Pelumi Adejumo

Het zwijgen van de typiste

Essay
30 november 2021

Pelumi Adejumo onderzoekt vormen van burgerlijk verzet die haast onzichtbaar zijn, omdat ze niet herkend worden als verzet en scheert langs het werk van David Henry Thoreau, Ruth Wolf-Rehfeldt, Clarice Lispector en Precious Okoyomon.

Er is een quote, regels uit een gedicht, die al maanden door mijn hoofd aan het dreunen is. “The greater part of what my neighbors call good
I believe in my soul to be bad,
And if I repent of anything,
It is very likely to be my good behaviour.
What demon possessed me that I behaved so well?”  van de dichter, filosoof en essayist David Henry Thoreau.

Ik kwam het tegen als motto in de roman A different drummer van William Melvin Kelley. In de roman koopt een voorheen tot slaafgemaakte man het land van zijn vroegere eigenaren, en steekt die zonder een woord te zeggen in de fik. Alsof een vloek wordt verbroken, lopen alle voormalig tot slaafgemaakte mensen die nog werkten op het land weg en verlaten het dorp. Het verhaal wordt verteld vanuit verschillende stemmen van de witten die achterblijven zonder hulpkrachten.

David Henry Thoreau schreef het wereldberoemde essay ‘Civil Disobedience’, dat dikwijls werd aangehaald om witte burgers te overtuigen om te stemmen voor de afschaffing van slavernij. Zijn argumentatie in simpele woorden is: wetgeving is geen neutraal goed, of heilig, gebied, en als wij burgers wetten volgen die in strijd zijn met ons eigen morele kompas, dan handelen wij als robots en niet als mens. Laat je menselijkheid zien, en laat (tot slaafgemaakte) mensen leven als mensen, stem voor!

Wat de man in de roman doet, kan gezien worden als zwarte magie. Voodoo, zwarte magie, is zich gaan ontwikkelen tijdens de slavernij. Het wordt doorgaans gezien en ook gebruikt als middel om mensen kwaad te doen, om te wreken, maar het kan ook gebruikt worden als middel ter emancipatie. De man stak het stuk land in de fik en keerde vervolgens zijn rug ernaartoe. Een klein gebaar met gigantische consequenties.

Ik blijf het merkwaardig vinden hoe nieuwkomers boven alles worden aangemoedigd te werken, nog voor ze überhaupt de taal leren. Niet aangemoedigd om allereerst een gemeenschap te vinden, om de migratie te verwerken of om hobby’s te ontwikkelen, dingen die nodig zijn voor een gezond leven.

Ik ben geïnteresseerd in vormen van burgerlijk verzet die haast onzichtbaar zijn, omdat ze niet herkend worden als verzet. Afgelopen zomer ontmoette ik mijn oom, de broer van mijn vader, voor het eerst in mijn leven. Hij woont met zijn vriendin in een flat in een dorp net buiten Verona. Zoals het verhaal van veel eerste generatie immigranten, begon hij bij aankomst in Italië direct te werken in een fabriek. Zoals ook mijn moeder dat in Nederland moest vanwege de participatiewet.
Tijdens de zomervakanties van vroeger nam mijn moeder me wel eens mee naar het uitzendbureau om waar nodig live te vertalen, en ’s avonds na het eten hielp ik mee sollicitatiebrieven schrijven en mails te versturen. Ik blijf het merkwaardig vinden hoe nieuwkomers boven alles worden aangemoedigd te werken, nog voor ze überhaupt de taal leren. Niet aangemoedigd om allereerst een gemeenschap te vinden, om de migratie te verwerken of om hobby’s te ontwikkelen, dingen die nodig zijn voor een gezond leven.

