Sacha Bronwasser

De lotgevallen #6: Stok

6 september 2021

Sacha Bronwasser reageert tweemaandelijks op een kunstwerk middels een fictief kort verhaal. Dit is de zesde editie, getiteld: Stok.

 

''Ik word ernaartoe getrokken terwijl ik niet wil, ik wil het liefst terug naar beneden, naar Zodiac, wegwezen net als hij, maar ik loop er toch heen. Ik sta voor die stok en ik pak hem in mijn rechterhand. En ik zweer je, ik voel dat ik als het ware aan de stok vastklik. Zoals bij een Playmobilpoppetje, weet je wel?''

‘Hoe het toch zover gekomen is? Bestel jij nog er nog een, een watertje, ja, dan vertel ik het je.
‘Ik zit nog geen week in het appartement aan de Bremweg of ik denk dat ik een vergissing heb begaan. Godskolere. Ben ik eindelijk verlost van die buurvrouw die haar vent terroriseerde, en mij erbij, nou ja ik hoef het je niet uit te leggen want je hebt ’t wel eens meegemaakt, maar goed, dus dat – krijg ik dit. Herrie boven mijn hoofd: gesleep en gebonk.

‘Hard en bonkend, alsof het dóór de vloer moet. Ik denk: wie of wat woont er in vredesnaam boven mij? Zeerover met een houten been? Bejaarde met een looprek van gietijzer? Heb ík dit? Hoe dan ook, kabaal van jewelste. Sleep, bonk, sleep, bonk. Net op het moment dat ik lekker op m’n nieuwe bank zit en ik niet alleen ben. Ik woon er nog geen week en ik heb Sheila op bezoek. Sheila-van-Delano, vroeger. Had ik teruggevonden via Facebook, uitgenodigd, nou daar is ze. Ik heb net de rondleiding gedaan – ik had al echt werk gemaakt van dat uitpakken en inruimen en zo, want ik wist dat ze zou komen – dus het is allemaal al bijna picobello. Even naar het uitzicht kijken, vanaf hier kijk je zo de polder in, avondzonnetje, top.

‘Dus wij zitten. Koffietje d’r bij, Sheila in zo’n wit strak truitje met een colletje, streng en toch uitdagend, weet je. Spijkerbroek, van die korte laarsjes, ja, ze weet wat ‘r staat hoor. Ze heeft d’r telefoon op stil gezet, vind ik beloftevol, en ‘m omgekeerd op tafel gelegd. Afijn, wij zitten, ze haalt de klem uit d’r haar en ontspant een beetje, we hebben het over vroeger en over school en zo – begint dat geluid. Sleep, bonk. Sleep, bonk. ‘Wa’s dat?’ zegt Sheila en schiet rechtop. Koffie op d’r truitje, fok dit en fok dat. Ja, ze is nogal direct. Sleep, bonk, sleep, bonk.

‘Weet ik veel, zeg ik, iemand die een IKEA kast in elkaar zet? ‘Dacht ’t niet’, zegt Sheila, meteen afgekoeld. Je weet hoe ze is, of misschien weet je ’t niet meer, maar ’t is echt een springvlo. Leuk hoor, die energie, maar snel afgeleid. Het gesleep en gebonk gaat door. Ik stel voor de muziek harder te zetten, ze zegt: ik krijg de zenuwen van harde muziek. Ze wil weten wat het geluid is, het beweegt heen en weer boven onze kop. Het houdt even op, ik opgelucht, maar voor ik de koekjes kan pakken begint het weer. ‘Hé!’ roept Sheila na tien minuten naar het plafond. ‘Hou es op, man’. Vind ik lastig, ik woon er nèt weet je, ‘k heb die buren nog niet eens gezien. Voor je het weet bellen ze De Rijdende Rechter en dan ben je nog niet jarig, moet je met je achterlijke bovenbuurman op tv bij die steile blonde en die man met dat brilletje…okee ja, ja, ik ga door.

