Nadia de Vries

It’s OK… #5: Wie kan zich het experiment veroorloven?

5 oktober 2023

Nadia de Vries schreef een tekst naar aanleiding van het panelgesprek tijdens It’s Ok … in de Oude Kerk Amsterdam met de titel ‘What Have You Done For Me Lately?’ waaraan Amal Alhaag, Sabrine Ingabire, Rutger Esajas en Sénami Awunou deelnamen. Tijdens dit gesprek deelden zij hun ervaringen met, en observaties over het inclusiviteitsbeleid van de Nederlandse kunst- en cultuursector, in hun hoedanigheid als makers van kleur. De centrale vraag hierbij was: hoe kom je als maker los van witte waardesystemen? En hoe word je financieel zelfredzaam als je het bureaucratische machtsspel niet meespeelt, of niet wílt meespelen?

 

It’s OK… State of the Arts

Paneldiscussie met Amal Alhaag van Metro54 en SNAP, Sabrine Ingabire van Lilith Magazine, Rutger Esajas en Sènami Awunou van DEGASTEN, en DJ Lovesupreme

9 september 2023

Oude Kerk It's OK Cirkel 7 State of the Arts – foto Maarten Nauw

Om een artistiek werk te kunnen maken – of dit nu een roman, een theaterproductie of een schilderij is – heb je tijd nodig om na te denken. Tijd om te fantaseren, om onderzoek te doen, om nieuwe dingen te proberen en om fouten te maken. De Amerikaanse regisseur David Lynch zei ooit in een interview: voor elk uur dat ik aan artistieke productiviteit besteed, heb ik vier uur aan vrije tijd nodig. Vier uur op een dag, dus, voor één uur werk.
Maar wie kan het zich permitteren om vijf onafgebroken uren per dag aan de kunst te besteden? Aan de eigen productie van kunst, zonder daarbij de belofte te hoeven maken om een prestatie te leveren aan een externe partij? Om echt vrij te zijn, met andere woorden, en het werk te maken dat hen zelf wil en urgent acht. Het korte antwoord is: makers met geld. Makers met geld, of makers die toegang hebben tot een subsidie van de (rijks)cultuurfondsen.

Om een subsidieaanvraag te kunnen doen bij een cultuurfonds, heb je als maker twee dingen nodig. Ten eerste moet je ‘aantoonbaar’ maker zijn, dat wil zeggen: je moet door middel van een portfolio en cv kunnen laten zien dat je al minimaal een jaar actief bent als kunstenaar. ‘Actief’ betekent hier: zichtbaar als kunstenaar in de buitenwereld en de pers. Het werk dat je tot op heden in je woonkamer hebt gemaakt, telt bij een subsidieaanvraag (nog) niet mee als bewijs van professionele arbeid. Ten tweede moet je, als aanvragend maker, de taal van de bureaucratie beheersen. Je moet weten wat je wel en niet in een werkplan zet, welke elementen je dient mee te nemen in een begroting en hoe je de kritische lezer van de urgentie van je project overtuigt. Ook al is de essentie van elke subsidieaanvraag ik heb geld nodig, mag je dat als maker niet zo in je aanvraag vermelden als je kans wilt maken op de betreffende subsidie. In plaats daarvan moet je je project verbinden aan het bestaande werk van collega’s, en aan sociopolitieke actualiteiten, en daarnaast moet je een indicatie geven van het uiteindelijke werk dat je project zal opleveren – ook wanneer je zelf, als maker, nog niet precies weet waartoe je project zal leiden.

Oude Kerk It's OK Cirkel 7 State of the Arts – foto Maarten Nauw
Oude Kerk It's OK Cirkel 7 State of the Arts – foto Maarten Nauw