Mijn oom werkt op omgekeerde tijden, van ’s middags tot in de avond en zijn vriendin ‘s nachts. Hij haalt me op uit de stad wanneer hij uit is van werk. Hij toont me foto’s van mijn grootouders die ik nooit eerder gezien heb, hij vertelt me verhalen over mijn vader die ik nooit eerder gehoord heb, hij vertelt me over mijn grootvader: een wrede man, en sjamaan. Ik zie gelijkenissen in de lichaamstaal van mijn vader en zijn broer, in hun vocabulaire en grappen. Ik zie de verschillen in hoe ze omgaan met waar ze vandaan komen en de structuren waar ze dagelijks mee te maken krijgen.

In de dagen dat hij vrij is, reist mijn oom naar natuurgebieden of bekende steden om met zijn drone foto’s te maken. Op Instagram heeft hij een groot aantal volgers vanwege zijn landschapsfoto’s zo zijn we aan de praat geraakt. Hij heeft veel bevriende amateurfotografen met wie hij al jaren tevergeefs probeert af te spreken, omdat de agenda’s zo verschillend zijn. In een jaar, met de feestdagen op zondag als extra dagen meegeteld, is hij zo’n dertig dagen vrij.

INTROVERSE ARRANGEMENTS RUTH WOLF-REHFELDT Published by Unbidden Tongues / Publication Studio, Rotterdam, 2020, 28 pages (b/w ill.), 11 × 18.5 cm, English
WOMAN SITTING AT THE MACHINE, THINKING AND CENSORSHIP KAREN BRODINE Published by Unbidden Tongues / Publication Studio, Rotterdam, 2020, 32 pages (b/w ill.), 14 × 22.5 cm, English

In mijn koffer liggen twee soortgelijk vormgegeven boeken. De reeks kleine boekjes genaamd ‘Unbidden Tongues’, focust zich op het opnieuw uitgeven van, door eerder elders gepubliceerd, werk van culturele werkers die zich bekommeren om vragen rondom burgerlijkheid en de relatie daarmee tot taal. Uitgegeven door Publication Studio Rotterdam en gecureerd door Isabelle Sully, onderzoekt “Unbidden Tongues” subversieve vormen van feministisch en burgerlijk verzet.

Het valt me direct op dat in twee van de boekjes typistes optreden. Het eerste boekje dat ik bekijk is een verzameling van twee gedichten van de dichter, typiste en activist Karen Brodine, “Woman Sitting at the Machine, Thinking. “ en “Censorship”, eerder uitgegeven in 1990 door Red Letter Press. In deze gedichten komt niet de stem van één typiste naar voren, maar die van een hele groep. Eerst beginnende vanuit een omschrijvende positie, gaat het daarna door in het spreken vanuit ‘we’. De onderdrukking van de werkgevers wordt in korte, precieze beelden en woorden omschreven, waaronder de ongelijkheid in het loon dat de werknemers van kleur, zwarte vrouwen en immigranten. Er komen computers tot leven die ademen, en het zweet, de uren, het lichaam van de werkers verorberen. Het zijn poëtische vondsten, in elke alinea is er wel een zin die ik wil onderstrepen.

“While we sell ourselves in fractions. They don’t want us all at once, but hour by hour, piece by piece. Our hands mainly on our backs. And chunks of our brains. And veiled expressions on our faces, they buy. Though they can’t know what actual thoughts stand behind our eyes.”

Het stereotype zwijgende beeld van de typistes, de stilte en de lichamen gebogen over een machine, bijt in deze gedichten terug. De computers hebben controle over hun lichamen, hun positie in de maatschappij, de indeling van hun dag, maar niet over hun gedachten.

“2 hours till lunch.
1 hour till lunch.
43 minutes till lunch.
13 minutes till lunch.
LUNCH.

They write you up if you’re three minutes late.
Three write-ups and you’re out.

I rush back from lunch, short-cut
through the hall to the door
locked like the face of a boss.”

Het getik urenlang, biedt ruimte voor contemplatie, voor de geest om te dwalen, voor woorden om samen te smelten, die een lied neuriën van verzet.

“We say – even if they stretched tape
across our mouths
we could still speak to one another
with our eyebrows.”