‘Goed, wij naar buiten met Zodiac. Die is ook al nerveus van die herrie, trekken aan de riem, maar goed, in het park kalmeert hij. Wij wandelen, rondje, sigaretje erbij. Praten over vroeger, maar het loopt niet echt. Toch minder sfeervol hoor, het park in deze buurt, het is hier nog maar net aangelegd allemaal, van dat dunne groen. We zijn nu echt terug bij af. Sheila víndt ook ineens van alles: het is te koud, de straatlantaarns zijn hier zo geel, je kan hier niet fatsoenlijk parkeren, wat een rotzooi om die papierbak moet-je-zien, dat werk. Niet echt sfeervol, ik zei het al. Terwijl, ’t is echt een leuke meid hè, niet meer zo piep, net als wij allemaal, haha, maar ze mag er echt wezen hoor, ik vond haar altijd al leuk. Hoe ze vroeger op dat brommertje aan kwam scheuren om de hoek en dan zo het schoolplein op schoof, net een beetje te hard. En dan zo brutaal naar de conciërge lachen. Hoe ze nu uit dat Fiatje stapt en zo, je ziet meteen dat ‘r zo veel pit in zit… Goed, wij terug. Binnen is het gebonk nog steeds bezig. Allejezus. Sheila houdt d’r jack aan, ze stift d’r lippen en geeft me daarna zo’n koel kusje, echt waardeloos. ‘Ik blijf hier geen minuut langer, je komt me maar opzoeken’ zegt ze, maar ik heb het nu toch al opgegeven. Ze gaat, ik hoor de Panda wegscheuren.

‘Zodra ze weg is houdt ’t op. Ik zweer je. De dagen erna is het rustig. Ik bel Sheila nog es op, ze houdt de boot een beetje af en ik denk: even aanzien. Ik moet toch ook nog een beetje thuisraken en je weet hoe dat gaat in zo’n flat: begin je met ruziemaken dan ben je de pineut, voor je het weet sta je te bakkeleien met de voorzitter van de VVE, en dan zeuren ze je voor jaren aan je kop over spullen op je balkon of dat je je galerij moet vegen. Want zo zijn de mensen, als ze nooit iets ergers hebben meegemaakt. Ik bel die week wel een keer aan bij die flat boven mij, Zodiac mee voor de zekerheid. Maar geen sjoege, dichte rolgordijnen voor het keukenraam en verder ook geen teken van leven. Ik vergeet het.

‘Weekje of twee later, ik heb de boel op de rails, Sheila komt eten. ‘Okee, we proberen het nog een keertje, als je huis maar niet zo maf doet’ zegt ze aan de telefoon. Dit keer komt ze recht uit d’r werk, helemaal niet opgedoft, naturel zeg maar. Vind ik óók leuk, ’t is verdomme echt een wereldgriet denk ik, maar ja, hoe pak je zoiets aan op je vijfenveertigste? ’t Is al een wonder dat ze langskomt, for old times sake, denk ik dan maar. Vroeger zag ze me niet staan, nu zit ze aan m’n tafel, misschien is dat alles wat erin zit en mag ik daarmee in mijn handjes knijpen.

‘Ze heeft de vroege ochtenddienst gehad en daarna een halve shift van een collega die met spoed weg moest; kortom ze is gaar en ik denk: lekker hapje koken, beetje huiselijk, je weet maar nooit. Ik maak gado gado, is ze dol op zegt ze. Zitten we net – echt nét, ik denk dat ze nog geen hap binnen heeft – of daar heb je het weer. Sleep, bonk, sleep, bonk. Het lijkt wel  harder dan de eerste keer. Nou, Sheila d’r alarm is meteen op standje tien, nu doet ze er nog korter over om weg te komen. Ze staat al in de gang, te sjorren aan d’r rits, spullen in d’r tas te proppen. ‘Rob’ zegt ze, ‘Rob, ik heb een vriendin die spiritueel is, niet zo’n zwever maar écht wel een beetje wetenschappelijk en zo, en die had ik verteld van vorige keer. Ze zei: dit is echt niet okee. Echt niet. Dat is een klopgeest. Of bad vibes. Echt. En nu begint het weer, ik word er bloednerveus van, het is klaar nu.’ En ze vertrekt. Godsamme. Zit ik daar met die plaksaus. Als er iets is dat warm lekker is, maar koud ronduit smerig, dan is het wel gado gado uit een pakje. En het gebonk, ja dat is natuurlijk gestopt zodra Sheila d’r hielen heeft gelicht.

‘De volgende middag, ’t is een zaterdag, denk ik: ik ga toch nog es kijken. Zaterdagmiddag zijn de meeste mensen thuis toch, tenminste mensen met normale banen. Ik naar boven met Zodiac, tenminste dat wil ik maar Zodiac wil niet. Piepen, janken, trekken aan de riem, blaffen naar mij. Da’s niks voor hem. Vindt alles goed en iedereen aardig, zo lang je ‘m maar niet in een lift zet heb je er geen problemen mee. Net zo claustro als z’n baasje, ja, haha. Maar nu trekt hij me zowat de trap weer af, dus ik breng ‘m terug naar m’n galerij en ga weer naar boven. Staat de deur van dat huis open. Niet ver, maar toch – gewoon open. Ik duw ertegen, ik krijg meteen zo’n … zo’n, verstijfd gevoel, alsof een loden pijp door m’n keel is geduwd. En allemaal prikkels in m’n onderarmen. Ja, man. Als ik erover praat krijg ik het weer. Schenk me nog maar eens in, bruis ja, merci.