Aan de ene kant is het begrijpelijk dat fondsen een ‘meetbare’ basis nodig hebben waarop zij hun subsidies verstrekken. De fondsbudgetten voor nieuw artistiek werk zijn helaas beperkt, en als je dan een subsidie toekent, is het voor een fonds veiliger om dit aan iemand te geven die een op papier aanwijsbare ervaring heeft met het voltooien van artistieke projecten. Het nadeel van deze benadering is echter dat makers die de taal van de Nederlandse bureaucratie niet spreken, of die (nog) geen of weinig aanwijsbaar werk hebben, al gauw buiten de boot vallen. En dat heeft invloed op de spreiding van de budgetten voor nieuw werk. Als gevolg van deze rigide toekenningswijze, gaan de subsidies hoofdzakelijk naar makers die wegwijs zijn in de bureaucratie én al gevestigd genoeg zijn om professioneel gedocumenteerd werk te hebben. Ambitieuze makers die goede ideeën hebben, maar niet de benodigde institutionele aansluitingen hebben om een subsidieaanvraag te kunnen – of mogen – doen, moeten dan op eigen kosten de tijd en ruimte vinden om hun portfolio uit te breiden. Met andere woorden, de makers voor wie een subsidie het grootste economische verschil zou maken, moeten zonder steun doorwerken totdat zij ‘middenklasse’ genoeg zijn voor een subsidieaanvraag.

Sinds een aantal jaar staan diversiteit en inclusie (opnieuw) op de agenda van het Nederlandse culturele landschap. In 2021 werd er een nieuwe Code van Diversiteit en Inclusie geïntroduceerd, die de rijkscultuurfondsen als basis gebruiken voor het toekennen van hun subsidies. Als onderdeel van deze regeling maken de fondsen ook gebruik van externe ‘meedenkers’ die de voornemens van de Code van Diversiteit en Inclusie helpen waarborgen. Het is fijn dat het rijk erkent dat er, in zowel de culturele sector als de maatschappij in het algemeen, met een bevooroordeelde lens wordt gekeken naar makers die niet aansluiten bij het dominante profiel van de witte, aan de kunstacademie opgeleide kunstenaar met een breed netwerk in de Randstad. Maar als aanvragend maker moet je, ongeacht wie je bent, wel nog steeds de bureaucratische taal van de witte, hoogopgeleide middenklasser kunnen spreken. Wat voor gevolgen heeft deze gevraagde werkwijze voor de diversiteit en inclusie van de culturele markt in Nederland?

Oude Kerk It's OK Cirkel 7 State of the Arts – foto Maarten Nauw

In het kort heeft deze werkwijze haar weerslag op twee aspecten van het artistieke landschap: de werkgelegenheid voor gemarginaliseerde makers, en de ruimte voor experiment en onderzoek. Voor een subsidieaanvraag moet elke maker, zoals eerder genoemd, een aanzienlijke documentatie en rapportage van hun reeds gemaakte én te maken werk aanleveren. Het maakt hierbij niet uit of je, naast je kunstpraktijk, nog andere arbeids- of zorgtaken hebt die de beschikbare tijd voor je aanvraag inperken; of je geen familie of ander hulpnetwerk hebt die je financieel kan ondersteunen terwijl je je aanvraag schrijft, of op de uitslag daarvan wacht; of je om wat voor reden dan ook niet zo bedreven bent in geschreven Nederlandse taal; of dat je een werkfilosofie hebt die niet aansluit bij de benodigde rapportagewijze van een subsidieaanvraag. Voor elke maker gelden dezelfde deadlines, dezelfde documentatievereisten en hetzelfde maximale subsidiebedrag. Bij het toekennen van de subsidies wordt er dan wel gekeken naar de diversiteit van de gehonoreerde projecten, maar bij het proces vooraf wordt er nog steeds op een specifieke groep makers geanticipeerd.

Je zou kunnen zeggen dat het qua diversiteit en inclusie juist bevorderlijk is om aan iedereen dezelfde vereisten te stellen. Maar door de alledaagse, praktische implicaties van marginalisering – systematische onderwaardering, historische afstand tot institutionele steun, maatschappelijke uitsluiting – begint de drempel van een subsidie al bij de gevraagde voorwaarden. Het zou daarom waardevol zijn als de (rijks)cultuurfondsen zouden willen experimenteren met nieuwe vormen van subsidieaanvragen, en hierbij de input zouden vragen van makers die eerder, ondanks hun activiteiten, nog geen aanspraak hebben kunnen maken op een subsidie. Want de diversiteit en inclusie van de fondsen zou niet alleen betrekking moeten hebben op het soort projecten dat gehonoreerd wordt, maar ook op de wijze waarop er voor deze projecten een subsidie kan worden aangevraagd.

