Mister Motley heeft een boek gemaakt. Koop hier 'Dit is een vertaling'.

Image

Afleiding als een vorm van concentratie

02-10-2016 Prof. Dr. Ignaas Devisch

In zijn boek Pensées (Gedachten) gaat de zeventiende eeuwse filosoof Blaise Pascal in op de begrippen divertissement (verstrooiing, afleiding) en ennui (verveling, melancholie). Hij verwondert zich over de nood aan afleiding en verstrooiing die veel mensen blijkbaar hebben. Bovendien spreekt hij voortdurend zijn lezers aan: Waarom zijn we op zoek naar vermaak? Waar lopen we van weg? We maken toekomstplannen om het heden te ontstijgen en denken daarmee het geluk te bereiken, maar dat is een hopeloze zaak: ‘Op die manier leven we nooit, maar hopen we te leven, en omdat we altijd plannen maken om gelukkig te zijn, is het niet te vermijden dat we het nooit worden.’ (1)

Samengevat komt zijn stelling hier op neer: we hebben afleiding en activiteit nodig, omdat rust psychisch ondraaglijk is, want zodra we tot stilstand komen, beseffen we hoe ongelukkig we zijn en daarom lopen we weer hard weg. Hij spreekt hier natuurlijk in de eerste plaats voor zijn tijdgenoten, maar zijn uitspraken reiken verder. Hij lijkt het telkens over ‘de moderne mens’ in het algemeen te hebben: ‘Wanneer onze toestand werkelijk gelukkig was, zouden we geen verstrooiing nodig hebben om er niet aan te denken’. (2)

In een reflectie over concentratie en vluchtigheid is Pascals inzicht bijzonder interessant. De aanhoudende rusteloosheid (3) die de moderne mens kenmerkt is volgens hem onze vluchtroute, omdat we twijfelende wezens zijn die er niet in slagen om op een rustige manier te leven en met onze sterfelijkheid in het reine te komen. (4) Maar we kunnen zijn stelling ook lezen als dat van een psychoanalyticus avant la lettre omdat hij refereert aan een onbewust verlangen waardoor de moderne mens zou getekend zijn. Omdat we niet gelukkig zijn, zoeken we (onbewust) afleiding en maken we onszelf wijs dat daarin het geluk zich zou openbaren. We zouden beter moeten weten, maar als jachtige, haastige mensen hebben we de rusteloosheid nodig omdat het ons gaande houdt. 

Terwijl Pascal in een vlaag van fundamenteel pessimisme besluit dat het enige goed van de mensen er in bestaat afgeleid te worden van het denken van hun situatie, zouden we ons ook kunnen afvragen: stel dat we niet door dat verlangen getekend zijn, wat zou er van ons overblijven? Die verstrooiing houdt ons gaande en staande. (5) Wij mensen blijven steeds verlangen naar iets anders. Op het moment dat we iets hebben verworven, zijn we alweer op zoek naar het volgende. Dus zoeken we naar afleiding om ons niet te vervelen maar ook omdat het ons fundamenteel bezighoudt.
Tot daar Pascal. Laten we even de overstap maken naar vandaag. Het cliché wil dat we teveel afleiding kennen waardoor we ons niet kunnen concentreren. We zouden allerlei vluchtige prikkels opnemen waardoor ons brein het begeeft of toch minstens overbelast raakt. Smartphones, internet en tablets zijn dan de grote boosdoeners die we dringend uit ons leven moeten bannen. Sommige mensen gaan zelfs op stiltevakanties om te ontgiften van alle jachtigheid en overdaad. Dan betalen ze fors om tien dagen te moeten zwijgen en ook al houden velen het slechts enkele dagen uit, het feit dat we er geld voor over hebben is een symptoom van onze worsteling met de verhouding tussen drukte en verveling in ons leven. 