‘Maar ik wil toch naar binnen. Het is sterker dan mezelf, zeg maar. ‘Hallo?’ Ja, haha, zo dom als je je dan gedraagt, niet normaal hoor. Ik zou beter moeten weten. Uruzgan, Tarin Kowt, en dan doe je zo. Goed, ik naar binnen. Is dat hele huis leeg. Gek, want ik ken het goed, toen ik ging verhuizen zag mijn huis er precies zo uit, ik krijg een déja-vu. De zon schijnt zo dwars door al die kamers, behalve dat dichte keukenraam zijn er nergens gordijnen, het is gewoon helemaal leeg. Doodstil. Clean.

‘Behalve in de hoek van de woonkamer. Daar staat een groot ding, schuin tegen de muur. Een bijzondere, gekleurde, hoe zal ik het zeggen … een staf. Wacht even, ik heb er een foto van … ja, hier. Zie je? Ik zal even inzoomen, dan kun je zien… het is een stok van op elkaar gestapelde dingen, een soort totem …  Nee, nee, dat zit los … het zijn allemaal ronde blokjes hout, aan een metalen staaf. Ze kunnen draaien, alleen de onderste en de bovenste zitten vast. Redelijk netjes, maar niet uit de fabriek zeg maar. Nee, ik had zoiets ook nog nooit gezien.

‘Goed. Dat ding staat daar dus. Beetje vreemd, wel. Vier kleuren: rood, wit, groen en geel. De kleuren van Suriname, ja, nou je het zegt, dat weet jij natuurlijk … Ik krijg een heel raar gevoel, man. Ik word ernaartoe getrokken terwijl ik niet wil, ik wil het liefst terug naar beneden, naar Zodiac, wegwezen net als hij, maar ik loop er toch heen. Ik sta voor die stok en ik pak hem in mijn rechterhand. En ik zweer je, ik voel dat ik als het ware aan de stok vastklik. Zoals bij een Playmobilpoppetje, weet je wel? Je stopt iets in die grijphand en ‘klik’. Ik zet ‘m één keer stevig op de grond neer: ja, precies die bónk. Dat geluid hoorde ik dus in mijn huis.

‘Terwijl ik tegen mezelf zeg dat dit van de zotte is, dat ik dat ding terug moet zetten, dat ik hier niks te zoeken heb, dat ik niet eens backupheb voor het geval dat, ik bedenk alles wel maar ik handel er niet naar, snap je –  zet ik een paar stappen. Sleep, bonk. Dan leg ik dat ding, best wel zwaar, over mijn schouder en loop naar buiten. De galerij af, naar het noodtrappenhuis, en dan helemaal naar beneden. Vanaf mijn verdieping komt Zodiac tevoorschijn en begint achter me aan te lopen, ik hoor zijn poten op het beton van de trap maar hij blijft ver achter me. Ik loop als een robot, zwijgend, de straat op, met mijn hond tien meter achter me aan. Volslagen maf, ja, maar ja zo gaat het. We hebben maffere dingen gezien, jij en ik, toch? Ik heb de stok op mijn schouder en ik loop.
‘Vanaf daar, ik kan het niet anders omschrijven, is de stok de baas. Ik laat me leiden, mak als een schaap. Ik voel me wel groot en sterk, tot alles in staat, maar tegelijk word ik gedreven door wat ik in mijn handen heb. Net als met een geweer, ja, natuurlijk denk ik daar ook aan. ‘Word één met je wapen’, zei Dick toch altijd? ‘Leer ‘m denken. Geef je wapen oren en ogen’. Het is zoiets, maar toch anders. In ieder geval heb ik geen keus.

‘Ik loop de wijk uit, stok of staf over de schouder. Ik loop een kwartier, een half uur. Geen jas aan, niet koud. Niet moe, geen honger, geen dorst, hoewel het etenstijd is en iedereen lekker binnen zit te eten en ik dat allemaal zie, achter de ramen. Ik kom niet veel mensen tegen. Wie ik tegenkom doet of z’n neus bloedt of ziet het niet. Tijdens het lopen denk ik niet echt ergens aan – ja, ik denk een beetje na over die blokjes. Er zit systeem in maar ook niet. Het zijn vier kleuren, in alle combinaties. Het doet me denken aan opties die je hebt, in het leven weetjewel, dat je met weinig basisopties zo veel kanten op moet … ja, nou ja, laat maar. Ik vraag me niet af waarom de stok gemaakt is, of door wie. Dat doe ik nog steeds niet, trouwens. Zodiac blijft achter me lopen, hij stopt als ik stop, maar wel tien meter achter me. Samen lopen we door de stille straten en we zien de mensen achter hun bord zitten aan de eettafel, onder de lampen.‘Pas na drie kwartier krijg ik het door. We, ja wij ja, de hond en de stok en ik, we  lopen de buurt van Sheila in en even voel ik dat ik dit niet wil. Ze ziet me aankomen. Ze is thuis, Fiat voor de deur, ik schrik ervan. Maar ik zeg je: ik heb geen keus. Ik voel de stok nog op m’n schouder liggen en die wijst naar haar voordeur, en daar bel ik aan.

