Lichamen met pijn en andere gebreken doen iets met de ruimte
Een lichaam met pijn kan de westerse scheiding van lichaam en geest niet langer in stand houden, schrijft Mira Thompson. Iemand met pijn wordt genoodzaakt het lichaam en de geest te doen samensmelten, wat handicaps-activisten ertoe aanzette de dichterlijke samenvoeging “bodymind” te munten. De aanwezigheid van pijn oefent een kracht uit op hoe kunst wordt vormgegeven en waargenomen. Een subtiele kracht die de kunstbeleving richting geeft. Dit is Mira’s nieuwste bijdrage aan haar reeks Land zonder grenzen, waarin ze onderzoekt hoe handicaps en kunst verbinding met elkaar kunnen krijgen.
‘Vandaag is alles anders,’ hoor ik een passerende verpleegkundige tegen een collega zeggen. De CT scanner op de eerste hulp heeft het begeven, vang ik op. Spoedpatiënten worden hier, op de radiologie afdeling van het ziekenhuis, binnengebracht.
Om de zoveel tijd voltrekt zich een geroutineerd ritueel: ambulancepersoneel brengt rennend een bed op wielen binnen, met daarop een stel paniekogen. Witte jassen komen in beweging, de paniekogen op bed worden naar de CT scanner gerold. Na ongeveer een kwartier keren de paniekogen terug, tegen die tijd veranderd in stand overgave en verbazing over de fabrieksmatige gang van zaken.
De overgeblevenen, de mensen zonder witte jas, wachten zwijgzaam af tot ze zelf aan de beurt zijn.
Al zolang ik me kan herinneren, ben ik geboeid door de manier waarop tijd wordt beleefd in medisch verband. Een medische omgeving laat weinig ruimte voor rustig wegdromen: elke minuut is bepalend. Tegelijkertijd word je als patiënt in een ingewikkelde positie gebracht, waarin er weinig anders op zit dan passief de klok voort zien tikken, wachtend op wat er met je lichaam gebeuren moet.
Stennis schoppen kan je immers tegenwerken. Weerstand bieden wordt je niet in dank te afgenomen en stennis schoppen kan je tegenwerken. Artsen moet je te vriend houden: een uitgeschoten infuus kan je er niet óók nog bij hebben.
De wachtkamer als foucaultiaanse tussenruimte.
Ik kijk naar de man die tegenover me in de wachtkamer zit. “Strong”, staat er in blokletters op zijn roze t-shirt. Driftig typt hij op z’n telefoon, terwijl er aan zijn gezicht weinig onrust is af te lezen. Met de benen losjes over elkaar, omklemt hij de rugleuning van de gapende vrouw die naast hem zit. De vrouw, ik vermoed zíj́n vrouw, of zou het z’n zus zijn, is eveneens met haar telefoon in de weer. Ik betrap mezelf op de gedachte dat ze elkaar aan het berichten zijn over hun falende huwelijk of het verdelen van een erfenis. Scheldkanonnades in geschreven vorm hebben iets opwindends wanneer de omgeving met heel andere zaken bezig is. Sinds ik hier zit hebben de twee elkaar nog geen enkele keer aangekeken. De driftvingers van de man lopen inmiddels rood aan.
Aan de linkermuur van de wachtkamer hangt een grote witte klok: kwart over drie. Ik zie het echt goed. Ik zit hier al twee uur.
De wijzers van de klok, het wrijvende geluid op het telefoonscherm van de driftvingerman, de gelatenheid over de onvermijdelijke vertraging, drijven me tot een vorm van waanzin waarvan mijn bovenbenen het slachtoffer blijken. Mijn nagels grijpen zich vast in mijn helderblauwe panty. Ik wil weerstand, geen apathie. Opstand, geen onderwerping.
In een poging mijn panty van de ondergang te redden, keer ik terug naar wat ik altijd doe in tijden van wanhoop en woede: ik ga op zoek naar wie me is voorgegaan. Wie, in dit geval, de wachtkamer, het uitleveren van je lichaam, tot artistiek beginpunt van een kunstwerk maakte.