Wie een beetje grasduint in de geschiedenis weet dat het allesbehalve de eerste keer is dat we ons druk maken over de negatieve impact van nieuwe technologie op ons zenuwstelsel. Aan het eind van de negentiende eeuw bijvoorbeeld spreken heel wat ‘zenuwartsen’ hun bezorgdheid uit over bepaalde maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de nieuwe vormen van communicatie of het drukkere verkeer, dat dan zowel uit de auto als uit de trein bestond. Met een aantal prachtige citaten tot gevolg. De Duitse neuroloog Wilhelm Erb (1840-1821) bijvoorbeeld sprak in 1893 een academische rede uit met als titel ‘Über die wachsende Nervosität unserer Zeit’ (Over de toegenomen nervositeit in onze tijd). Hij klaagt daarin steen en been over de gewijzigde maatschappelijke omstandigheden die volgens hem de nervositeit van individuen doet toenemen. Let vooral op de opvallende analogie met onze tijd:

‘In de strijd om het bestaan worden aan het prestatievermogen van het individu aanzienlijk hogere eisen gesteld, en slechts met inspanning van al zijn geesteskrachten kan hij hieraan voldoen; tegelijkertijd zijn de ‘culturele’ seksuele moraal en de moderne nervositeit behoeften van het individu, de aanspraken op levensgenot in alle milieus toegenomen, een ongekende luxe is bepaalde lagen van de bevolking ten deel gevallen die daar vroeger onberoerd door bleven; de ongodsdienstigheid, ontevredenheid en hebzucht zijn in brede lagen van het volk toegenomen; de mateloze uitbreiding van het verkeer en de wereldomspannende netwerken van telegrafie en telefonie hebben de omstandigheden in het handelsverkeer totaal gewijzigd: alles gebeurt in haast en agitatie, de nacht wordt gebruikt om te reizen, de dag om zaken te doen, zelfs ‘ontspanningsreizen’ plegen een aanslag op het zenuwstelsel […] ; het leven in de grote steden is steeds geraffineerder en rustelozer geworden. De verslapte zenuwen zoeken ontspanning in verhoogde prikkels, in pikante genietingen, om daardoor nog vermoeider te geraken.’ (6) 

Wanneer je telegrafie en telefonie vervangt door internet en smartphone dan lijkt het alsof Erb over onze tijd schrijft. En hij was heus niet de enige, laat staan de eerste om deze klacht te formuleren. Bij haast elke technologische ontwikkeling die we in de moderne samenleving hebben gekend, komen we dezelfde diagnose tegen: de techniek haalt ons weg van het echte, rustige leven, het zet ons zenuwstelsel onder druk en als we er niet dringend iets aan doen, is de ondergang nabij. 

Nu, dat we ons verliezen in het gebruik van smartphone is inderdaad vaak zichtbaar. Een scherm trekt nu eenmaal makkelijk je aandacht, maar of we het alleen moeten beschouwen als een vorm van afleiding is een andere zaak. Als je iemand aanspreekt tijdens het surfen dan moet je vaak veel moeite doen om contact te leggen. Wijst dat niet op een grote vorm van concentratie? Zolang we alles wat met techniek te maken heeft alleen als afleiding beschouwen, dan zijn we inderdaad de hele tijd afgeleid. Maar waarom zou dat het geval moeten zijn? Is boeken lezen dan geen afleiding, of naar het theater gaan? Ik bedoel maar: waar ligt de grens tussen afleiding en inspiratie en wie bepaalt die? 

Ik geef Erb nogmaals aan het woord want zijn lamentatie was nog niet afgelopen. Lees even mee wat hij schrijft over literatuur en theater: ‘De moderne literatuur houdt zich vooral bezig met uiterst bedenkelijke problemen die alle hartstochten, zinnelijkheid en genotzucht loswoelen, minachting voor alle ethische principes en alle idealen in de hand werken; ze laat de lezer kennismaken met pathologische figuren, psychopathisch seksuele, revolutionaire en andere problemen; ons gehoor wordt opgezweept en overprikkeld door in grote doses toegediende opdringerige en lawaaiige muziek, de schouwburgen betoveren alle zinnen met hun opwindende voorstellingen; ook de beeldende kunsten richten zich bij voorkeur op wat afstotend, lelijk en opwindend is, en deinzen er niet voor terug ons ook het afgrijselijkste dat de werkelijkheid te bieden heeft met stuitend realisme onder ogen te brengen.’ (7)