De diversifiëring van de culturele sector is grotendeels een socio-economische kwestie. Wellicht de meest praktische manier om de culturele sector diverser te maken, is om voor gemarginaliseerde makers domweg ‘tijd’ te kopen. Tijd om nieuwe dingen te proberen, om fouten te maken, om artistieke risico’s te nemen en om de eigen ideeën te kunnen laten bezinken. Tijd om te experimenteren, met andere woorden, zonder daarbij een concreet eindwerk te hoeven beloven. Voor iedere maker is het essentieel om uitgebreid over de eigen ideeën te kunnen nadenken, zodat zij de ‘muze’ – welke metaforische of praktische vorm deze ook aanneemt – kunnen toelaten. En zodat ze, net als David Lynch, de tijd kunnen nemen om in the zone te komen. Het hebben van tijd is, zoals het cliché luidt, een kwestie van geld. Alle romantische vooroordelen over de sector daargelaten, is een carrière in de kunsten mede-afhankelijk van financiële factoren. Dit zie je ook terug in het huidige culturele landschap. Beginnende makers die uit een bevoorrecht socio-economisch milieu komen, bijvoorbeeld, hebben doorgaans geen subsidie nodig om hun eerste stappen in de culturele sector te kunnen maken: voor hun artistieke tijd wordt er van huis uit gezorgd. Het is dan ook geen toeval dat veel makers die in Nederland al op jonge leeftijd erkenning krijgen, uit de hogere middenklasse komen, of uit een gezin komen waarin minstens één familielid een invloedrijke positie in de culturele sector geniet.

Oude Kerk It's OK Cirkel 7 State of the Arts – foto Maarten Nauw

Als maker kost het veel tijd om je eigen artistieke stem te ontwikkelen én te leren profileren. Wanneer je deze experimenteertijd al vanaf een jonge leeftijd meekrijgt vanuit je familie, is je aanloop naar een carrière in de kunsten beduidend korter. Makers die deze economische toegang niet hebben, moeten niet alleen hun eigen maaktijd zien vrij te kopen: ze moeten ook hun netwerk en professionele ‘gunfactor’ vanaf de grond opbouwen. Ook hierin kunnen subsidies een belangrijke rol spelen. De institutionele erkenning van een cultuurfonds, in de vorm van een subsidietoekenning, bestaat namelijk niet alleen uit geld. Een dergelijke toekenning zegt ook: wij erkennen dat deze maker een professional is in de Nederlandse cultuursector, en dat deze persoon de tijd en ruimte voor experiment verdient.

Des te meer reden voor cultuurfondsen om niet alleen de projecten die zij steunen, maar ook de wijze waarop dergelijke steun kan worden aangevraagd te diversifiëren. Makers die geen rijke ouders, (kunst)academische achtergrond, Randstedelijk netwerk of bedrevenheid in de Nederlandse bureaucratie hebben, zijn net zo goed in staat om vernieuwend en urgent werk te produceren. Deze zelfde makers verdienen tevens de ruimte om werk te maken over een onderwerp van hun eigen keuze, en via hun zelfgekozen werk- en presentatiewijze. Het gebeurt namelijk nog te vaak dat makers die een gemarginaliseerde identiteit hebben, alleen toegang tot de dominante instituten krijgen als zij werk over hun eigen marginalisatie willen maken. En om zo het ondersteunende instituut een ‘diverse’ uitstraling te geven – ook wanneer het publiek van dit instituut niet, of slechts beperkt divers is. Deze benadering van gemarginaliseerde makers is niet alleen betuttelend, maar ook beperkend voor de artistieke profileringsruimte van de maker in kwestie. Het werk wordt zo gereduceerd tot een louter antropologisch object, en niet erkent als een praktijk die reageert op een bredere, artistieke context.

In het huidige culturele landschap van Nederland, is de ruimte voor experiment en bezinning nog te vaak een luxe die alleen gepermitteerd wordt door de maker uit de (hogere) middenklasse. Door een bureaucratisch laagdrempelige subsidievorm aan te bieden, kunnen de (rijks)cultuurfonden bijdragen aan een verhoogde economische toegankelijkheid van het kunstenaarsvak. Institutionele regelingen, codes en werkplannen die de diversiteit en inclusie van de cultuursector bevorderen, zijn mooie ontwikkelingen, maar uiteindelijk wordt effectieve diversifiëring maar op één praktische manier bereikt: een radicale herverspreiding van het geld. Bij een dergelijke herverspreiding, hoort ook een ander toekenningssysteem. Een systeem waarbij niet alleen wordt gekeken naar de meest diverse eindproducten, maar ook naar de vrije denktijd die de te verstrekken subsidie feitelijk voor een maker koopt: een vrije denktijd die, ten behoeve van het experiment, onvoorwaardelijk moet zijn.

