Laure van den Hout

De natuur trekt zich niets aan van een Latijnse naam

Column
26 februari 2026

Laure van den Hout zag de solotentoonstelling van Danh Vo in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Het zette haar aan het denken over het bevragen van toe-eigening en het nemen van eigenaarschap.

Een afwezigheid zien. Ergens net niet bij kunnen. Ik probeer verschillende houdingen om te kijken wat er zich nu precies bevindt in de bestickerde Rimowa-koffers die rechtop en op een kier staan. Onder een bepaalde hoek moet ik het toch kunnen ontwaren.

In de ene, met stickers erop van Venetië en Berlijn zit een houtsnijwerk – ja – maar wat voor scène er afgebeeld wordt, welke figuren er deel vanuit maken – geen idee. Ik zie een neus, en een mond, wat plooien. De ander, verderop in de ruimte, heeft een, wat je zou kunnen noemen, obscenere bestickering. Met letters die doen denken aan hoe in vroeger tijden dreigbrieven gemaakt werden – elke letter in een ander font en van een andere kleur – staat er ‘lick me, lick me’. Woorden die de twaalfjarige protagonist haar duiveluitdrijver toebijt in de verfilming (1973) van William Peter Blatty’s The Exorcist. Ditmaal is de koffer gevuld met schuimrubber, met in het midden een rechthoekige uitsparing, alsof er iets kostbaars als een paneel of zeldzaam manuscript in is vervoerd.

Zaaloverzicht Danh Vo — πνεῦμα (Ἔλισσα), 2026. Stedelijk Museum Amsterdam. Foto: Peter Tijhuis.

Ik ben in de badkuip van het Stedelijk Museum Amsterdam: de ruimte is volledig gewijd aan de solotentoonstelling van Danh Vo. Naast de koffers komen er meer middelen voor om dingen van A naar B te brengen: houten kratten, die we onder meer kennen om groente en fruit in te vervoeren, soms met op de zijkant de naam van de oorspronkelijke leverancier. Verplaatsingen, al dan niet gedwongen, is een terugkerend thema.

Vo leent, snijdt bij, keert om, assembleert. Allerhande entiteiten worden ingepast in het universum dat hij schept. Zoals van oorsprong waarschijnlijk voor religieuze doeleinden vervaardigde houtsnijwerken die hij soms letterlijk bijsnijdt, om ze te presenteren in een houten krat. Maar er zijn ook: bloemen, botjes, een Rolex, werk van andere kunstenaars zoals het kerkinterieur van Saenredam, De westelijke traveeën van de zuidelijke beuk van de Mariakerk te Utrecht (ca. 1640-1645).

De grote ruimte is door Vo ingedeeld met houten constructies. Soms is dat een van het plafond naar beneden hangend vierkant waarvoor je moet bukken om erin te komen: aan de binnenkant van de ruimte is dan werk te zien. De bezoekers buiten het vierkant zien alleen een stel benen. Een andere keer is het een houten ruimte, opgetrokken uit latten waarbij sommige afgedekt zijn met houten panelen. Welke van de variëteiten ik ook zou omschrijven, waar het op neer komt is dat er elke keer een doorkijkje is, vanuit je ooghoek zie je elke keer iets anders. Veel van de houten liggers komen op een manier bijeen waardoor er een ruimte ontstaat waar een glazen vaas in kan staan, met daarin een verse bloem gestut door draad en botjes. De tentoonstelling heeft geen dwingende volgorde, en je weet niet precies wat bij wat hoort: de zichtlijnen blijven grotendeels open en dat maakt dat alles invloed uitoefent op elkaar. Ik lees er een metafoor in voor wat ten grondslag ligt aan Vo’s werk: weten dat wat je ziet altijd in beweging is.

Zaaloverzicht Danh Vo — πνεῦμα (Ἔλισσα), 2026. Stedelijk Museum Amsterdam. Foto: Peter Tijhuis.

Dat aan verandering onderhevig zijn is een interessant gegeven, zeker omdat het werk van Vo de vraag kan oproepen in hoeverre je moet weten wat je ziet om er iets mee ‘kunnen’. Ik volg het werk van Vo al jaren, en daarmee komt ook een vertrouwdheid: je herkent bepaalde werken, en leert beweegredenen beter kennen.
Zo werkt Vo vaak samen met zijn vader Phung, leent hij als het ware zijn vaders handschrift, Phung is een geoefend kalligrafist. In veel presentaties van Vo’s oeuvre – zo ook hier – komt de brief voor die zijn vader steeds opnieuw kalligrafeert: van Jean-Théophane Vénard, een Franse missionaris die, op uitzending naar Azië om daar het katholieke geloof te brengen, in Vietnam gevangen genomen en ter dood veroordeeld wordt en vanuit daar deze brief schrijft aan zijn vader. Deze samenwerking, en het feit dat Vo’s vader de taal waarin hij schrijft niet machtig is, voegen toe aan waar zijn werk voor staat: het overbrengen van een boodschap, soms zonder daadwerkelijk de betekenis van iets te kennen. Of misschien eigenlijk: wat is dat überhaupt, overdracht? Er is de inhoud zelf, en de vorm waarin de inhoud getracht wordt overgebracht te worden. De huid waarin iets huist. En daarmee wat het representeert.

Zaaloverzicht Danh Vo — πνεῦμα (Ἔλισσα), 2026. Stedelijk Museum Amsterdam. Foto: Peter Tijhuis.