Dit citaat maakt duidelijk dat in de negentiende eeuw literatuur, muziek en theater vaak negatief werden bejegend, als een vorm van afleiding zeg maar die de geesten van de jongeren dreigde te perverteren. Het echte leven daarentegen staat voor het tegenovergestelde: geen spel maar inspanning, geen afleiding maar concentratie op de dingen die er echt toe doen. En opnieuw: vervang een aantal woorden door 21e eeuwse ‘afleidingen’ en we komen uit op wat je de afgelopen jaren in zowat elk magazine leest: we moeten dringen onthaasten en verlangzamen of het komt nooit meer goed. 

Ik zal niet beweren dat er geen zware nadelen zijn aan het gebruik van internet en smartphone, maar het allemaal afdoen als afleiding en vluchtigheid is me te makkelijk. Misschien hebben we wel angst van het feit dat vooral die afleiding ons sterk interesseert, veel meer dan andere zaken die ons zijn opgelegd of die we nu eenmaal horen te doen. Kijk hoe een veertienjarige een game speelt. Zelden zie je zoveel concentratie, zowel fysiek als psychisch. Hun hele lijf gaat er in mee. Waarom dan zou gaming – om maar één voorbeeld te noemen – dan niet ook een bron van creativiteit kunnen zijn? 

Trouwens, vele games getuigen van een zeer levendige verbeeldingskracht die we ook in de kunst of de wetenschap tegenkomen. Waarom zouden we dat kunnen integreren in onze beschouwing over de wereld? Waarom zouden beelden die we op internet bekijken ons niet ook confronteren met onze conditie? En waarom zou nieuwe technologie niet bij uitstek een plaats kunnen krijgen in de kunst? Denk bijvoorbeeld aan de fascinerende video-installaties van iemand als Bruce Nauman die vanaf de jaren tachtig de wereld veroverden. Daar zie je de menselijke rusteloosheid aan het werk in een universum dat zich niet afkeert van de techniek, maar ons ook de lastige kanten ervan toont. Vluchtige beelden worden zo een bron van beschouwing en doen ons stilstaan bij de dingen zoals een schilderij dat ook kan. 

Het laatste wat ik hier wil beweren, is dat we geen problemen zouden kennen met het gebruik van nieuwe technologie of dat elke vorm van afleiding per definitie interessant is. Maar laten we ophouden te redeneren in eenvoudige tegenstellingen. Veel van wat eerst als afleiding werd beschouwd, getuige de analyse van Erb, bleek later een bron van inspiratie te zijn om de rusteloze zoektocht die het menselijke leven is, gaande te houden. Benieuwd hoe we over een halve eeuw tegen gaming zullen aankijken. 

Ignaas Devisch - foto Michiel Hendryckx
Ignaas Devisch - foto Michiel Hendryckx

[1] Pascal, 1997, p. 25 (nr.47)
[2] Pascal, 1997, p. 33 (nr. 70)
[3] Devisch, 2016
[4] Pascal, 1997, p. 52 (nr.131)
[5] Pascal, 1997, p. 56 (nr.136)
[6] Erb, 1893, pp. 23-24; ook geciteerd in ‘De culturele’ seksuele moraal en de moderne nervositeit; Sigmund Freud, 1984
[7] Erb, 1893, pp. 23-24 

Referenties
Devisch, Ignaas (2016) Rusteloosheid. Pleidooi voor een mateloos leven. Amsterdam: De Bezige Bij. 
Erb, W.H. (1893). Über die wachsende Nervosität unserer Zeit. Heidelberg: J. Hörning.
Freud, S. (1984). De ‘culturele’ seksuele moraal en de moderne nervositeit. Vertaald door Dick Bergsma, Henk Bouman en Gerda Mathot. Meppel: Boom.
Pascal, B. (1997). Gedachten. Vertaald door Frank de Graaff. Amsterdam: Boom.

Ook adverteren op mistermotley.nl? Stuur dan een mail naar maurits@mistermotley.nl