Oude Kerk It's OK Cirkel 7 State of the Arts – foto Maarten Nauw
Oude Kerk It's OK Cirkel 7 State of the Arts – foto Maarten Nauw

Bovenstaande tekst werd geschreven naar aanleiding van het panelgesprek met de titel ‘What Have You Done For Me Lately?’ waaraan Amal Alhaag, Sabrine Ingabire, Rutger Esajas en Sénami Awunou deelnamen. Tijdens dit gesprek deelden zij hun ervaringen met, en observaties over het inclusiviteitsbeleid van de Nederlandse kunst- en cultuursector, in hun hoedanigheid als makers van kleur. De centrale vraag hierbij was: hoe kom je als maker los van witte waardesystemen? En hoe word je financieel zelfredzaam als je het bureaucratische machtsspel niet meespeelt, of niet wílt meespelen? De middag werd geopend met een provocatie van Sabrine Ingabire, en werd ondersteund door muziek van DJ Lovesupreme.
            Geïnspireerd door het panelgesprek en de provocatie van Ingabire, schreef Nadia de Vries bovenstaand voorstel voor een nieuw aanvraagproces bij de (rijks)cultuurfondsen. Het huidige aanvraagproces voor projectsubsidies is, ondanks de voornemens voor diversiteit en inclusie, in praktische zin nog geënt op bevoorrechte makers: zij die volop tijd hebben om over hun eigen werk na te denken, en/of de ruimte krijgen om op eigen gelegenheid door de culturele instituten te bewegen. Door bij het toekennen van subsidies de aandacht te verplaatsen van eindproducten naar de werkelijke economische vrijheid die het een maker biedt, kunnen subsidies bijdragen aan een cultureel landschap waarbij de ruimte voor experiment (en voor fouten, fantasie en verveling) toegankelijker wordt gemaakt voor makers wiens praktijk niet voorkomt uit de witte, hoogopgeleide middenklasse.

Advertenties

Ook adverteren op mistermotley.nl ? Stuur dan een mail naar advertenties@mistermotley.nl

#mc_embed_signup{ font:14px Riposte, sans-serif; font-weight: 200; } #mc_embed_signup h2 { font-size: 3.6rem; font-weight: 500 } #mc_embed_signup .button { border-radius: 15px; background: #000;} #mc_embed_signup /* Add your own Mailchimp form style overrides in your site stylesheet or in this style block. We recommend moving this block and the preceding CSS link to the HEAD of your HTML file. */

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

* verplicht
Email formaat
(function($) {window.fnames = new Array(); window.ftypes = new Array();fnames[0]='EMAIL';ftypes[0]='email';fnames[1]='FNAME';ftypes[1]='text';fnames[2]='LNAME';ftypes[2]='text'; /* * Translated default messages for the $ validation plugin. * Locale: NL */ $.extend($.validator.messages, { required: "Dit is een verplicht veld.", remote: "Controleer dit veld.", email: "Vul hier een geldig e-mailadres in.", url: "Vul hier een geldige URL in.", date: "Vul hier een geldige datum in.", dateISO: "Vul hier een geldige datum in (ISO-formaat).", number: "Vul hier een geldig getal in.", digits: "Vul hier alleen getallen in.", creditcard: "Vul hier een geldig creditcardnummer in.", equalTo: "Vul hier dezelfde waarde in.", accept: "Vul hier een waarde in met een geldige extensie.", maxlength: $.validator.format("Vul hier maximaal {0} tekens in."), minlength: $.validator.format("Vul hier minimaal {0} tekens in."), rangelength: $.validator.format("Vul hier een waarde in van minimaal {0} en maximaal {1} tekens."), range: $.validator.format("Vul hier een waarde in van minimaal {0} en maximaal {1}."), max: $.validator.format("Vul hier een waarde in kleiner dan of gelijk aan {0}."), min: $.validator.format("Vul hier een waarde in groter dan of gelijk aan {0}.") });}(jQuery));var $mcj = jQuery.noConflict(true);

Meer Mister Motley?

Draag bij aan onze toekomstige verhalen en laat ons hedendaagse kunst van haar sokkel stoten

Nu niet, maar wellicht later