Het is geen eenzaam verzet, maar dat van een collectief. De gedichten herinneren me aan het zwijgzame meisje Macabéa in de novelle ‘Het uur van de ster’. Hierin voert schrijver Clarice Lispector het personage op van een mannelijke auteur, die het verhaal vertelt over het leven en overlijden van de jonge typiste Macabéa. Lispector schreef de novelle slechts enkele weken voordat zij zelf overleed. Ik ben voorzichtig met dit te benoemen omdat ik feit en fictie niet op een mythische wijze aan elkaar wil koppelen, maar met dit stuk probeer ik ook iets te openen over de profetische en mystieke waarde van schrijven. Een aspect dat ruimte biedt voor reflectie en verstilling op menselijke processen zoals leven, god, dood en werk, en daarmee kan leiden tot zelfrealisatie.

In het verhaal reflecteert het personage van de auteur, de heer Rodrigo S., op wat het betekent om een verhaal te schrijven. Om van een levend mens een fictief personage te maken, met welke woorden je dat zou doen en wat de rechten zijn van een schrijvend wezen.

Macabéa is een wees, die het gevoel vergeten is om een moeder en vader te hebben. “Welbeschouwend zou je zeggen dat ze aan de aarde van de sertão was ontsproten als een verschrompelde paddenstoel,” schrijft Rodrigo S. Ze groeide op met haar tante op het platteland, later is ze met haar tante naar de stad Rio de Janeiro verhuisd vol hoop en dromen voor een beter leven. Aldaar overlijdt haar tante na slechts een paar jaar, waarna Macabéa achterblijft zonder erfenis, onderwijs, geschiedenis of cultureel kapitaal.

Als ik Rodrigo S. moet geloven leeft Macabéa bijna op dierlijk niveau; een bewustzijn dat ís, eet, slaapt, werkt en verder leeft zonder zichzelf grote vragen te stellen. “Ze vermoedde dat er geen antwoorden waren.” Ook weet Macabéa geen banden te leggen met haar collega’s om een gevoel van gezamenlijke strijd of collectiviteit te ervaren, ze is nergens onderdeel van. Ze komt alleen op het werk, ze gaat alleen terug naar haar kamer.

Het is een verhaal over ontheemd zijn, klassenverschil, machtsverhoudingen en hoe om te gaan met de ander. Ik herken mezelf dikwijls in weesverhalen, vanwege gelijkenissen met metaforen over de diaspora: weg bij de bron, moeder, aarde etc.

Na een relatie waarin Macabéa allerlei vormen van seksisme, geweld en ontrouw ondervindt, lijkt ze wél op zoek naar antwoorden. Ze bezoekt niemand minder dan een waarzegster, die een voorspelling doet over haar lot, dat spoedig zou omslaan in haar voordeel. Een lot vol geluk, rijkdom en een huwelijk met een buitenlander genaamd Hans. Maar op het moment dat Macabéa rooskleurig de straat uitloopt, wordt ze overreden door een Mercedes en trillend in de goot, in de straten van Rio de Janeiro, tegen de achtergrond van de noten van een violist komt haar leven tot een eind. Rodrigo S. liet het ons al weten: “Dus zal ik, tegen mijn gewoonte in, een verhaal met begin, midden en gran finale beproeven, gevolgd door stilte en plenzende regen.”

Het is een verhaal over ontheemd zijn, klassenverschil, machtsverhoudingen en hoe om te gaan met de ander. Ik herken mezelf dikwijls in weesverhalen, vanwege gelijkenissen met metaforen over de diaspora: weg bij de bron, moeder, aarde etc. Lispector schrijft gewaagd, humorvol en aandachtig. Door een schrijvende personage direct te laten spreken tot de lezer, over het plot, de interpretatie en subjectiviteit van een auteur, reflecteert ze ook op de kracht van het woord.