Ik moet daarbij denken aan de foto’s van bloemen, met daaronder in het handschrift van Vo’s vader de Latijnse naam, die ingelijst en in een veelheid aan de houten staketsels hangen. Al eerder, in 2022, zag ik deze verzameling bloemenfoto’s in Venetië, in Fondazione Querini Stampalia, waar doorheen het houten raamwerk de elementen van de stijlkamers nog goed zichtbaar waren: bustes, de sierlijsten op de muren. De bloemen riepen destijds bij mij het gevoel op van categoriseren, maar, en misschien werd dat mede ingegeven door Venetië, ook het idee van rijkdom, een verwijzing naar het handelsverleden van de stad. Hoe producten van heinde en verre meegenomen werden, zoals ook ooit de paardenspan-beeldengroep op de Basiliek van San Marco kwam te staan: geroofd. Wat we mooi vinden, willen we ons toe-eigenen. En wie macht heeft, kan dat helaas vaak ongestraft doen.

De categorisering van de natuur is een menselijke dwang: het opleggen van een systeem. De natuur zelf trekt zich natuurlijk niks aan van onze talige beheersdrang. Latijnse naam of niet, het is wat het is. Ons gedrag geeft blijk van maakbaarheid, kneedbaarheid en gretigheid. Hoewel het opleggen van het systeem een mate van controle uitoefenen is, is het ook een manier om de wereld proberen te duiden, iets proberen te begrijpen. Wat ik interessant vind aan het werk van Vo is dat die beide beweegredenen erin aanwezig lijken te zijn, en het daarmee een vorm van absolutisme lijkt te bestrijden. Hij laat eigenlijk zien dat het toeschrijven van een specifieke betekenis aan iets, datgene altijd reduceert tot iets enkelvoudigs.

Denk bijvoorbeeld aan zijn We the people (2011-2016), misschien wel zijn bekendste werk. Vo liet een exacte replica maken van het vrijheidsbeeld, dat vanwege haar grootte alleen in delen vervaardigd kan worden. Hij presenteert de 250 koperen delen nooit allemaal samen, ze bevinden zich in verschillende collecties en dat is precies zijn idee. Het symbool van vrijheid en democratie is een veelheid, geen enkelvoud.

In de tentoonstelling bij het Stedelijk zijn twee delen van het beeld te zien: de onderkant van de oorschelp bungelt vanaf het plafond naar beneden – let wel, hij is gigantisch – en verderop maakt een deel van het geplooide gewaad haar opwachting als een mix van een abstracte sculptuur en het steven van een schip.

Vo maakt je verantwoordelijk voor de betekenis die je aan iets geeft, en daarmee ook voor de betekenissen die je niet kent, of zelfs ontkent. Tijdens de perspreview wordt mij door de samenstellers veel verteld over Vo’s achtergrond, veel biografische gegevens duiden bepaalde keuzes.
Vo’s ouders vluchtten in 1979 per boot met hun kinderen uit Vietnam en werden op zee door de Deense autoriteiten opgevangen. Vo groeide op in Denemarken, waar hij naar de kunstacademie ging, en vervolgde zijn opleiding aan de Städelschule in Frankfurt. Natuurlijk draagt deze informatie bij aan het duiden van dit werk, maar, en dat is waarom ik er in eerste instantie niet over wilde schrijven, het reduceert het ook daartoe. Het is interessant om te weten dat de lijsten die de bloemenfoto’s omringen gemaakt zijn van walnoothout dat aan Vo werd geschonken door Craig McNamara, en verbouwd wordt op een boomgaard die in 1980 werd gekocht door diens vader, Robert McNamara. Deze Robert was de Amerikaanse minister van Defensie tijdens de Vietnam-oorlog. Het hout, ontdekte de familie toen ze de boomgaard kochten, was oorspronkelijk bestemd voor het maken van geweerkolven.
Vo stelde verschillende van Roberts eigendommen tentoon, en raakte zo in contact, en later bevriend, met zijn zoon Craig. Dus ja, de keuzes van Vo zijn allesbehalve willekeurig.  En toch, ook wanneer je niet alle informatie hebt over deze gelaagdheid, voel je hoe secuur hij articuleert, en met welke verantwoordelijkheid kijken – want interpreteren – komt. 

Ik keer terug naar het sobere kerkinterieur van Saenredam: de lege kerk als reine ruimte waar de geest ontvankelijk kan blijven zonder enige afleiding. Tegelijkertijd: wat is er aantrekkelijker dan een onbeschreven blad, een mentale ruimte om je ideeën op te projecteren. Het je eigen te maken, er op z’n minst co-auteur van te worden. Ergens deel vanuit willen maken of iets deel laten uitmaken van jou, daarin zit misschien een wezenlijk verschil dat uitdrukking geeft aan het morrelen dat Vo doet. Welke van de twee beter is, daar doet hij geen uitspraak over, het is het geheel aan betekenissen dat mee mag blijven doen.

Zaaloverzicht Danh Vo — πνεῦμα (Ἔλισσα), 2026. Stedelijk Museum Amsterdam. Foto: Peter Tijhuis.

De tentoonstelling πνεῦμα (Ἔλισσα) is nog tot en met 2 augustus 2026 te zien in het Stedelijk Museum Amsterdam.

Advertenties

Ook adverteren op mistermotley.nl? Stuur dan een mail naar advertenties@mistermotley.nl

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

* verplicht