Laure van den Hout

Wederkerige verlichting – over Michael Borremans’ De Maagd

Column
22 oktober 2026

Werken in de openbare ruimte trekken veelal de aandacht met hun imposante schaal. Zoniet ‘De Maagd’ van Michaël Borremans, dat klein en fijnzinnig op de zijkant van een Gentse betonnen constructie prijkt. Laure van den Hout wordt in die stad getroffen door de uitzonderlijke benaderbaarheid van het werk.

Het heeft iets bevreemdends om liftdeuren uit te zien komen op een openbaar plein. Een groepje mensen stapt de werkelijkheid in. Zo oogt het. Waar ze vandaan komen weet ik niet.

De reden dat ik überhaupt registreer dat er een lift verborgen zit in de kolos op het Goudenleeuwplein in Gent is omdat hoger op het beton een kunstwerk mijn blik vangt. Het is een klein portret van een vrouw, ze kijkt opzij, uit haar ogen schieten lichtstralen. Enerzijds ijl, anderzijds onmiskenbaar, als strakgespannen draden.
Het kleurenpalet van het portret is op haar huid na vergrijsd: het haar is donker, de achtergrond zwart gemêleerd. Haar witte boord steekt er monter bij af. Het fresco krijgt haar levendigheid door hoe het geschilderde spel van licht het gezicht definieert: op haar neusbrug weerkaatst het, evenals op haar rechterooglid, -wenkbrauw, voorhoofd, oor en haar.
Dat ze iets zwarts met een wit boord draagt, roept associaties op met het habijt van een non. Maar deze vrouw is onmiskenbaar hedendaags. Haar kraag die van een overhemd, haar zwarte bovenkleed eerder een trui, het haar onbedekt.

Kunst in de openbare ruimte is vaak groot van formaat. Sculpturen die je vanaf een afstand al gewaarwordt. Of, wanneer het muurschilderingen betreft, meestal metershoog en -breed. Zo niet hier. Dit werk meet slechts 60 bij 70 centimeter, en lijkt nog kleiner doordat het zich zo hoog bevindt. Wie niet omhoogkijkt, kan het werk makkelijk missen. Het geheel is bovendien een eigenaardig samenspel: een betonnen gevaarte met lift, fresco én aan de achterzijde een gigantische kerkklok.

Het fresco is een werk van de Vlaamse Michaël Borremans, zelf woonachtig in Gent. Het draagt de titel De Maagd (2014). In de richting van de ferme lichtstralen die uit de ogen van de maagd schieten, bevindt zich iets verderop in de Sint Baafs Kathedraal het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck. Het veelluik waarop ik eerder zag hoe de Heilige Geest goddelijke stralen naar aarde zendt. Anders dan het licht uit de ogen van De Maagd, zijn de stralen daar goud. In religieuze schilderkunst – zoals bij iconen of het Lam Gods – symboliseert goud naast heiligheid en rijkdom, vaak een innerlijk licht, een transcendentie, misschien zelfs in staat om de toeschouwer te verlichten.

Wat betekent het dan dat de lichtstralen uit de ogen van deze maagd niet goud, maar wit zijn? Wanneer we ergens naar kijken geven we het aandacht, kennen we het betekenis toe. De Maagd kijkt, en misschien dat wanneer passanten hun ogen naar haar opslaan, er in die ontmoeting iets transcendents ontstaat, een wederkerige verlichting.
Zou je de lijnen van de lichtstralen vervolgens doortrekken dan raken ze de grond voordat ze bij de Sint Baafs aankomen. Het ontbreken van goud, de kledij van de maagd en haar plek midden op een stadsplein maken haar benaderbaar voor iedereen.

Twee keer kort na elkaar is een deel van het kunstwerk verdwenen bij een schoonmaakbeurt van de betonnen kolos, die, vanwege het huisvesten van de klok, ook wel een klokkenstoel wordt genoemd. Twee jaar na oplevering poetste een schoonmaakbedrijf de verftoetsen weg die Borremans rechts van het portret had aangebracht. Vegen die het maakproces onderstrepen. ‘Als je schildert, wrijf je je penselen ook uit naast het doek. Die streepjes heb ik er bewust op gelaten, dan zie je dat het werk echt op die betonnen wand is geschilderd’, aldus Borremans.
Een jaar later verdween bij weer een schoonmaakbeurt de handtekening van de kunstenaar, die aan de achterzijde van het beton was aangebracht, in het gedeelte waar de klok hangt. De Maagd komt daarmee in een lange traditie te staan van kunstwerken waarvan een integraal onderdeel door schoonmakers werd aangezien als extern vuil en die daardoor een te grondige poetsbeurt kregen – zoals Martin Kippenbergers Wenn’s anfängt durch die Decke zu tropfen (1987) overkwam – of zelfs in het geheel uitgewist werden zoals een (Untitled) installatie bestaande uit bierflesjes, peuken en halfvolle koffiebekers van Damien Hirst in 2001. Over benaderbaarheid gesproken.

Advertenties

Ook adverteren op mistermotley.nl? Stuur dan een mail naar advertenties@mistermotley.nl

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

* verplicht