“When I’m busy with this,” zegt mijn oom terwijl hij me twee ingelijste foto’s overhandigt. “I feel like the coolest man on earth.” Een foto van de Dolomieten tijdens zonsondergang en een in de avond. Van eerst blauw en wit besneeuwde bergen, lijkt het hele gebied tijdens het dalen en rijzen van de zon ineens in de fik te zijn gezet. Zijn fascinatie werd in eerste instantie door familie en vrienden ontmoedigd en afgedaan als een dure hobby. Ik zie het als een manier om de automatisering en de fragmentatie van zijn geest tijdens het werken in de briochefabriek tegen te gaan. De foto’s hebben mijn blik op gefabriceerde landschapfoto’s en mannen met gadgets op sociale media verandert. Ik zie niet meer massa’s soortgelijke toeristenfoto’s. Ik zie honderden mensen die de rug toekeren naar hun gewone dag, die oog in oog willen staan met bergen, en mensen die durven wegdromen achter hun computers bij de schoonheid van natuur.

Hoe verhoud je je tot het leven en verhaal van iemand in een andere maatschappelijke positie dan jij, met welke woorden doe je dat? Hoe interpreteer je de tijd, de volheid, alle vragen en kronkels die voorbijkomen in een leven? Hoe klinkt de stilte van een typiste, hoe ziet die eruit?

Ruth Wolf-Rehfeldt - Spheres of Interest (1975)

Ruth Wolf-Rehfeldt is de andere typiste in de reeks “Unbidden Tongues”. Ze werkte in de administratie van de DDR. Tijdens haar werkuren maakte ze mail-art, die ze door alle censuur heen over de muur wist te bezorgen. De kunstwerken zijn te zien als visuele gedichten, satire en een vorm van subversief politiek verzet tegen controle en het totalitaire regime, vermomd achter het beeld van de zwijgzame vrouw achter haar typemachine.

Na de val van de Berlijnse muur stopte Wolf-Rehfeldt met haar mail-art. Ze zag er geen noodzaak meer voor. Dit gegeven fascineert mij omdat ik mij afvraag waar verzet ophoudt en voor wie? Stopte geweld en exploitatie bij het vallen, het afschaffen?

Ruth Wolf-Rehfeldt - 'be aware not to be a ware' - 'untitled'

In de introductie van het meest recente nummer ‘Het Plot’ van literair tijdschrift nY, schrijft redacteur Frank Keizer: “Zoals Katherine McKittrick betoogt is de plantage niet enkel een historische gebeurtenis of productiesysteem, maar heeft ze het model geleverd voor de huidige economische, sociale, geografische en ecologische ordeningen. De plantage leeft voort in de (post)koloniale ruimten van het heden, aldus McKittrick, van de grootschalige industriële landbouw op basis van monocultuur naar het gevangenissysteem en de politie, tot de ordening van wijken en hele steden.”

In het nummer van nY reageren verscheidene auteurs op het schrijnende karakter van het plot: een stuk land, naast de plantage, waar de tot slaafgemaakte mensen zonder winstoogmerk land konden verbouwen. Een grondgebied waar ze hun eigen tradities, normen en religies konden uitoefenen. De plek waar de blues zijn ontstaan, ontsnappingsroutes werden gedeeld en spreuken uitgesproken. Drums werden er verboden, omdat ze mogelijk tot verzet konden leiden. Het verbaast mij dan ook niet dat het gedicht van Thoreau eindigt met:

“If a man does not keep pace with his companions,
Perhaps it is because he hears a different drummer.
Let him step to the music which he hears,
However measured or far away.”

Precious Okoyomon, Angel of death, 2020, raw lambswool, dirt, wire, yarn, 59 × 37 × 41 1/4".
Precious Okoyomon, Angel of earth; Resistance is an atmospheric condition, 2020. Installation view

Als bezoekers weglopen van de tentoonstelling ‘Earthseeds’ van de Nigeriaanse dichter, chef en beeldend kunstenaar Precious Okoyomon, nemen ze aarde mee van onder hun voetzolen. Met zaadjes die zich kunnen verspreiden op ander vruchtbaar grond.