‘Ze doet open op haar sloffen en ze is mooier dan ooit. ‘Rob, wat doe jij hier? Ben je komen lopen? Zonder jas? Ben je wel goed snik?’ Zoiets zegt ze, misschien in een andere volgorde, maar allemaal vragen. Ik doe een stap achteruit en ik voel het prikken in mijn armen nu nog sterker. Jezus wat is het toch een leuke meid, nog steeds, er is er geen betere, ik weet het zo zeker. Ik zet de stok schuin voor me op de grond, als een herder, ik blijf ‘m vasthouden en nu voel ik dat ik iets ga zeggen. Ik doe mijn mond open en ook hier heb ik geen controle over, helemaal niks, maar dit is … godskolere. Vul me nog eens bij, alsjeblieft. Water ja, man, altijd.
‘Sorry, ik krijg ’t even … Even … nee nee, geeft niet.
‘Nu ik eraan denk weet ik dat er nog iets raars gebeurt: Zodiac loopt langs me heen en gaat naast haar op de mat zitten, tegen d’r dijbeen. Nu kijken ze me allebei aan, als twee man publiek, een vrouw en een hond.
‘Goed. Ik begin te praten, of iets begint in mij te praten, zo is het. Ik zeg:
‘Sheila. Ik ken je nu dertig jaar en dertig jaar is lang. We zijn nu allebei vijfenveertig en ik kan niet langer wachten. Misschien zie je me alleen als een vriend, iemand van vroeger, een klasgenoot die nu zijn haar kwijt is en die niet helemaal lekker van de missie is teruggekomen. Die nu toevallig in jouw buurt is komen wonen. Dat kan ik me voorstellen. Maar nu ga ik het je gewoon zeggen, want de stok heeft gesproken: ik hou van je en heb altijd van je gehouden. Ik heb lang gehoopt dat ik een ander zou tegenkomen, een zee vol vissen zei m’n moeder vroeger, maar zo werkt het niet. Ik wist het toen en ik weet het nu. We hebben geen tijd te verliezen als het nog iets zou kunnen worden, dan kunnen we beter meteen beginnen. Ik ben er klaar voor. Ik heb een flat, een baan, een knappe camper, ik drink niet en ik hou van je. Als je het niet ziet zitten, kun je het beter zeggen, dan draai ik me nu om en val ik je niet meer lastig.’
‘Ja man. Dat zeg ik. Die stok gloeit in mijn hand en ik zeg het.
‘Sheila kijkt me aan met die grote bruine ogen van d’r, ze krijgt een rood neusje en ze begint … sorry …tranen en zo, zwarte mascara sporen over d’r wangen. Ze stapt naar buiten op die pantoffels, ze pakt die stok uit m’n hand en zet ‘m schuin tegen de deurpost, ze slaat haar armen om mijn nek en we omhelzen elkaar. ‘Mafkees’, zegt ze, ‘mafketel, fok zeg, moest je daar nu zo lang mee wachten?’

‘Zo is het gegaan. Over de stok heeft Sheila nooit iets gezegd. Ik ook niet, ik schaam me ‘r denk ik toch een beetje voor. Dat ik zoiets nodig had, om te doen wat ik al dertig jaar geleden had moeten doen … de volgende dag heb ik die foto er van gemaakt, dat wel, en toen heb ik ‘m op het parkeerdek van de Albert Heijn achtergelaten. De volgende keer dat ik keek was-ie verdwenen. Misschien komt-ie iemand anders nog ‘ns van pas, toch. Je weet maar nooit, zeg dat ja, je weet maar nooit. Zo is het gewoon.’

 

Andre Cadere, Barre de bois rond, 1973.

Wil je Sacha Bronwasser een kunstwerk voor een kort verhaal voorstellen? Dat kan. Stuur je suggestie naar [email protected]

Advertenties

Ook adverteren op mistermotley.nl ? Stuur dan een mail naar advertenties@mistermotley.nl

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

* verplicht

Meer Mister Motley?

Draag bij aan onze toekomstige verhalen en laat ons hedendaags kunst van haar sokkel stoten

Nu niet, maar wellicht later