Tijdens één van mijn vele online zoektochten naar kunstwerken gemaakt vanuit het liggende perspectief, stuitte ik begin vorig jaar op een tekening van de Canadese Grant Ionatán. De tijd die Ionatán wegens taaislijmziekte in ziekenhuizen doorbrengt, drijft zijn beeldende werk.
Het eerste waar mijn oog op valt: een cirkel met in het midden pijlen die in alle richting naar buiten wijzen. Ik verbaas me erover hoe deze ronde vorm met niet veel meer dan een aantal lijnen in het midden, onmiddellijk de suggestie van een klok wekt. Een klok ,weliswaar, die de tijd anders registreert, tijdloos is, niet weet welke kant ze op tikt, misschien zelfs stilstaat.
Voor mij verbeeldt Grant wat door gehandicapte academica Alison Kafer, Crip Time genoemd wordt. Crip Time, zo stelt Kafer, is een beleving van tijd die niet voldoet aan de gebruikelijke perceptie ervan: een niet-chronologische tijdsbeleving. Een heen en weer bewegen tussen toekomst, heden en verleden. Een antikapitalistisch begrip, waar de waarde van tijd anders gemeten wordt. Niet zozeer productie doet ertoe, maar de ervaringen die binnen een tijdsbestek plaatsvinden.
Crip Time kent verschillende definities, en wordt ook gebruikt om de extra (en door velen onopgemerkte) tijd aan te duiden die voor gehandicapte en zieke mensen opgaat aan het uitvoeren van dagelijkse handelingen. Van jezelf aankleden tot een theekopje uit de kast pakken, van je tanden poetsen tot wachten op de thuiszorg: al deze momenten kunnen zorgen voor een alternatieve tijdsbeleving. Het ervaren van pijn of het ondergaan van medische ingrepen beïnvloeden eveneens de perceptie van tijd.
Crip Time wordt niet alleen omschreven als iets dat tegenwerkt, maar wordt ook gekenmerkt door haar stimulerende kracht. Crip Time stelt ons in staat om te begrijpen dat ieder lichaam, elke geest volgens een andere logica functioneert. Of, zoals Kafer zelf zegt in haar academische, maar ook verbazingwekkend persoonlijke boek ‘Feminist, Queer, Crip’: “rather than bend disabled bodies and minds to meet the clock, crip time bends the clock to meet disabled bodies and minds.“
Er is meer te zien op de tekening van Ionatán: een ziekenhuiskamer, een mens, alleen, liggend op bed, starend naar het plafond, bekeken vanaf de onderkant van de voeten. Als kijker lig je bijna tegenover deze persoon in dit kille vertrek. Maar niet helemaal. De figuur blijft op afstand, alleen.
Het is niet enkel het vertroebelde tijdsbesef in Ionatán’s werk, het in elkaar krimpen van de seconden, minuten, uren, dat me treft. De kunstenaar brengt een vorm van waarnemingsverandering in beeld. De kamer lijkt te vervormen, het afgebeelde lichaam doet merkwaardig klein aan: lijkt te slinken. Terwijl, als je goed kijkt, de verhoudingen van de figuur en het bed niet per definitie afwijkend zijn.
De driftvingerman kijkt voor het eerst op van zijn telefoon, legt ‘m zelfs naast zich neer. Een vriendelijk knikje van erkenning, voordat hij opnieuw zijn geliefde apparaat tevoorschijn haalt. Een kostbaar object. Dit communicatiemiddel moet gekoesterd worden. Ik geef de man gelijk. Je kunt er flink mee op los schelden, zonder er de consequenties van te ondervinden.
Lang rechtop zitten is niet bevorderlijk voor de chronische pijn in mijn heupen, rug, schouders. Waarom zijn hier in godsnaam geen rustruimtes?
“It was hard to get here, rest here if you agree” staat er in grote kapitalen op de donkerblauwe bank, gemaakt door kunstenaar Finnegan Shannon. Shannon belicht met directe toon en felle kleuren de tekortkomingen in toegankelijkheid van de openbare ruimte. Zachte materialen als fluweel komen regelmatig terug. Maar de boodschap is direct en klinkklaar: vergeet ons niet, hier in deze ruimte bevinden zich zonder dat het voor de omgeving altijd zichtbaar is, mensen voor wie het geen vanzelfsprekendheid is dat ze er zijn.
