijn stijl destijds kan je je voorstellen als een soort rare smoothie van Joan Miro, Henry Rousseau, en Salvador Dali de enige drie kunstenaars waarvan ik een boek kon vinden in gevangenis en die me enigszins aanspraken.
Ik realiseerde me dat ik iets te kort kwam en ik kon mijn werken niet verder zelf ontwikkelen.
Ik wilde me gaan inschrijven op de kunstacademie.
Op het moment dat ik mijn eerste toelating had voelde ik me meteen helemaal thuis, ook al was het best een kritische beoordeling. Ze zeiden dat ze wel wat talent zagen, maar dat mijn werken veel teveel hetzelfde waren. Dat ik veel meer, en vooral veel verschillende dingen moest laten zien tijdens mijn volgende toelatingsronde.
Dit was natuurlijk een probleem want ik had niks meer dit was alles wat ik kon, alles wat ik in me had op dat moment. Eén van de begeleiders van het programma waar ik in zat had een buurmeisje dat net was afgestudeerd van de kunstacademie en ze wou wel een goed woordje voor me doen om te kijken of ik wat lessen bij haar kon volgen.
Tot mijn stomme verbazing wou ze dit wel. Een jonge crimineel recht uit de gevangenis en zei liet me gewoon toe bij haar op de studio.
Deze jonge kunstenares was Lillian Kreutzberger, ze heeft me gedrild in haar studio, en eigenlijk de basis gelegd voor mijn praktijk als professionele kunstenaar.

Op 9 Juni 2009 werd ik in de ochtend officieel ontslagen uit de gevangenis, in de middag had ik mijn tweede toelatingsronde voor de KABK in Den Haag en werd ik toegelaten.

Hier op deze dag begon mijn nieuwe leven.

Ik werd Kunstenaar.

Het is jammer dat tijd zo snel gaat. Ik heb erg genoten van onze correspondentie.
Ik ben eigenlijk erg benieuwd waarom jij uiteindelijk de keuze hebt gemaakt om in plaats van in de vrije kunst, in de architectuur te gaan werken.
Maar wellicht moet dat gesprek maar een keer volgen wanneer elkaar eindelijk in persoon ontmoeten.

Dus ja hierbij waarschijnlijk het einde.

Ik hoop dat onze wegen elkaar spoedig een keer kruisen.

Met hartelijke groeten,
Yaïr Callender

 

Tot slot schreef Tomas:

 

Ha Yaïr,

Bedankt voor je laatste brief en je openheid. Het heeft me geraakt. We hadden eigenlijk afgesproken dat omwille van de tijd, ik niet meer zou kunnen reageren. Ik vrees ook niet dat ik dat kan op een manier dat recht doet aan je verhaal.

Toch wil ik middels deze respons nog kort mijn bewondering uiten. Prachtig om te lezen dat in een wereld waarin alles wegvalt, te midden van uitzichtloosheid en ‘niksheid’ je het potlood weet op te pakken omdat het je simpelweg blijdschap geeft. Het spreekt van een enorme kracht dat je dit lichtpuntje hebt weten vast te houden en het hebt omarmt als een ontdekking van je eigen wezen en de wereld om je heen.

Laten we snel een afspraak maken om elkaar te ontmoeten. Ik ben inmiddels ook erg benieuwd geraakt naar je werk, wellicht kun je het me tonen? Ik zal je vertellen over mijn keuze voor architectuur, hoewel dat nooit echt ging over architectuur en meer te maken had met een voorliefde voor ruimtes, ontwerpen en maken van bouwwerken.  Dan eten we kip, snickers en marsen en drinken we cola.

Tot snel hoop ik,

Hartelijke groet,

Tomas

Ook adverteren op mistermotley.nl? Stuur dan een mail naar maurits@mistermotley.nl