The exhibition’s title is the name of a fictional religion in Octavia E. Butler’s books Parable of the Sower and Parable of the Talents, that proposes “the Earth’s seed can be transplanted anywhere and, through adaptation, will survive.” Like the imagined religion, Okoyomon’s exhibition envisions a “theology of mutation, flux, and motion.” In a piece called “resistance is an atmospheric condition,” Okoyomon filled the gallery space with the Japanese vine Kudzu.

De kudzu-zaadjes worden verspreid met een bladblazer, het lijkt er zaden te sneeuwen. In de ruimte zijn poppetjes: engelen gemaakt van aarde, wol en katoen. Een half jaar nadat de aarde daar is neergezet, is het een eigen ecosysteem geworden. De planten groeien over de engelen heen, er kruipen wormen over de vloeren van de expositieruimte en er vliegen vlinders rond.

Native to the subtropical and temperate areas of Japan and other parts of Asia, it was planted widely in the American South in the 1930s and ’40s to combat the erosion of the region’s soil, which had been degraded by years of cotton cultivation during slavery. Once the vine was displaced from its home, though, its growth became untenable: it strangled and swallowed everything in its path. In the decades since, kudzu has become a generative symbol to writers and artists for the inequalities that still plague the country at large. In a 1973 piece for The Times, the author Alice Walker compared the plant to racism, writing that “if you don’t keep pulling up the roots, it will grow back faster than you can destroy it.”

Okoyomon’s werk is een reactie op de onmogelijkheid om de massamigratie van slavenhandel in West-Afrika terug te keren, om het verwijderd zijn van inheems land en de producten waar het bloed van het verleden aan vast blijft kleven om te draaien. Het groen neemt de hele expositie ruimte over, tegen de traditionele condities en gebruiken van zo’n ruimte in. Het werk van Okoyomon is ook dromerig: het regent zaden, hen leest voor aan planten en zachtjes word elektronische popmuziek afgespeeld.

Wanneer ik mijn koffer weer inpak om te vertrekken kom ik een kopie tegen van een tarotkaart uit het Black Power deck: de hogepriesteres*. Een vriendin gaf het mij mee als herinnering aan moed om te bewegen in een ander ritme, om ongehoorzaam en dwars te blijven maar ook om me te bewapenen met stilte. Als ik de zwarte engelen van Precious Okoyomon ooit in het echt zie, bid ik voor de handen van mijn oom, de handen van mijn moeder – ik hoor mijn botten kraken tijdens het typen.

Precious Okoyomon - My heart makes my head swim (ditto, ditto battle angel), 2021
Precious Okoyomon - My heart makes my head swim (ditto, ditto battle angel), 2021

*The high priestess represents the combination of experiences. The compassion and wisdom of the spiritual mother. The mother here is the one who takes care of all the orphans but has no children of her own, yet she eternally sits contemplating on the egg of her fertility. She is reading the sacred scriptures and is supposed to know the secret of the world. [Depicted as] Marie Laveau was also known as the witch queen of New Orleans. One legend about her was that she was asked to help a black man who was falsely accused of a crime, the man’s family had asked her to use her magic to set him free. So Marie Leveau sat outside of the courtroom while he was being tried for days, and she would place a few fiery red chillies in her mouth and sit there, silently, and perform her spells with tears running down her face. Sure enough the man was eventually set free. This card represents the highest form of compassion.

Bibliografie:

Civic Disobedience – David Henry Thoreau
A Different Drummer – William Melvin Kelley
Unbidden Tongues Series – Publication Studio Rotterdam
Het uur van de ster – Clarice Lispector
Het plot – Literair tijdschrift nY
Earthseeds – Precious Okoyomon
Black Power tarot Deck

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

* verplicht

Meer Mister Motley?

Draag bij aan onze toekomstige verhalen en laat ons hedendaags kunst van haar sokkel stoten

Nu niet, maar wellicht later