Shannon maakt deze doorgaans onopgemerkte groep tot centraal punt. Niet alleen door de aandacht te richten op architecturale onvolkomenheden (en daarmee ook deze groep mensen.) Het uitnodigende kunstwerk is precies voor hen bedoeld die het meest last hebben van deze gebreken. Neem plaats op deze comfortabele Yves Klein-blauwe bank. Hij staat er voor jou. Jij daar, met je stroeve ledematen: wees niet beschaamd als staan of zitten niet meer gaat. Voel je vrij hier, middenin het museum, languit te gaan liggen.
Het vereist weinig inspanning te begrijpen wat Shannon beoogt, en toch blijf ik geïntrigeerd door de vindingrijkheid van deze kunstenaar. Behalve de blauwe banken, zijn er persoonlijke, politiek getinte teksten: “Reinventing my strangeness as an artform that only I am the inventor of.”, ingelijst en geschreven tegen eenzelfde blauwe achtergrond. Er zijn hangende banier’s (of moeten deze lange stroken een ruggengraat verbeelden? Na elke regel staat een witte punt, die aan wervels doen denken), met daarop een reeks korte frases. Hoopvolle beloftes die we herkennen (weliswaar in minder dichterlijke bewoordingen) van medicatieverpakkingen: “loosens stiff muscles”, “melts away pain”.
Een knipoog naar de ellenlange opsommingen in farmaceutische televisiereclames uit de VS, waarin zowel de voordelen als de mogelijke bijwerkingen uiteen worden gezet van een te verkrijgen middel. De beeldende teksten op de banen textiel staan in schril contrast met de zeer zorgelijke situatie rondom de gezondheidszorg in het land.
Shannon’s werk wordt veelal in musea en galeries getoond: omgevingen waarin vaak weinig aandacht bestaat voor anders uitziende of functionerende lichamen. Het is niet alleen de ruimteopeising van Shannon die mijn interesse wekt.
Deze toe-eigening zet mij aan om de betekenissen van de aanwezigheid van deze (gemankeerde) lichamen in dit kader nogmaals te overdenken. Lichamen met pijn en andere gebreken, doen iets met de ruimte, met de kunst zelf. Zowel de kunstenaar met pijn als de bezoeker met pijn brengt een Descartiaanse lichaam-geest scheiding naar voren. Pijn hebben veroorzaakt niet alleen een vervreemding van het lichaam. Een lichaam met pijn kan de Westerse leugen van deze zogenaamde binairiteit niet langer in stand houden, maar wordt genoodzaakt het lichaam en de geest te doen samensmelten, wat handicapsactivisten ertoe aanzette de samenvoeging “bodymind” te munten. De onontkoombare aanwezigheid van pijn oefent een kracht uit op hoe kunst wordt vormgegeven en waargenomen. Een subtiele kracht die de kunstbeleving richting geeft en een verrijkende blik kan bieden.
Met de bank doet Shannon een handreiking aan een groep die vaak buiten beeld blijft. Eenvoudig genoeg, zou je denken. Maar daarmee gebeurt er ook iets anders, misschien wel wezenlijkers: de openbare ruimte wordt geconfisqueerd. Er wordt iets aan het licht gebracht waar velen geen weet van hebben. Een rustuitnodiging terwijl niemand je pijn kan zien is een gedurfd gebaar, temeer in een samenleving waarin rust als stagnatie en zwakte gezien wordt.
Het meubelstuk van Shannon belichaamt een plek waar je geen verantwoording hoeft af te leggen voor je anders functionerende lichaam. Een gebied waar je bestaan niet wordt gemeten aan de hand van rendement of vaart, maar een ruimte symboliseert waar aandacht en zorg centraal staan.
Ik probeer me voor te stellen hoe ik hier, in dit stiltevacuüm van machteloosheid, plaatsneem op de bank van Shannon. Maar nog voor ik geland ben staat er een witte jas voor me.
“Mevrouw Thompson”. Mijn panty lijkt -deze keer althans- laddervrij te blijven.